liberalisme

Politieke stroming, in de Zaanstreek tot de invoering van het algemeen kiesrecht in 1919 zeer dominant aanwezig, nadien een van de vaste waarden in de plaatselijke politiek.

Algemeen

De aanduiding liberalisme staat voor een complex van theorieën over mens, staat en economie, waarbij de grondgedachte is dat ieder individu zich zo veel als mogelijk moet kunnen ontplooien, zonder dat de staat daarbij ingrijpt. Politiek streven de liberalen naar constitutioneel-parlementaire regeringsvormen, waarbij scheiding van de drie machten, de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende, moet voorkomen dat een te grote machtsconcentratie ontstaat.

In de economie moeten vraag en aanbod de markt bepalen. De rol van de overheid dient zoveel mogelijk te worden beperkt. Een minimaal niveau van overheidsbemoeienis is het scheppen van een kader, waarbinnen de individuele vrijheid en veiligheid gewaarborgd is. Daarnaast zal de overheid stimulerend optreden wanneer belangrijke maatschappelijke taken niet door de burgers vervuld kunnen worden aldus het verkiezingsprogramma Volkspartij voor Vrijheid en Democratie VVD in, 1986.

Het liberalisme stoelt historisch op het Verlichtingsdenken. Belangrijke theoretici zijn onder anderen:

  • de Engelsman John Locke (1632-1704),
  • de Fransen Charles Louis de Secondat,
  • baron de Montesquieu (1689-1755) en
  • Jean-Jacques Rousseau (1712-1778),
  • de Schot Adam Smith (1723-1790) en
  • de Engelsman John Stuart Mill (1806- l873).

In onze tijd was de Amerikaanse econoom Milton Friedman (1912-2006) een belangrijk verkondiger van de liberale theorieën.

In Nederland was Jan Rudolf Thorbecke (1798-1872) een belangrijk voorvechter van de liberale standpunten. Was Thorbecke de belangrijkste exponent van het l9e-eeuwse Nederlandse liberalisme, de eerste of de enige was hij zeker niet. Liberale gedachten waren al bij de Patriotten eind 18e eeuw te vinden. Evenals het liberalisme was de patriotten-beweging een typisch uitvloeisel van het burgerlijk streven naar machtsinvloed, in weerwil van de toen absoluut heersende vorsten.

Het was Thorbecke die met zijn grondwetswijziging van 1848 Nederland een grondwettelijk koninkrijk gaf, waarin ministers verantwoording schuldig waren aan de volksvertegenwoordiging. Tot 1917 hield Nederland het censuskiesrecht. De hoeveelheid belasting die men betaalde bepaalde of men actief en/of passief kiesrecht had. In praktijk betekende dit lange tijd dat alleen conservatieven en liberalen zich met politiek bezig hielden. In 1917 werd het algemeen mannen-kiesrecht ingevoerd, twee jaar later volgde het kiesrecht voor vrouwen.

Zaanstreek

De Zaanse politiek in de 19e eeuw werd beheerst door de houthandelaren, de rijst-, olie- en verffabrikanten. Deze behoudend-liberale mannen bezetten alle raadszetels en konden, indien zij dat wilden, tientallen jaren lid van de raad blijven. Van politieke strijd was volstrekt geen sprake, ook al doordat slechts de helft van de kiesgerechtigden, minder dan 5% van de bevolking, een stembriefje inleverde.

Iedere twee jaar werden verkiezingen gehouden, die veelal de al zittende raadsleden bevestigden. De functie raadslid werd in die tijd als een erebaan beschouwd. Van politieke partijvorming was nog geen sprake. Incidenteel waren prominente kiesverenigingen actief. Deze fungeerden als een soort overlegorgaan waarbinnen liberalen van verschillende pluimage met elkaar van gedachten konden wisselen. Alle kandidaten konden rekenen op de steun van de Zaanlandsche Courant. In deze krant stonden regelmatig loftuitingen op de Zaanse liberale kandidaten.

De liberale notabelen zetten zich voornamelijk in om het lot van de minder bedeelden te verbeteren. Het openbaar onderwijs werd als het geëigende middel daartoe gezien. Verenigingen die schoolbezoek stimuleerden zoals Geluk door Ontwikkeling) werden opgericht. De gemeenteraad en ook bijvoorbeeld 't Nut gaven subsidies om scholing van de armen mogelijk te maken.

