molenmakerij

Ambachtelijke bedrijfstak, waarin men zich bezig houdt met de bouw en inrichting van windmolens alsmede met de reparatie daarvan.

Over de Zaanse molenmakerij in het verleden is weinig bekend. Er is ook nauwelijks over gepubliceerd. Toch ligt de conclusie voor de hand dat er ettelijke bedrijven en een groot aantal vaklieden bij betrokken moeten zijn geweest. De grote concentratie van industriemolens in de Zaanstreek is immers vrijwel binnen honderd jaar in de 17e eeuw tot stand gekomen. Zo werden er tussen 1650 en 1700 gemiddeld zeven tot acht nieuwe molens per jaar gebouwd.

Daarbij dient te worden beseft dat alle onderdelen van het vaak ingewikkelde gaande werk, het molenmechaniek, met de hand vervaardigd werden. Dit vereiste een grote mate van vakmanschap en was bijzonder arbeidsintensief. Verondersteld mag worden dat bij de vroegere molenmakerswerven talrijke timmerlieden betrokken waren. Aan het eind van de 19e eeuw werden tenminste nog twaalf van die werven geteld, terwijl het aantal molens toen toch al sterk was teruggelopen.

De grootste, De Vries, Zaandam en Koog, werkte met meer dan honderd personeelsleden. In 1849 werden door Jacob Honig Jansz. Jr. vijftien molenmakerijen genoemd. In de 17e en 18e eeuw zal dit aantal zeker meer zijn geweest. Volgens G. Husslage in 'Windmolens' Amsterdam 1965 bestonden er in de Zaanse molenmakerij vele vakgeheimen, die alleen mondeling werden overgedragen. Ze betroffen bijvoorbeeld de ideale snelheidsverhouding van de verschillende overbrengingen, de schuinte van de maalplaten in de papiermolens en die van de slagbeitels in de oliemolens. Ook de stand van de bordzijde der roeden van de verschillende typen industriemolens was niet precies omschreven en berustte op in de loop van enkele eeuwen verkregen ervaring.

Het is in verband met de instandhouding van de nog maalvaardige molens in de Zaanstreek noodzakelijk dat het nog aanwezige vakmanschap niet verloren gaat en aan volgende generaties wordt doorgegeven. In de streek zijn tot grote tevredenheid van vele molenliefhebbers de specifieke Windmolenmakerij Saendijck en restaurator Bart Nieuwenhuijs Restauratiebedrijf gevestigd. Interessant is dat de vroegere Zaanse molenwerven vele molens buiten de streek, tot in het buitenland toe, hebben gebouwd. Sipke Lootsma vond hiervan in notarisprotocollen een aantal voorbeelden, die hier kort worden herhaald.

In den vreemde

Ongetwijfeld zijn er veel meer molens door Zaankanters in den vreemde gebouwd dan de hierna genoemde projecten.

1649: Jan Gerritsz en Jan Albertsz, beiden molenmakers te Zaandam, bouwden een oliemolen in Hamburg;

1657: Louris Lourisz en Teunis Joosten uit Zaandam, bouwden in 's Hertogenbosch een 'dubbele oliemolen', kopie van 'de Blauwe Arent, staande in de Moolenbuert tot Zaandam';

1657: Louris Lourissen (dezelfde als hierboven, eigenaar van een der grootste l7e-eeuwse molenmakerijen) bouwde een dubbele oliemolen in Workum, Friesland;

1662: Pieter Pietersz uit Oostzaandam bouwde in Groningen ('omtrent Bedum ofte ter plaatse dat sulcx aangewesen werden') twee achtkante watermolens;

1665: Jacob Abrahamsz, molenmaker 'tot Sanerdam' bouwde een wagenschotzager in Antwerpen;

1672: Gijsbert Martsze Baes contracteerde de bouw van een zaagmolen voor de hertog van Saksen-Gotha in Duitsland;

1686: Cornelis Jansz. Hoogeboom uit Zaandam bouwde in Carolina (Noord-Amerika) een zaagmolen;

1690: Cornelis Siericksz Baes, molenmaker, en Jan Reijndertsz, meester smid, beiden uit Zaandam, kwamen overeen een 'water-zaagmolen' te bouwen in Schansternij in Zweden;

1690: Jan Willemsz Bouwmeester, mr. molenmaker 'opte Koogh' bouwde een pelmolen in Harlingen;

1697: Adriaan Cornelisz Kam uit Westzaandam bouwde in Limmerick, Ierland, een door water gedreven oliemolen;

1726: Klaas Janse Note uit Zaandijk bouwde een papiermolen in Diegen (Brabant);

1726: Kornelis Barkhorn uit Zaandam bouwde een bovenkruiende houtzaagmolen in Middelburg.

Bekende molenmakerij

Een zeer bekende molenmakerij was die van de broers Vredenduin in Zaandijk. De geschiedenis van dit bedrijf werd door G. Husslage uitgezocht en reikte terug tot 1582. Een andere bekende zaak was de al genoemde van De Vries (twee werven). In de tweede helft van de 19e eeuw bezat Jan Gras eveneens twee werven. In Zaandam waren toen ook de molenmakerijen van Ulle en Jut gevestigd. In Wormerveer was Gebroeders Gorter een zeer bekende werf en in Koog Jan Otter. Kleinere werven waren die van Leguit in Krommenie, Jan Groot in Wormer, Jan Husslage in Jisp en Jan Havik in Westzaan.

Eind 19e eeuw gingen de molenmakerijen voor een deel over op fabrieksbouw. Zo was De Vries specialist in de bouw van zagerijen en pellerijen, terwijl Gebroeders Vredenduin en Gebroeders Gorter de eerste oliefabrieken bouwden. Vredenduin is onder leiding van P. Out nog tot omstreeks 1980 voortgezet als aannemingsbedrijf. Pieter Boorsma, molenkenner en publicist, was in zijn jonge jaren bij de molenmakerij betrokken. In De Zaende 1951 deed hij mededelingen over de molenmakerij De Vries.

Aan het eind van de 18e eeuw en in het eerste kwart van de 19e eeuw was Jacob Hoorn een der voornaamste molenmakersbazen in Westzaandam. Hij had twee werven. De ene op het einde van het Schiermonnikoog, de andere op het Breedweer in Koog. In 1824 verkocht hij deze werven aan zijn schoonzoon Simon Boorsma, een oudoom van Pieter Boorsma. Na diens overlijden kwam de zaak in handen van Pieter de Vries. De Vries had zeven zoons, die aanvankelijk allen in de molenmakerij meewerkten. Omdat zij zelf ook zoons hadden, waren er enige tijd niet minder dan 17 De Vriezen bij dit bedrijf betrokken. Zij gingen zich ook bezig houden met het bouw en van machinale stoomzagerijen, waarvan er 16 door hen werden gerealiseerd. Er waren toen 100 personeelsleden. Omstreeks 1890 was dit aantal teruggelopen tot ongeveer 20, waaronder Pieter Boorsma.

  • molenmakerij.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/07/26 09:25
  • door zaanlander