dienstensector

Alle productie-activiteiten buiten die van de primaire sector (landbouw, visserij en dergelijke) en de secundaire sector (mijnbouw, industrie, bouwnijverheid, enzovoort). Tot de dienstensector behoren de Handel, het vervoer, het Bankwezen, het Verzekeringswezen en allerlei andere zakelijke diensten, maar óók de Gezondheidszorg, het onders en de overheidsdienstverlening (zie: Overheidszorg). Ook in de Zaanstreek neemt het aandeel van de dienstensector in de werkgelegenheid toe. Algemeen: de dienstensector wordt gebruikelijk verdeeld in twee groepen, te weten: de tertiaire of commerciële dienstensector 1984 1974 Commerciële diensten 1.182 (127) 520 waarvan: Handel, horeca, reparatie 602 ( 92) 314 Transport en communicatie 125 ( 87) 67 Bank- en verzekeringswezen 119 (198) 40 Zakelijk diensten, enz. 336 (239) 99 Maatschappelijke diensten 584 (117) 269 waarvan: Medische diensten e.d. 142 (168) 53 Cultuur, sport, recreatie 34 (580) 5 Overheid 290 ( 86) 156 Overige diensten 118 (115) 55 Totale dienstensector 1.766 (124) 789 -de kwartaire of maatschappelijke dienstensector Uit de namen blijkt het verschil. De commerciele dienstensector produceert “voor de markt' , zodat het particuliere bedrijfsleven hier de boventoon voert; daarnaast zijn er ook (semi-)overheidsbedrijven die op commerciële basis diensten verlenen (Nederlandse Spoorwegen, energiebedrijven, Postbank en andere). In de maatschappelijke dienstensector worden door overheidsinstellingen en door haar gefinancierde of gesubsidieerde instellingen, publieke of collectieve diensten beschikbaar gesteld. Sommi ge diensten zijn gratis; voor andere betaalt men een bijdrage in de kosten. Naarmate de overheid (nationaal en regionaal) de produktie van publieke voorzieningen méér uitbesteedt aan ondememingen in de marktsector (privatisering) en de private sector zélf ook meer winstgevende voorzieningen gaat aanbieden, zal de kwartaire sector ten opzichte van de tertiaire sector in betekenis afnemen. De dienstensector is in de loop van de jaren steeds belangrijker geworden. De beroepsbevolking in Nederland is, evenals in andere hoogontwikkelde westerse landen, steeds minder werkzaam in de landbouw en industrie; de dienstensector is de grootste werkgever geworden. In de afgelopen eeuw à anderhalve eeuw is de agrarische beroepsbevolking gedaald van 45 % naar 5 %; het aantal werknemers in de industrie is eerst gestegen van 25 % naar 40 %, maar daalde sinds de jaren '70 naar minder dan 30 %, terwijl de dienstensector meer dan verdubbeld is: van 30 % naar ruim 65 %!. Ook in de Zaanstreek is het sectorpatroon sterk veranderd ten gunste van de dienstensector, zij het dat de industriële werkgelegenheid hier nog steeds van groot belang is: samen met de bouw bijna 45 %, tegenover 55 % voor de diensten (zie ook: Arbeidsplaatsen en bedrijfsgrootte en bedrijfsgrootte). De oorzaken van de enorme verschuiving zijn algemeen en gelden ook voor de Zaanstreek. De belangrijkste zijn met name enerzijds de mechanisering en automatisering in de landbouw en industrie en anderzijds de grote vraag naar diensten bij stijgende welvaart. Daarnaast heeft in Nederland - ook in de Zaanstreek - de zorg van de overheid voor achterblijvende groepen een rol gespeeld. De Zaanse dienstverlening De recente ontwikkeling van de dienstensector kan worden weergegeven met behulp van enkele gegevens over de waarde van de verleende diensten, in casu de toegevoegde waarde of het regionaal produkt (produktiewaarde minus verbruikswaarde). De financiële cijfers zijn vermeld in miljoenen guldens (de cijfers tussen haken zijn groeipercentages). Zie tabel. Uit deze globale cijfers blijkt dat de produktiegroei van de marktsector en die van de publieke sector over deze tien jaar weinig verschillen: 127 % en 117 %. Wél zijn er enkele grote groeiers, zoals het bank- en verzekeringswezen, de zakelijke dienstverlening (bijvoorbeeld de makelaardij in onroerend goed), de gezondheidszorg en vooral de cultuur- en recreatiegroep. Opvallend is dat de overheidsdienstverlening het minst gegroeid is, terwijl vaak het tegendeel wordt verondersteld. Overigens is het “Zaanse overheidsprodukt' met f 290 mln. in 1984 (16 % van het totale dienstenpakket) niet te verwaarlozen. Het is niet verwonderlijk dat de commerciële