Zaanse liberalen hadden niet alleen in de krant en hun kiesvereniging mogelijkheden met elkaar te communiceren; zij kwamen elkaar ook tegen in de kerk, charitatieve verenigingen en in organisaties zoals de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. En ook in hun vrije tijd ontmoetten zij elkaar. Daardoor speelden gymnastiek- en schermvereniging Achilles, rederijkerskamer Vondel, harddraverij-vereniging, ijsclubs en in zekere zin ook een rol in het politieke leven. De leden van deze clubs kwamen elkaar zo dikwijls tegen en zaten zo op één lijn dat de vorming van een politieke partij in hun ogen niet nodig was.

Na 1880 ontstond die noodzaak echter wel degelijk. Niet alleen doordat de socialisten, anarchisten en confessionelen zich gingen roeren, maar ook doordat de liberalen intern verdeeld raakten. In Zaandam werd in 1881 de Burgerkiesvereniging opgericht. Dit was een vereniging voor de middenlagen van de bevolking. In 1887 haalde deze vereniging, in samenwerking met de ARP een raadszetel binnen.

Maar de samenwerking met een confessionele groepering luidde ook het eind van de kiesvereniging in. De opheffing kwam niet als een donderslag bij heldere hemel. Landelijk was in 1884 de Liberale Unie opgericht, als reactie op de daarvoor ontstane confessionele kiesverenigingen. De Liberale Unie werd door de Zaandamse liberalen als te progressief beoordeeld en aansluiting bleef uit.

Dat slechts een minderheid van de Zaanse liberalen een progressiever beleid voorstond, was eerder al in 1883 gebleken: bij een discussie over het volgen van de lijn van Jan Kappeyne van de Coppello (1822-1894) dan wel een meer conservatieve politiek, was door een meerderheid voor het laatste gekozen.

Na de opheffing van de Burgerkiesvereniging werd Kiesrecht is Kiesplicht opgericht, dat zes jaar kwijnend bleef bestaan. Kiesrecht is Kiesplicht sloot zich wel aan bij de Liberale Unie; vanaf toen zouden de Zaanse liberalen progressiever worden. Maar de neergang van het liberalisme begon zich in te zetten. De doopsgezinden in de Zaanstreek, die al eerder blijk van sociale bewogenheid hadden gegeven, neigden in die jaren naar een meer vrijzinnige richting. Ook in andere kerkgenootschappen kreeg deze vrijzinnigheid navolging. Dit leidde tot felle reacties en het ontstaan van een rechtzinnige stroming.

Onder de vrijzinnigen was al spoedig een hoge ontkerkelijking, de rechtzinnigen bleven de kerk trouw. De orthodox-protestanten kwamen tot een hoge organisatiegraad en kregen met het weekblad De Zaanbode ook een eigen spreekbuis, waarin zij ageerden tegen de vrijzinnigen en de socialisten.

De opkomst van het socialisme vormde een tweede factor die tot een tanende invloed van de liberalen leidde. In 1886 had de Sociaal Democratische Bond SDB 1000 leden in de Zaanstreek. De Zaanse afdeling was daarmee de grootste van de Bond. De leden kwamen vooral uit de noordelijke Zaangemeenten; in Zaandam kreeg de SDB weinig aanhang. Dat juist in die gemeente de protestanten hecht georganiseerd waren, zal daarbij stellig van invloed zijn geweest.

