timmerfabrieken

Bedrijven, nauw verwant aan de meubelmakerijen en de molenmakerijen, rond de laatste eeuwwisseling in de Zaanstreek ontstaan. In de loop der tijd was er een tiental timmerfabrieken in de streek, veelal met een kleine bezetting. Begin jaren '90 waren daar nog enkele van over.

De eerste timmerfabrieken ontstonden aan het eind van de 19e eeuw. De invoering van stoom als energiebron was daar mede de oorzaak van. Met het beschikbaar komen van elektrische energie, rond 1920, breidde het mechanische timmerbedrijf zich uit. Daardoor kon beter op plaatselijke behoeften ingesprongen worden. Timmerfabrieken leveren deuren, ramen en kozijnen tot en met volledige betimmeringen van huizen. In de Zaanstreek was (door de molenmakerijen) in ruime mate voldoende geschoold personeel aanwezig. Daarnaast was er door de houtbouw relatief veel werk in de Zaanstreek. De timmerfabrieken kregen allengs meer het karakter van industriƫle ondernemingen. Waar eerst het grootste deel van de werkzaamheden nog met de hand werd gedaan, kwamen later vele soorten apparaten ter beschikking van de werknemers.

Aanvankelijk werd vooral in serie gewerkt, in de jaren '70 kwam er een ommekeer naar meer specifieke, eenmalige orders. De beide wereldoorlogen zorgden voor een beperking in de aanvoer van hout. Ook de crisisjaren betekenden voor de bedrijfstak een slechte tijd. Na de bevrijding kwamen de timmerfabrieken moeilijk op gang. Voor hout was een toewijzing nodig, waardoor bijvoorbeeld timmerfabriek K. Visser en Zonen in Zaandam de 'tijd vulde' met het maken van meubelen, zoals eiken tafels, stoelen en lectuurbakken. De jaren '50, '60 en '70 werden gekenmerkt door steeds groter wordende kozijnen, verregaande mechanisatie en later specialisatie. Daardoor en door en de blijvende noodzaak tot woningbouw ontwikkelde de bedrijfstak zich sterk: waren er in 1930 nog maar drie bedrijven met 169 mensen in dienst, in 1950 had dit zich uitgebreid tot elf bedrijven met 1028 personeelsleden.

De Zaanstreek kende in verhouding tot andere gebieden steeds een belangrijke concentratie van timmerfabrieken. Na 1950 werkte ongeveer 15% van het personeel van de Nederlandse timmerfabrieken in de Zaanstreek. De oliecrisis van de jaren '70 zorgde voor inkrimping van de bouw, en daarmee de ondergang van enkele fabrieken. De groeiende interesse in monumentenzorg en de zogenoemde historiserende bouw voorkwamen verdere teruggang. In de Zaanstreek waren in 1990 een tiental bedrijven die zich timmerfabriek kunnen noemen.

Literatuur: P.J. Middelhoven, Hout en Trouw, Zaandijk 1975.

  • timmerfabrieken.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/07/11 10:48
  • door jan