De Hoopbrug en de gasfabriek aan de Westzijde in 1925, gezien vanaf het fabriekspand van de mengvoederfabriek van Zwaardemaker. Bron Gemeentearchief Zaanstad

Voormalige loopbrug, oorspronkelijk de Jacob de Hoopbrug, ook bekend als de Magere Brug, Loopbrug of Brug der Zuchten over de Zaan te Zaandam, ongeveer driehonderd meter zuidelijk van de tegenwoordige Prins Bernhardbrug. Het ontwerp was afkomstig van architect J. van der Koogh, gemeentearchitect in dienst van de gemeente Zaandam.

De Hoopbrug werd in 1882 geopend en was een tolbrug. Wie de twee meter brede en 150 meter lange brug wilde passeren moest tol betalen. De tolgelden werden dankzij het Fonds de Hoop, geïnitieerd door Jacob de Hoop, grotendeels ter beschikking gesteld aan de minder bedeelden in Zaandam.

Voor voetgangers kon de brug een behoorlijke tijdsbesparing opleveren. Het was fietsers niet toegestaan zich rijdend over de brug te begeven. Wie dat wel deed en gesnapt werd door agenten van het nabijgelegen politie-posthuis in de Westzijde mocht op een fikse boete rekenen.

Voor de scheepvaart was de brug een heuse sta-in-de-weg. Hij lag midden in een bocht en had een doorvaartwijdte van slechts 9,5 meter. Reeds in 1934 werd besloten de toen al bouwvallige Hoopbrug te slopen. Het zou tot 1941 duren voor de Bernhardbrug, door de bezetter Troelstrabrug genoemd, kon worden geopend en de Hoopbrug kon worden gesloopt. Zowel aan de Oostzijde ter hoogte van café Zaanzicht als aan de Westzijde zijn de oude opritten naar de brug nog herkenbaar.

De sloop van de 60 jaar oude Hoopbrug leidde tot grote opluchting bij het scheepvaartverkeer maar veroorzaakte ook een tikje weemoed bij de gebruikers ervan. Het Algemeen Handelsblad van 18 juli 1941 blikte weemoedig terug in een sfeerverslag rond de Zaandamse Brug der Zuchten:

Zaandams Brug der Zuchten gaat verdwijnen

Als kapiteins van de grote vaart bij het passeren van de Jacob de Hoopbrug zich op eigen brug omdraaien en zich met snelle hartkloppingen tegelijkertijd afvragen hoe het die mannen van de loodsdienst zal gelukken hun schuit behouden door die smalle doorvaart te brengen, als het publiek dagelijks onophoudelijk met tussenpozen van enige minuten, in meer of mindere mate hevig scheldend en mopperend, voor de neergelaten afsluitbomen staat, als een bakkerskar en een doodgewone kinderwagen elkaar op de meer dan 150 meter lange, doch slechts enkele meters brede brug nauwelijks kunnen voorbijrijden, ja, dan bevinden wij ons op de Magere Brug over de Zaan, die met recht de Zaandamse Brug der Zuchten genoemd wordt.

Die benaming dateert niet uit het jaar, dat de eerste zeekastelen de Zaan opvoeren om hun kostbare ladingen uit de meest verschillende landen in Zaandam, Koog aan de Zaan en Wormerveer te lossen, of dat wij voor het eerst met het moderne snelverkeer te maken kregen. Reeds onze voorvaderen, die de, voor ons twijfelachtige, eer genoten de ingebruikneming van de Magere Brug bij te wonen, hebben menige zucht geslaakt, wanneer zij op de toen ook al talrijke winderige dagen midden op de brug hun dierbare hoofddeksels plotseling in de Zaan zagen waaien. Vooral in het beroemde 'strohoeden-tijdvak', moet het aantal wandelaars, dat ter hoogte van het bedieningshuisje eensklaps door een rukwind werd verrast, en hun strooien dak aan het donkere Zaanwater toevertrouwden, legio geweest zijn. Er is destijds niemand geweest, die zich de moeite, want dat was het ongetwijfeld, eens heeft getroost om het aantal afgewaaide hoeden en petten ook maar bij benadering te tellen. Zelfs niet het ook in het Zaandamse stadsbeeld van toen bekende slag mensen, dat een groot gedeelte van de dag met hun armen over de leuning in het water staat te turen. Wanneer het Zaankanters waren, zeiden ze alleen maar: „Kaik, weer ientje…“ En zij verkneukelden zich.