In de tweede helft van de jaren '80 kwamen de eerste niet-liberalen in de Zaanse raden. De liberalen waren zelf al tot de conclusie gekomen dat de confessionelen niet langer uit de raden geweerd konden worden. Het liberale bolwerk De Zaanlandsche Courant schreef in 1885 zelfs een gematigde aanbeveling voor de katholieke fabrikant C. Kamphuys. Kamphuys kwam in de Zaandammer raad, maar vertrok na drie jaar weer, teleurgesteld omdat zijn voorstellen tot bezuinigingen (vooral op het openbaar onderwijs) telkens werden afgewezen. Na het aftreden van Kamphuys kwam er nog een aantal jaren waarin de liberalen alle zetels in de Zaandammer raad bezaten. Maar in 1891 kwam daar een definitief einde aan. Na de verkiezingen van dat jaar waren de zeventien zetels als volgt verdeeld: liberalen 11, Burgerkiesvereniging (niet te verwarren met de eerdere gelijknamige vereniging) 3, antirevolutionairen 2, katholieken l. De drie leden van de Burgerkiesvereniging bleken zich in de praktijk nauwelijks van de liberalen te onderscheiden. Dit leidde tot een scheiding in deze vereniging: het progressieve deel, radicalen genoemd, ging een verbinding aan met de anti-revolutionairen. De positie van de liberalen werd hierdoor danig verzwakt. Bij verkiezingen werden de liberale kandidaten telkens verslagen door leden van de antirevolutionaire/radicale coalitie. De niet-georganiseerde liberalen konden hier weinig tegen doen. Vandaar dat De Zaanlandsche Courant in 1897 opriep tot aansluiting bij de Liberale Unie. Deze oproep had succes: de liberale kiesvereniging Zaandam werd opgericht en sloot zich bij de Unie aan.

De samenwerking tussen de confessionelen en de radicalen hield stand tot 1901. De radicalen, die nu meestal vrijzinnig-democraten werden genoemd, trokken steeds meer naar de SDB, hetgeen voor de anti-revolutionairen onaanvaardbaar was. Het is naderhand een opmerkelijke ontwikkeling te noemen dat juist de liberalen zelf zo'n grote bijdrage leverden aan de definitieve ondergang van de liberale heerschappij in de Zaanse gemeenteraden. De eerste socialisten wisten slechts met steun van de progressieve liberalen, de vrijzinnig democraten, in de Zaandammer raad te komen. Toen zij daarin eenmaal vertegenwoordigd waren, was het hek van de dam. Onder leiding van de charismatische J.E.W. Duys kreeg de nieuwe Socialistische Democratische Arbeiders Partij (SDAP) vanaf 1906 een grote aanhang. Ook monsterverbonden van liberalen en confessionelen konden de socialistische opmars niet stuiten. Deze opmars was overigens ook en voor een groot deel te danken aan de eveneens door de liberalen gesteunde kiesrechtuitbreidingen: steeds meer mensen met lagere inkomens kregen stemrecht.

Vooral in Zaandam ging het snel. Tussen 1911 en 1913 steeg het aantal socialisten in de raad van twee naar tien. De benoeming van Klaas ter Laan tot burgemeester van Zaandam, de eerste sociaal-democratische burgemeester van Nederland, betekende het definitieve einde van het liberale tijdperk. Nadien zou het liberalisme slechts één van de in de raad vertegenwoordigde politieke stromingen zijn. Alleen in Westzaan wisten de liberalen nog tot na de Eerste Wereldoorlog de absolute meerderheid te behouden.

Tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog

De jaren tussen de beide wereldoorlogen kenmerkten zich voor de Zaanse liberalen vooral door een grote versnippering:

  • In Assendelft waren de Vrijzinnige Kiesvereniging, de Vrijheidsbond, de Plattelandersbond en de Vrijzinnig Democratische Bond VDB actief;
  • in Jisp vonden de liberalen elkaar in Gemeentebelangen;
  • in Koog aan de Zaan waren er de Vrijzinnigen, de VDB, Gemeentebelang en de Anti-Stemdwangpartij;
  • in Krommenie de Vrijzinnigen en Gemeentebelang;
  • in Oostzaan, waar door het ontbreken van verkiezingsprotocollen de eerste gegevens van 1935 dateren, de Vrijzinnigen;
  • in Westzaan de Vrijzinnig Liberalen, de Boerenlijst en de VDB;
  • in Wormer de Plaatselijk Liberalen;
  • in Wormerveer de Liberalen, de Boerenbond, Middenstands-Kiesvereniging, Economische Bond, Neutrale Partij en Democratische Partij;
  • in Zaandam VDB, Liberalen, Middenstands-Economische Bond, Vrijheidsbond/Liberale Staatspartij en de Burgerkiesvereniging;
  • in Zaandijk de Liberalen en de Vrijzinnige Kiesvereniging die later opging in de VDB.

