ledezetters

Befaamde groep chirurgijns in het dorp Jisp, die zich gedurende de gehele 17e eeuw vooral bezighielden met zogenoemde 'dislocatiën' van botten en gewrichten, dat wil zeggen met het zetten van gebroken ledematen en de behandeling van ontwrichtingen. Zij trokken van heinde en verre patiënten, die voor de behandeling vaak langere tijd in Jisp verbleven. Dat deze niet altijd even zachtzinnig te werk gingen blijkt uit de bijnaam van Willem Thaemsz, begin 17e eeuw, die luidde: 'de ijzeren duim'. Soeteboom merkt in de Zaanlandse Arkadia op: „Het was wonder wat die man niet uitwrocht en de luiden leden zijne handeling, vertrouwende genezende te worden“. Onder deze patiënten waren ettelijke hoogwaardigheidsbekleders, waaronder een Franse koning. Zowel mr. Cornelis Ploegh (1624-1697) als ook leden van het geslacht Taems genoten bekendheid als ledezetter. Ploegh, die zo ver gevorderd was in de kunst verstuikte en gebroken ledematen weer in orde te brengen, als „weinige voor of na hem”. Hoe zijn methode was, is echter voor het nageslacht onbekend gebleven.

Jisp, sinds het jaar 1611 gescheiden van het naburige Wormer, zou weinig vermaardheid gekregen hebben, als de beroemde ledezetters er niet gewoond hadden, die wijd en zijd bekend stonden om hun kunst, mensen van hun lichaamsgebreken te genezen. In werken over heel- en ontleedkunde worden de ledezetters nauwelijks genoemd, wat wel enige verwondering wekt, daar zij indertijd tot ver over onze grenzen bekend waren om hun grote kunde. Wat wij van hen weten, danken we aan de plaatsbeschrijvers uit die tijd; bijvoorbeeld Claes Bruyn, die in zijn ‘Noordhollandsche Arkadia’ bij de vermelding van het dorp Jisp opmerkt:

„Daar heeft weleer een man gewoont,
Die een beroemd wondheler plagt te wezen,
Ja, die elk uit één zalfpot kon genezen,
Een meester die, met koninklijk gezag,
De lijdende beheerste dag aan dag,
Hoe adelijk, hoe rijk van schat en staten.“

Op het kerkhof te Jisp liggen nog een paar zerken, waaronder de ledezetters vermoedelijk begraven liggen. Op één van die zerken staat gebeiteld:

Taemszoon de Leedsetter,
Sterf in 't Jaer ons Heeren 1606
den 29 Mertius.

Willem Taemsz.

De andere zerk draagt de namen van de nazaten, beginnend met Willem Taemszoon, die 11 februari 1613 stierf, en eindigend met Maritje Cornelisz Ploeg, 30 november 1720 gestorven. De stamvader van het geslacht der ledezetters was Taemszoon, die werd opgevolgd door zijn zoon. Willem Taemszoon, de meest bekende, die door Soeteboom in zijn 'Zaanlandsche Arkadia' aldus beschreven is:

In zijn 'Arkadia' schrijft Soetebooom over Willem Taemsz het volgende: „Van Jisp komt mij vooreerst in het gemoet lopen een man waar men voor verschrikken zoude, die sulke harde vingers en handen heeft gehad, ja soo en hartig gemoet, dat hij de ellendige menschen armen en beenen brack en op ladderen bond, dat hun van benauwtheidt het sweet als een rivier langs de kinnebakken rolde en hoe dat de luyden kreeten en kermden, sonder barmhartigheydt scheen te zijn. Het was Willem Taemsz, in zynen tydt in vele landen en plaatsen seer vermaardt en bekendt. Hij was genoegsaam met kleine studie aan de konst gekomen, varende op een buis: hy heeft er veel ellendig gehandeld en heylzaaim genesen”

Hieruit blijkt, dat Willem Taemszoon scheepsheelmeester is geweest, of barbier, zoals men veelal zei. Het was in die dagen gebruikelijk, dat iemand, die het chirurgijnsvak gekozen had, begon met als scheepsheelmeester de bijzondere kundigheden te beoefenen. De schepelingen deden dienst als proefkonijnen. De overgespaarde gelden op het schip gebruikten zij om zich na korte of langere diensttijd hier of daar te vestigen.