In de winter bij flinke vorst had de brug andere nukken. De ondereinden van de kleppen steken bij geopende stand in het water. Wanneer de brug dan een keer open was geweest en een half uur of een uurtje later wederom schepen moesten passeren, dan was er geen verwikken of verwegen aan. De brugkleppen waren dan vastgevroren aan de vaste brugdelen. En dan zuchtten de brugwachters met het publiek, dat zich zijn kortste weg van noord-oostelijk naar noord-westelijk Zaandam plotseling zag afgesneden.

Voor één categorie mensen was de Magere Brug een welkome afleiding, ja zelfs een attractie: voor de mannen van de gemeentelijke havendienst, die al hun kennen en kunnen van hun bijzondere vak hier konden uitleven. Maar dan ook alleen voor hen. Dat zat zo. De doorvaartbreedte van de brug bedraagt 9.80 meter. En het gebeurde niet zelden, dat er zeeschepen doorheen moesten, die een breedte hadden van 9.30 of 9.40 meter. Hierdoor bleef aan beide zijden dus een ruimte van ongeveer twintig centimeter over. Het was dan de taak van de haven- en loodsdienst, die het commando reeds aan het begin van de Zaan van de respectieve kapiteins had overgenomen, de schepen behouden door deze spleet op de plaats van bestemming te brengen. Daar kwam bovendien nog bij, dat de brug precies in een bocht ligt en dat zodoende rekening moest worden gehouden met de betrekkelijk smalle en ondiepe vaargeul, zodat het personeel van de loodsdienst bij al het gemanoeuvreer hier, zich danig in zijn element voelde.

De kapiteins van die grote schepen keken liever de andere kant uit; zij hielden hun hart vast. Niet omdat ze bang waren voor averij aan hun schip, och, dat zou wel meevallen, maar de houten Magere Brug was niet tegen een aanvaring bestand. En brokken wilden de zeehelden liever niet zien. Zo bang was men zelfs, dat de gehele brug het door een, aanvaring zou begeven, dat men haar een tijdlang, wanneer er een zeeschip moest passeren, over haar volle lengte voor het publiek afzette. Aan de handigheid van de loodsdienst is het te danken, of moet men zeggen: te wijten, dat dit karkas niet een vroegtijdige dood is gestorven. Tweemaal in haar leven werd ze slechts aangevaren en toen kon ze voor een bedrag van ongeveer veertig gulden nog worden opgelapt ook.

Er zijn, behalve bij de loodsdienst, nog meer handige mensen geweest. Dat was in de tijd toen men niet alleen voor de brug mocht zuchten, maar nog betalen ook: toen zich op de Magere Brug een tol bevond. Voor de twee centen tolgeld kon men in die dagen een beste sigaar kopen. En waarom zou men zijn lieve geld niet in rook laten vervliegen in plaats van nog zuchtgeld te betalen? De handige lui maakten van de omstandigheden gebruik. Tussen elf uur des avonds en vijf uur 's morgens deden de brugwachters geen dienst. In die tijd was de overtocht dus tolvrij. Wanneer de mensen om half zes 's ochtends op hun werk aan de overzijde van de Zaan moesten zijn, gingen ze om kwart voor vijven van huis om te zorgen, dat ze over de brug waren, voordat de brugwachter op zijn post was. Zo stonden ze 's avonds om kwart voor elven ook te wachten tot de wachter zijn biezen gepakt had.

Nóg wordt er door publiek, brugwachters en schippers vóór en óp de Magere Brug, die officieel Hoopbrug heet, gezucht, maar weldra zal de brug zelf zuchten. Zij zal slechts één zucht geven, die haar, hoe heerlijk is het om dat te zeggen, de das zal omdoen. Zij wordt gesloopt. Een eind verder in de Zaan is een nieuwe brug verrezen. Een stuk ingenieurswerk, dat aan de eisen van het verkeer in deze omgeving ruimschoots kan voldoen. Toch zal het Zaandamse stadsbeeld dan een merkwaardigheid armer zijn. Want een merkwaardigheid was die Magere Brug zeker.

  • hoopbrug.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/06/01 14:27
  • door zaanlander