In Westzaan hielden de liberalen nog het langst de absolute meerderheid. Nog in 1923 hadden de Liberalen drie van de zeven zetels en de liberaal georiënteerde Boerenlijst één. In 1927 was deze meerderheid voorbij doordat de Vrijzinnig Liberalen een zetel verloren. De Boeren raakten hun zetel in 1931 kwijt. In 1935 vielen de Vrijzinnig Liberalen terug naar één zetel. De VDB haalde in 1931 en 1935 één zetel. Daarna zou het tot 1953 duren voor er weer een liberaal in de raad van Westzaan zou komen.

De neergang van de liberale partijen wordt nog het duidelijkst geïllustreerd door de raadszetelverdeling in de twee qua inwonertal grootste Zaanse gemeenten, Zaandam en Wormerveer. In Zaandam hadden in 1909 de VDB (4) en de Liberalen (9) nog dertien van de zeventien zetels. Vier jaar later waren dat er nog vier, VDB 2 en Liberalen 2. In 1919 haalden de VDB, de Liberalen en Middenstands-Economische Bond MEB ieder slechts één zetel. De VDB was de enige partij die zich daarna handhaafde met in 1923 één, in 1927 en 1931 twee, en in 1935 en 1939 drie zetels. Vanaf 1923 was ook de Liberale Staatspartij vast in de Zaandamse raad vertegenwoordigd met telkens één zetel en in 1931 twee zetels. De Burgerkiesvereniging haalde in 1923 twee zetels en in 1927 één zetel.

Bij de verkiezingen in Wormerveer in 1919 werden de Liberalen verpletterend verslagen door de sociaal-democraten. De Liberalen vielen terug van zes naar twee zetels en de Boerenbond verdween geheel. De Middenstands Kiesvereniging en de Economische Bond haalden elk één zetel die zij bij de verkiezingen in 1923 kwijt raakten; ook de Liberalen verdwenen in 1923 uit de raad. De Neutrale Partij wist in 1923 en 1927 wél een zetel te verwerven en de Democratische Partij behaalde een zetel in 1931. Maar in meerderheid hadden de eerder liberale kiezers onderdak gezocht bij het weliswaar liberaal-georiënteerde maar niet strikt-liberale Gemeentebelangen. Tussen 1935 en 1949 zaten er geen liberalen in de Wormerveerse raad.

De bevolking van Krommenie bleef lang achter de Vrijzinnigen staan. In 1923 waren de SDAP en de Vrijzinnigen met elk vier zetels de grootste fracties in de raad. In 1927 en 1931 bezetten beide drie zetels. In 1935 behaalden de Vrijzinnigen nog één zetel, in 1939 geen. Pas in 1953 zou er weer een liberaal in de raad komen.

Ook in Wormer hield de liberale beweging lang aanhang. Na één van de negen zetels in 1923, haalden de Liberalen in 1927 drie van de elf zetels. De jaren daarna haalden de Liberalen telkens twee zetels.

Oostzaan en Jisp kunnen zeer kort behandeld worden. In Jisp was tussen de wereldoorlogen nooit een liberale partij; daar zou eerst in 1982 D'66 een raadszetel halen. Van Oostzaan ontbreken verkiezingsprotocollen van vóór 1935. In dat jaar haalde de Vrijheidsbond drie van de elf zetels; in 1939 waren dat er twee.

In Assendelft waren de liberalen permanent vertegenwoordigd. In 1913 had de Vrijzinnige Kiesvereniging nog vijf van de elf raadszetels gehaald, in 1919 waren dat er twee. Nadien verdween deze Kiesvereniging om plaats te maken voor de Vrijheidsbond, twee zetels in 1923 en de Plattelandsbond, eveneens twee zetels in 1923. Vanaf 1927 was de VDB de liberale partij in Assendelft. Deze partij haalde in 1927 drie zetels, bij alle verkiezingen daarna telkens twee.

Ook in Koog aan de Zaan en Zaandijk was de VDB de belangrijke liberale partij. In Koog haalden de Vrijzinnigen in 1913 en 1927 twee zetels en de Anti-Stemdwang één zetel in 1927 en 1931. De VDB haalde drie zetels in 1913, twee in 1919, drie in 1923 en nadien steeds twee. In Zaandijk behaalden de Liberalen vier zetels in 1913 en drie in 1919. Daarna behaalde de VDB twee zetels in 1923 en 1927 en drie zetels in 1931. Nadien stemden de meeste liberalen op Gemeentebelangen.