dienstensector veruit overheerst. Dat hangt zonder twijfel samen met het traditioneel industriële karakter van de Zaanstreek; daarbij past de aanwezigheid van een groot aantal groothandels- en transportbedrijven, bankfi lialen, assurantie- en administratiekantoren, reclamebureaus enzovoort. Te zamen produceren zij tweederde van het Zaanse dienstenpakket. Een groot deel hiervan kan als stuwende dienstensector worden aangemerkt, waarmee bedoeld wordt dat de activiteiten grotendeels gericht zijn op afnemers buiten de regio, in tegenstelling tot de bevolkingsvolgzame commerciële diensten. Volgens provinciale berekeningen van de Economisch-Technologische Dienst voor NoordHolland is circa 62 % van de arbeidsplaatsen in de commerciële dienstensector als stuwend te beschouwen; met name groothandel, zakelijke diensten, transport en 38 % als regionaal-verzorgende arbeidsplaatsen zoals winkels, horeca, reparatiebedrijven en dergelijke. De maatschappelijke dienstensector, met eenderde deel van de toegevoegde waarde is voornamelijk op de eigen bevolking georiënteerd en dus in hoofdzaak als verzorgend (83 % van de arbeidsplaatsen) en slechts in bescheiden mate als stuwend te beschouwen (17 %). Als oorzaken daarvoor wordt gewezen op het vrijwel ontbreken van provinciale en rijksdiensten in de Zaanstreek, vergeleken met andere regio's (bijvoorbeeld Haarlem), het ontbreken van intramurale gezondheidszorg die meer dan alleen de eigen streek verzorgt, en de afwezigheid van instellingen voor hoger beroepsonderwijs, die eveneens een stuwende functie kunnen hebben, ook in samenhang met de Zaanse industrie. Gezien de toenemende betekenis van de dienstensector voor de welvaart en de werkgelegenheid van de Zaanstreek, is het toekomstperspectief van de commerciële sector belangrijk. Dan moet worden geconstateerd dat de Zaanstreek, vergeleken met bijvoorbeeld de gemeente Amstelveen ten zuiden van Amsterdam en natuurlijk Amsterdam zelf, (nog) geen typisch 'kantorenklimaat' heeft. Daarnaast speelt wellicht ook de minder gunstige ligging ten opzichte van de Randstadcentra een rol (het Coentunnelimago), voor transportgevoeli ge bedrijven, zoals de groothandel, is de Zaanstreek geen aantrekkelijk vestigingsgebied. Al met al is het duidelijk dat een geschikt produktiemilieu (sociale- en verkeersinfrastructuur) nodig is voor verdere groei van de commerciële diensten (zie ook: Economische geschiedenis structuur). Wat dit geschikte vestigingsklimaat betreft moet men bedenken dat de dienstensector, en met name de commerciële sector, gekenmerkt wordt door kleinschaligheid, althans ten opzichte van de grootschalige industrie. Weliswaar neemt in sommige bedrijfstakken de bedrijfsgrootte wel toe als gevolg van fusies, intemationalisatie en andere schaalvergrotende effecten, maar in het algemeen is toch sprake van overwegend midden- en kleinbedrijf. De persoonlijke relatie tussen dienstverlener en klant speelt daarbij een belangrijke rol. Volgens gegevens voor 1987 (Databank van de Kamers van Koophandel en Fabrieken) waren er in de Zaanstreek slechts 10 groothandelsbedrijven met 50 of meer arbeidsplaatsen, tegenover meer dan 400 vestigingen met minder personeel. Voor de zakelijke diensten (inclusief transport, bank- en verzekeringswezen), telde men slechts 12 grotere vestigingen en bijna 900 kleinere met minder dan 50 arbeidsplaatsen. De overwegend kleinere ondernemingen hebben veelal een voorkeur voor vestiging in een kleiner kantorengebied of in een zogenaamd “kantorenverzamelgebouw', waarin zij herkenbaar blijven voor hun klanten. Ook grotere woonhuizen of kleine kantoren in de woonbebouwing zijn aantrekkelijk. In de Zaanstreek is een dergelijk vestigingsklimaat slechts in beperkte mate aanwezig, zowel in ruimtelijke zin (planologisch) als in politiek opzicht (erfpachtbeginsel, ofschoon dit nu niet meer consequent wordt gehanteerd). Het laat zich aanzien dat de gemeentelijke overheid (Zaanstad) op weg is naar een ander beleid, waarin - letterlijk en figuurlijk - meer ruimte wordt gegeven aan het bedrijfsleven. Voor de groei van de dienstensector kan dat van groot belang worden. Zie ook: Economische geschiedenis geschiedenis. drs. F .J . Noorbergen.

  • dienstensector.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/01/15 12:02
  • door toon