Zaandam 19 okober 1810 - Amsterdam 25 mei 1859

Jan van Gilse 1810-1859

Hartstochtelijk theoloog, aanvankelijk, van 1834 tot 1837, doopsgezind predikant in Koog, daarna hoogleraar in de theologie te Amsterdam. Evenals zijn vader zou hij in de houtzagerij worden opgeleid, indien niet enige vrienden van het ouderlijk huis in hem een bijzondere geschiktheid voor de studie hadden gemeend op te merken.

Met gretigheid nam hij het voorstel aan om zich op de Godgeleerde studiën ten behoeve van zijn kerkgenootschap toe te leggen. Aan de kweekschool van de Doopsgezinden onderscheidde hij zich door buitengewone vlijt en gaf daarvan blijk in 1831 middels een werkstuk over de profetie van Obadja wat hem een eervolle vermelding opleverde. Nog tweemaal werd hij gedurende zijn studietijd bekroond, te Groningen voor zijn vergelijkend onderzoek van het apocriefe boek van Jesus Sirach, en het bijbelboek Spreuken. Te Leiden voor zijn studie over de zedekundige grondstellingen en hoofdvoorschriften der Apostolische Vaders; een verhandeling, die overtuigend bewees, dat hij van de Patristiek geen minder ijverige studie had gemaakt dan van de Kritiek en Exegese des Ouden Verbonds.

Nadat hem de doctorale waardigheid te Leiden werd toegekend, was hij twee jaar lang werkzaam als predikant van de Doopsgezinde gemeente te Koog en Zaandijk en hij bleef, eerst in die werkkring, daarna als predikant bij de Amsterdamse gemeente onvermoeid bezig, tot hem na de dood van de geleerde W. Cnoop Koopmans op 24 mei 1849 de opengevallen theologische leerstoel aan het Seminarium werd opgedragen. Daar heeft hij zich vooral onderscheiden, niet slechts als geleerd theoloog, maar ook als trouw en volijverig leermeester van zijn leerlingen. Later heeft hij zich vooral gunstig doen kennen door de doorwrochte bijdrage tot de Geschiedenis van het Nieuwe Testament, waarin hij handelde over de oorspronkelijke betekenis van de benaming van Algemene Zendbrieven, geplaatst in de Godgeleerde Bijdragen van 1857.

Men mocht hem met volle recht onder de bekwaamste leerlingen van de hoogleraren Van Lennep, Roorda, Muller en Koopmans rangschikken, en hij verwierf dan ook weldra de achting van de beroemde Iiamaker, op wiens raad hij in 1836 een exegetisch en kritisch specimen over het zeventiende hoofdstuk van Ezechiël ter verkrijging van de Doctorstitel bewerkte.

In de enkele jaren dat hij bij de Vermaning voor Koog en Zaandijk betrokken was, maakte hij zich zo geliefd dat hem, overigens tevergeefs, door een gemeentelid een grote som werd geboden, op voorwaarde dat hij het docentschap in Amsterdam niet zou aannemen. Toen hij als hoogleraar werd beroepen was hij nog maar 26 jaar oud.

Op Tweede Kerstdag 1838 stierf zijn eerste vrouw Jeannette Brester, drie jaar jonger dan hij, aan de gevolgen van een miskraam. Zij liet een dochter en een zoon na. Jan van Gilse huwde Alexandria Geertruida Craandijk in 1840. Zij schonk hem tien nakomelingen waarvan er vier jong zijn gestorven.

Jan van Gilse overleed op 49-jarige leeftijd. Sinds zijn vierendertigste leed hij aan een borstkwaal, naar alle waarschijnlijkheid tuberculose. Ernstige complicaties daarvan veroorzaakten uiteindelijk zijn dood. Enkele jaren na zijn dood werden de door hem nagelaten verspreide Geschriften uitgegeven, verzameld en van toelichtend commentaar voorzien door zijn vakgenoot professor Veth. In deel 5 van deze geschriften beschreef Van Gilse zijn jeugd in de Zaanstreek als zoon van een Zaandamse houtkoper en -zager met de paltrok De Zalm, eerder De Vos genoemd, aan de Bloemgracht. Het commentaar van Veth wekte in Zaanse kringen verontwaardiging. Deze noemde de Zaanstreek een afgelegen deel van Noord-Holland en arm aan natuurschoon. Dat was nog tot daar aan toe, maar in de couranten verschenen protesten over Veth's vermelding dat de Zaankanters geen spoor van prijsstelling op wetenschap, letteren en kunst zouden bezitten.

  • gilse.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/12/28 13:29
  • door zaanlander