Geconcludeerd kan worden dat er nauwelijks lijn valt te ontdekken in de geschiedenis van de liberalen in de Zaanstreek tussen beide wereldoorlogen. Over het algemeen was er sprake van teruggang, maar die verliep in het ene dorp veel sneller dan in het andere. Landelijk ontving men weinig steun. In 1933 haalde de anti-revolutionair Colijn liberalen en vrijzinnig democraten in zijn regering. Dit minderheidsoptreden kostte beide partijen zetels. In 1936 waren nog slechts vier van de honderd kamerleden liberaal en zes vrijzinnig democraat.

Na de Tweede Wereldoorlog

Vóór de Tweede Wereldoorlog waren er op landelijk niveau twee grote liberale partijen: de Liberale Staats Partij LSP en de Vrijzinnig Democratische Bond VDB. Tijdens de oorlog werden gesprekken gevoerd om tot de oprichting van één grote zuilendoorbrekende partij te komen. De katholieken en de meeste protestanten voelden niets voor zo'n partij.

De SDAP, het liberaal-christelijke CDU en enkele protestantse groepen besloten wel tot de vorming van een nieuwe partij: de Partij van de Arbeid. Nog vóór de verkiezingen van 1946 kwam deze partij tot stand. Namens de VDB nam, met een slag om de arm, de burgemeester van Rotterdam Pieter Oud (1886-1968) zitting in de nieuwe partij. Ook binnen de LSP brak het vernieuwingsdenken door. Onder leiding van D.U. Stikker werd aan de verkiezingen van 1946 deelgenomen als Partij van de Vrijheid PvdV, ofschoon de LSP pas na die verkiezingen werd opgeheven. De PvdV bleek echter niet het antwoord te kunnen vinden op de nieuwe politieke en maatschappelijke verhoudingen van na de oorlog en dreigde snel in slaap te sukkelen. Oud voelde zich inmiddels steeds minder bij de PvdA thuis en stapte in oktober 1947 uit de partij. Stikker liet Pieter Oud de vrije hand bij de oprichting van een nieuwe partij en in januari 1948 was de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) een feit. Pieter Oud werd partijleider, lijsttrekker en na de verkiezingen fractievoorzitter.

In de Zaanstreek werden de nieuwe partijen zonder veel moeite omarmd. Het vermoeden bestaat dat de leden van de VDB zich en bloc aansloten bij de PvdA en die van de LSP bij de PvdV. Voor het eerst sinds de Eerste Wereldoorlog werd er weer een liberaal wethouder: Hendrik Lodewijk Hallie in de nood-gemeenteraad van Zaandam. Na de verkiezingen van 1946 kwam hij niet terug als wethouder.

De plaatselijke partijleiding bleef nog altijd voor een groot deel uit industriëlen en handelaren bestaan. Met name houthandelaren zouden nog lange tijd het gezicht van de VVD in de Zaanstreek bepalen. Bij de verkiezingen van 1949 behaalde de VVD haar eerste zetels in Zaanse gemeenteraden:

  • twee in Koog aan de Zaan,
  • twee in Oostzaan,
  • één in Wormerveer,
  • twee in Zaandam en
  • één in Zaandijk.

De eerste jaren van de VVD werden gedomineerd door Pieter Oud. Zijn populariteit was groot en de plaatselijke afdelingen profiteerden daar van mee.

  • In Assendelft haalde de VVD in 1958 haar eerste zetel.
  • In Koog aan de Zaan behield men in 1953 de twee zetels en steeg men in 1958 naar drie zetels.
  • In Krommenie werd in 1953 en in 1958 één zetel behaald.
  • In Oostzaan bleef de partij bij beide verkiezingen op twee zetels.
  • In Westzaan kreeg de partij in 1953 haar eerste zetel en in 1958 werden dat er twee.
  • In Wormerveer kreeg de VVD in 1953 en 1958 twee zetels.
  • In Zaandam behaalde de partij in 1953 twee zetels en in 1958 drie zetels.
  • In Zaandijk behaalde de VVD bij beide verkiezingen twee zetels.
  • In Koog kreeg de VVD in 1958 een wethouderspost.

