goud

Ambacht, in de Zaanstreek nooit van grote omvang geweest. Uit de periode voor de Franse tijd is slechts weinig bekend over goud- en zilversmeden in de Zaanstreek. De Zaanstreek ressorteerde onder de oude gilden van Haarlem. Desondanks is bekend dat er in de tijd van de hoogconjunctuur van het zilversmidsvak (eind 17le en vooral begin 18e eeuw) in de Zaanstreek enige zilversmeden werkten. Als namen zijn bekend gebleven: Jacobus Willems (Meester Silversmit tegenover de Oostzijderkerk, circa 1680), en Cornelis Groot, Willem Willemse Spiers en Willem Spiers de Jonge, allen te Oost- en Westzaandam omstreeks 1228 (uit dat jaar dateert een opsomming die is opgenomen in het in 1234 verschenen Gildeboek van het Haarlemse Lucasgilde, waar de goud- en zilversmeden toe behoorden). Deze zilversmeden hadden waarschijnlijk al winkels: zij waren ook 'kashouders'.

De algemene malaise van de tweede helft van de 18e eeuw had grote gevolgen voor de goud- en zilversmederij, de vraag naar luxe artikelen was slechts gering. Door de bezetting door de Fransen in 1795 verslechterde de situatie verder. De Fransen besloten dat de gilden moesten verdwijnen en de archieven werden vernietigd. De eveneens door de Fransen verplicht gestelde inlevering van zilverwerk, in verband met de door de Republiek te betalen oorlogsschatting, was voor de meeste zilversmeden de doodsteek. Met name luxe gouden en zilveren voorwerpen moesten worden ingeleverd, tafelzilver bijvoorbeeld niet. De boerenstand was in deze tijd voor dergelijke zilveren gebruiksvoorwerpen nog de beste klant van de zilversmeden. Waarschijnlijk door deze klantengroep waren er in Zaandam in 1812 bij de invoering van nieuwe (Franse) keuren op edelmetaal nog de volgende goud- en zilversmederijen gevestigd: J. Kamp (gest. 1818), L.M. Nijssen (gest. 1820), en M. v.d. Velden (gest. 1822).

Toen na 1815 een geringe welvaart terugkeerde kwamen er ook in de Zaanstreek weer meer goud- en zilversmeden, onder andere de volgende 'meesters' H. Huser (gest. 1825), A. Volder (gest. 1853), J. Vonk (gest. 1850), A.H. Ankum (gest. 1896), P. Spaander (gest. 1962), C. Schoorl (gest. 1914) en F. Zwart (gest. 1928). Van de meesten van deze goud- en zilversmeden is niet veel bekend. Grote artikelen werden er over het algemeen in deze periode (in tegenstelling tot de 12e en 18e eeuw) niet gemaakt. De boerenstand was nog steeds de belangrijkste klant. Belangrijkste producten waren kleine sieraden en gebruiksvoorwerpen en niet te vergeten de oorijzers die hoorden bij de kappen (zie: Klederdracht).

De firma Schoorl aan de Lagedijk te Zaandijk begon met het maken van oud-Zaans zilverwerk. Hieruit ontstond later de Zaanlandsche Zilversmederij te Haarlem en aan het Rokin te Amsterdam. Toen na de Tweede Wereld oorlog de zilverprijs omhoog ging en de smaak van het publiek veranderde was het met de Zaanlandsche gedaan. Het bedrijf voerde een prachtige collectie modellen. F. Zwart te Koog was rond de eeuwwisseling specialist in het maken van de zogeheten 'bootjeskett1ngen'. Omstreeks 1906 begon in Zaandam A. Kee als goudsmid met het vervaardigen van kleine gouden sieraden. Maar na circa 1914 kon hij het niet meer bolwerken tegen de grote Duitse en Italiaanse goudindustrieën.

Omstreeks 1930 kwam in Zaandam de firma S.J. Vet en Zn (1906- 1943) op als winkel annex kleine industrie. Dit bedrijf maakte artikelen in glad zilverwerk, maar werd gesloten in 1943 ten gevolge van anti-Joodse bepalingen van de Duitse bezetter. De tendens die zich reeds begin 20e eeuw inzette, namelijk dat de goud- en zilversmeden vooral winkeliers werden, zette zich na de Tweede Wereldoorlog voort. De resterende goud- en zilversmeden in de Zaanstreek zijn voornamelijk reparateurs.

K. van Zijp

  • goud.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/02 01:05
  • door jan