De ondervindingen, aan boord opgedaan, golden als een aanbeveling. Een stok, met de nationale kleuren beschilderd, werd dan boven de winkel uitgestoken, wat betekende, dat de daar wonende chirurgijn ook scheepsheelmeester geweest was. Dit uiterlijke kenteken kwam de klandizie ten goede.

De ijzeren duim

Soeteboom heeft nog een verhaal opgetekend, hem door Claes Lourensz Euverlander gedaan een Beeldt-Houwer in Hout en Steen, alsmede Bootseerder“: Deze Euverlander vertoefde te Rome, om zijn studie te voltooien. Eens vroeg zijn biechtvader hem, uit welk land hij kwam, waarop de beeldhouwer antwoordde dat hij te Jisp in Holland geboren was. „O, zei de priester toen, dan zult gij dien ijzeren duim wel kennen”. Willem Taemsz was in zijn tijd bekend onder de naam 'ijzeren duim'.

Tot in Italië was zijn roem dus doorgedrongen. Zijn bekendheid in het eigen land blijkt uit een resolutie van Holland van 15 februari 1609, waarbij bepaald werd, dat Willem Thomasz Taemsz, ledezetter te Jisp, vijf stuivers mocht eisen voor iedere soldaat in aktieve dienst, die ten zijnen huize gezonden werd om genezen te worden, „zullende die som door het land betaald worden“. ”

Vader Cats

Ook de dichter Jacob Cats gewaagt van de Jisper Ledezetters. In zijn ‘Trou-ringh’ geeft hij een berijmd verhaal: „Gebreck genesen om een houwelyck te vorderen“.

Het verhaal vertelt ons, dat Jefron zijn zinnen gezet heeft op de schone Rachel. Hij bemint het meisje zeer, dat recht van lijf en leden was. Maar zelf had hij een kreupel been, gevolg van het vallen uit een wagen en het niet goed zetten van het gebroken been door de behandelend chirurgijn. En het kreupele been was oorzaak, dat het meisje hem versmaadde. Haar ouders drongen op het huwelijk aan en ook Jefron zelf deed alle moeite haar gunst te verwerven; doch alles tevergeefs, de schone bleef weigeren, want:
„Word' ick mijn leven oyt tot yemants echte wijf,
Ick wil een fris, een gaef, een rap en wacker lijf;
Ick wil vooral een man die met geswinde schreden,
Kan vaerdig op den dam, op beurs en straten treden;
En wie dat niet en heeft, hy zy dan wie hij magh,
Dien wensch ick nu ter tijt voor eeuwigh goeden dagh.”

Een definitieve weigering dus, om ooit met hem in het huwelijk te treden. Diep gebukt onder het leed, verlaat Jefron de onverbiddelijke Rachel. Aanvankelijk was hij troosteloos, maar toen de eerste schok voorbij was, kwam de hoop weer boven. Hij peinst, of er toch nog niet iets aan te doen zal zijn, en:

Ten leste roept hy uyt: „ick geef het niet verloren,
My dunckt, ick weet één dingh my dienstigh na te sporen,
Te Jisp is nu ter tijd een wonder handigh man,
Die oock het slimste been te rechte brengen kan.
Ick moet het nu ter tijt, ick moet het heden weten,
Of hy sich over my geen krachten sou vermeten.“
Daermede scheyt de man uyt syn bedroefd gepeys,
En, sonder langh verblijf, soo tijt hij op de reys.
Hy komt naeu in het dorp, hy laet den meester halen,
Hy seyt: „hier is een man die sal u wel betalen;
Hier is een kreupel been, indien gy dat geneest,
Geen meester is er oyt soo wel betaelt goweest.”
De meester doet den man sijn kousen, stracx ontbinden,
Om, watter schuylen magh te beter uyt te vinden,
En nae hy heeft betast het voeghsel van het been,
Soo vint hy stracx de pijp gewassen over één.
Hy voelt nogh andermaal, hij raeckt aan alle syden,
Hy grijpt wel happigh toe, oock sonder het te mijden.
Ten lesten quam 'er uyt: „Ick sie het watter schort;
Alleen door quaet beleyt soo is het been te kort.
En om dit wederom in goeden stand te brengen,
Soo moest gy vry den slagh van dese vuyst geheugen;
Gij moest niet zijn beschroomt voor ongewoone pijn, En moght al beter koop den beul gelevert zijn.
Maer al dat meepsche volck, geboren in de steden,
En is geen praem gewent ontrent h'aer teere leden,
't En soeckt maer sijn vermaeck, al wat het hertje lust;
Gy daerom, keer terugh, en hout uw hooft gerust.“