Isaak Johannes Wolleswinkel nam zitting in een college waar de PvdA en de VVD aan deelnamen. De coalitie kostte beide partijen een zetel en werd daarna niet voortgezet. De partij draaide op lokaal niveau dankzij de bijdragen van plaatselijke industriëlen, pas later zou men lidmaatschapsgelden gaan innen.

De liberale politiek in de Zaanstreek in de jaren '50 en '60 was vooral gestoeld op zaken doen, men streefde een praktische politiek na. De politieke uitgangspunten van het liberalisme werden daarbij niet vergeten, maar het belang van de gemeente stond voorop. De Zaanse liberalen stonden binnen de partij bekend als iets vrijzinniger en progressiever. In de jaren '60 was de grote groeiperiode voor de VVD ten einde. De partij had landelijk een stabiel electoraat verworven.

De VVD wist niet te profiteren van de voortgaande ontkerkelijking. Nieuwe partijen als de PSP, de Boerenpartij, DS'70 en de PPR trokken de zwevende kiezers aan. Met name de oprichting van de Democraten-Socialisten '70 werd in de VVD met lede ogen aangezien, omdat zich bij deze partij de rechtse socialisten aansloten. Deze waren, althans zo was de redenering, anders bij de VVD terecht gekomen.

In de jaren '60 ontstond ook een tweede als liberaal te kenschetsen partij in Nederland: Democraten '66. D66 ontstond de dag na de nacht van Schmelzer, 14 oktober 1966. Onder leiding van Hans van Mierlo (1931-2010) en het uit de VVD getreden Amsterdamse raadslid Gruijters richtten 44 personen de nieuwe partij op. Onder deze 44 bevonden zich zestien voormalige VVD-leden, zeven voormalige PvdA-leden en 19 partijlozen. D66 presenteerde zich dan ook niet als een afsplitsing van VVD of PvdA, maar als een geheel nieuwe partij.

De uitgangspunten van D66 waren in een aantal opzichten ook duidelijk nieuw. Men streeft een radicaal/progressief liberalisme na; programmatisch staat men tussen de andere partijen. D66 keert zich nadrukkelijk tegen levensbeschouwelijke of ideologische politieke drijfveren; de partij streeft pragmatisme na. Desondanks heeft ook D66 een aantal vaststaande uitgangspunten: er moet een radicale democratisering van de samenleving komen, waarin plaats is voor een districtenstelsel, rechtstreekse verkiezing van de minister-president en burgemeesters en afschaffing van de Eerste Kamer.

Deze uitgangspunten en het persoonlijke charisma van haar leiders brachten de partij groot succes. Bij de kamerverkiezingen van 1967 werden zeven zetels behaald, vier jaar later kreeg de partij zelfs elf zetels. In 1972 volgde een sterke terugval van zes zetels, die zich na regeringsdeelname voortzette. Onder aanvoering van Jan Terlouw (1931) herstelde de partij zich. In 1977 werden acht zetels en in 1981 zeventien zetels behaald. Daarna viel de partij weer sterk terug met negen zetels in 1986, om daarna weer te groeien tot 12 zetels in 1989.

In de Zaanstreek sloeg het progressieve liberalisme van D66 niet zo sterk aan als elders. Waar de partij landelijk sterke fluctuaties kende, bleef zij in de Zaanstreek klein en redelijk stabiel. In Oostzaan en de eerder zelfstandige deelgemeenten van Zaanstad haalde D66 nooit een raadszetel, dan wel deed zij aan de raadsverkiezingen geheel niet mee. In 1978 haalde D66 twee van de 39 zetels in de gemeenteraad van Zaanstad; eerder was in '73 zonder succes aan de verkiezingen deelgenomen. In 1982 behield de partij de twee zetels in de raad in Zaanstad en werd één zetel in Jisp en één in Wormer gehaald. De zetel in Jisp ging vier jaar later weer verloren, evenals één zetel in Zaanstad. Onder invloed van de landelijke successen behaalde D66 in 1990 grote zetelwinst in Zaanstad. De partij steeg van één naar zes raadszetels, hetgeen leidde tot vervulling van een wethouderspost (Bert Bouwmeester).

D66 haalde aanvankelijk nauwelijks stemmen bij de VVD weg, later zou dat wel gebeuren. Desondanks kunnen de jaren '70 als de gouden jaren van de VVD worden beschouwd. Onder leiding van Hans Wiegel (1941) werd de VVD een algemene volkspartij die van 14 procent van de stemmen (1972) steeg naar 24 procent (1981). In de Zaanstreek bleef de groei van de partij duidelijk achter bij de landelijke ontwikkeling. De steun van de VVD voor de samenvoeging tot Zaanstad kostte haar in de randgemeenten een flink aantal stemmen. Bij de laatste verkiezingen van de deelgemeenten in 1970 haalde de VVD één raadszetel in Assendelft, twee in Koog aan de Zaan, nul in Krommenie, twee in Oostzaan, nul in Westzaan, één in Wormer, twee in Wormerveer, drie in Zaandam en twee in Zaandijk.

De samenvoeging tot Zaanstad ging voor wat de VVD betreft geruisloos. De zeven afdelingen (waarvan sommige feitelijk slechts in naam bestonden) gingen zonder problemen samen. Bij de eerste raadsverkiezingen van Zaanstad (1973) werd dan ook een redelijk resultaat geboekt: zes van de 39 zetels. In 1978 werden vijf zetels behaald en in 1982 acht zetels. In Oostzaan kwam de VVD in 1982 op drie zetels en in Wormer bleven de twee zetels van 1978 gehandhaafd, hetgeen leidde tot vervulling van een wethouderspost. In Jisp bleef het liberale deel van de bevolking vertegenwoordigd door met name Gemeentebelangen. In 1986 werd het aantal zetels in Oostzaan en Wormer behouden, terwijl de VVD in Zaanstad zakte van acht naar zes zetels. In 1990 daalde de VVD in Zaanstad naar vijf zetels, terwijl men in Oostzaan stabiel op twee zetels bleef.

Besluit

Globaal kan de geschiedenis van het liberalisme in de Zaanstreek in twee perioden worden verdeeld. Tot de Eerste Wereldoorlog had de stroming in de lokale politiek alle macht, nadien, soms frustrerende, onmacht. Slechts zelden had men na 1914 zitting in een college van B en W. Dat neemt niet weg dat de VVD en D66 trachtten zoveel mogelijk invloed uit te oefenen. De sterke positie van de SDAP en later de PvdA maakten het mogelijk de liberale partijen buiten de colleges te houden. D66 kreeg in 1990 haar eerste wethouderspost in Zaanstad. Vanaf 1985 zegt de PvdA in Zaanstad ook de VVD niet als coalitiepartner uit te sluiten. Of een dergelijke coalitie op den duur ook tot stand zal komen blijft de vraag.

Ger Jan Onrust

Literatuur:

  • FM. Galesloot, Partijformaties in een tanend liberaal bolwerk. De opmars van de confessionelen en socialisten in Zaandam in de periode 1880-1929. In: J.C.H. Blom, C.J. Misset e.a.. Broeders sluit u aan. Aspecten van de verzuiling in zeven Hollandse steden, Den Haag 1985;
  • van Putten, Politieke stromingen, Utrecht 1986;
  • J.J. 't Hoen, De Rode Zaanstreek, Zaandam 1978;
  • Semi-statische archieven Zaanstad;
  • Verkiezingsprotocollen Assendelft, Jisp, Koog aan de Zaan, Westzaan, Wormer, Wormerveer, Zaandam, Zaandijk, Zaanstad;
  • R. Koole, P. Lucardie, G. Voerman, 40 jaar vrij en verenigd, Houten 1988;
  • D66 Wegwijzer, Den Haag 1989;
  • D66 Zaanstad, Met beide benen… op schone grond…, Gemeenteprogramma 1990- 1994, Zaanstad 1990;
  • VVD Zaanstad, Kwaliteit in wonen en werken. Programma Zaanstad 1990-1994, Zaanstad 1990;
  • Verkiezingsprogramma`s 1986, `s-Gravenhage 1986.
  • liberalisme.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/03/04 22:27
  • door zaanlander