Maar Jefron wil niet, dat men hem beschouwt als iemand van het zwakke steedse volk. Hij kan wel pijn verdragen, als het wezen moet. Als de meester kans ziet het kreupele been te herstellen, dan moet hij maar beginnen, .. en doet het naer den eysch, En acht dit gantsche lijf niet meer dan paerde-vleyseh.

Dat was nog eens taal, zoals de ledezetter nog nooit gehoord had, en hij beval zijn knecht terstond nieuwe koorden te halen en de patiënt goed vast te binden. Maar ook dit vindt Jefron onnodig, hij wil niet gebonden worden, hij zal zich ook ongebonden wel goed houden onder de pijnlijke behandeling. Zoiets had de ledezetter nog nooit meegemaakt, meestal waren de patiënten doodsbang voor zijn „rauwe duymen”. En hij zelf wist hoe pijnlijk de operatie meestal was. Maar hij wist niet, dat de grote liefde voor Rachel de jongen man die kracht en durf gaf.

Hy tijt dan aen het werck, en sonder het te binden,
Soo gaet hy eerst het been in groene kruyden winden,
Hy stooft het voor een wijl; en desalniettemin,
Hy breekt het metter hant, hy set het weder in.
Hy doet den jongelingh gelijck de rauwe gasten,
En als hy voortijts plagh de boeren aan te tasten:
Hoe seer dat yemant kermt, ja schoon al riep hy moort,
Hy gaet nogh even-wel met sijnen handel voort,
't En lijt, naer mijn onthout, naeu ses of seven wéken,
De man komt uyt het dorp gelijck een paeuw gestreken.
Bly-geestigh, fris, gesont, het been wel in-geset,
En reght gelijck een kaers, en met een vasten tred.

Jefron is dus van zijn kreupelheid genezen en zo komt bij naar Rachel, die geheel verstomd staat en niet weet, wat zij ziet. Maar de verliefde jongeling vertelt haar zijn wedervaren:

„En waer hy is geweest en hoe hy is gevaren;
En wat hij voor verdriet te Jisp had uyt-gestaen.
En wat de rauwe gast hem pijn heeft aen-gedaen.
En hoe hy menighmael in flauwte had gelegen.
En hoe hij wederom den adem had gekregen,
Niet door een vreemde salf of dingen van de kunst,
Maer door een soet gepeys van haer gewenschte gunst.“

Het slot van de historie is: zij krijgen elkaar. Deze beloning had Jefron ook dubbel en dwars verdiend. Niet altijd kon de kunst van de Meester de ongelukkigen helpen, wat blijkt uit de aantekeningen in de „Blaffert van de Dooden tot Jisp 1654—'05”. In die periode zijn er begraven:

17 juni 1655: Een kreupel kind van Enkhuizen,
10 februari 1662: Een kreupele Franschman,
29 november 1663: Een kreupele uit Den Helder, enz.
Uit Friesland, Zeeland, Amsterdam, Den Haag, zelfs uit Noorwegen zijn er kreupelen begraven, die geen baat vonden bij de wereldberoemde ledezetter.

Bron: o.a. Het Volk

In 2018 voert PPG Paletkwartet samen met Herleving 1898 het dorp Jisp terug naar zijn hoogtijdagen in de zeventiende eeuw! Met elkaar maakten zij een theaterstuk over de beroemde ledezetters.

Zie ook Gezondheidszorg 1.5.1.

  • ledezetters.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/04/18 14:11
  • door jan