Zaan

Belangrijkste waterloop in de Zaanstreek, waar het gebied zijn naam aan dankt. Naar de meest aangenomen theorie ontstaan als veenstroom, een natuurlijke afwateringsstroom voor de naastgelegen veengebieden, in de loop der eeuwen geëvolueerd tot afwateringskanaal en belangrijke scheepvaartweg voor een groot deel van Noord-Holland. Waterstaatkundig wordt als de Zaan beschouwd: de ruim 10 kilometer lange waterloop tussen de dorpen Oost- en Westknollendam in het noorden en de Dam in Zaandam in het zuiden. Historisch wordt ook de Voorzaan, ten zuiden van de Dam tot de vroegere monding in het IJ, tegenwoordig door Zijkanaal G met het Noordzeekanaal verbonden, tot de Zaan gerekend.

Vermeldenswaard is de theorie van mr. Dirk Vis inzake het zogenoemde Oer-IJ. Vis concludeerde dat het IJ oorspronkelijk deel uitmaakte van een estuarium waartoe ook de Zaan behoorde1). De aanwezigheid van de Zaan heeft de ontwikkeling van de Zaanstreek belangrijk beïnvloed. Het water speelde een aanzienlijke rol bij de vorming van het Zaanse Landschap. Toen de Zaanstreek min of meer permanent bewoond ging worden werd het water allereerst belangrijk in de Waterstaat. Om de invloed weer te geven die de Zaan had op de ontwikkeling van de Zaanse economie wordt zij wel 'de levensader van de Zaanstreek' genoemd. Voorts had de rivier betekenis voor het sociale en culturele leven in de Zaanstreek.

Ontstaan

De eerste geschiedschrijver die zich in de 17e eeuw bezighield met het ontstaan van de Zaan was Hendrik Soeteboom. Hij zag de Zaan, en werd daarin nadien door velen gevolgd, als een oorspronkelijke aftakking van de Rijn bij Leiderdorp, die bij de onderbreking van de duinenrij bij Petten in de zee zou zijn gestroomd. Als bewijs voor zijn Rijntak-theorie verwees hij naar de naam Zanegeest voor een gehucht of buurtschap in de nabijheid van Bergen.

De naam van de Zaan is nooit met zekerheid verklaard. Zaan zou een verbastering zijn van zand, een ter plaatse veel gegeten roomgerecht, een oud-Hollands woord met de betekenis vlug, op z'n Engels: soon, of een oud-Friese naam voor een waterverbinding tussen twee meren. Geen van deze theorieën is met zekerheid te verwerpen, noch aan te nemen. De laatste sluit echter aan bij de meer moderne ideeën over het ontstaan van de Zaan, die Soeteboom's Rijntak-theorie naar de achtergrond hebben geschoven.

Volgens de huidige geologische inzichten ontstond de Zaan als een veenstroom, die het overtollige regenwater uit de Zaanstreek afvoerde. Rond het begin van onze jaartelling was de Zaanstreek een uitgestrekt hoogveengebied, aan de zuidzijde begrensd door het IJ en aan de noordzijde door de Schermer. Tussen IJ en Schermer, die beide in open verbinding met de zee stonden, vormde de Zaan een waterverbinding. De eb- en vloedwerking hield de geul op diepte.

Waterstaat

De vroege bewoners van de Zaanstreek ontgonnen zowel aan de oost- als aan de westzijde van de Zaan het hoogveen, voornamelijk door het te ontwateren. Een direct gevolg hiervan was dat door klink en oxydatie van het veen het maaiveld, de bovenkant van het veen, steeds lager kwam te liggen. Aangezien de zeespiegel tegelijkertijd rees, werd het noodzakelijk de landerijen met behulp van een dijk tegen overstroming door het zeewater te beschermen. De dijken langs de Zaan, oorspronkelijk lage zomerkaden, werden waarschijnlijk in de 11e eeuw aangelegd, als onderdeel van de omdijking van het gebied rond Westzaan, Krommenie en Assendelft aan de westzijde, en van Oostzaan en Waterland aan de oostzijde van de Zaan. Van de tweemaal daags optredende lage eb-waterstand werd geprofiteerd door via kleine sluizen het overtollige water van de polders op de Zaan uit te slaan. De steeds doorgaande zeespiegelrijzing maakte het noodzakelijk de kaden regelmatig op te hogen. Aangezien dit een moeilijke en kostbare aangelegenheid was, zocht men naar een methode om de lengte van de zeewater-kerende dijken te verminderen.

Het uiteindelijke resultaat hiervan was dat de Zaan van het buitenwater werd afgesloten door twee dammen, de Noord- of Knollendam in het noorden en de Voor-, Zaan- of Hogedam in het zuiden. Sommige historici maken melding van de Wormerdam als voorganger van deze twee dammen. Deze dam wordt hier echter, omdat er geen zekerheden over bestaan, buiten beschouwing gelaten. De afsluiting van de Zaan door twee dammen, de Hogedam, die aan het einde van de 13e eeuw werd aangelegd wordt beschouwd als de eerste dam in het Waterlandse gebied, verhoogde in eerste instantie de veiligheid, maar had daarnaast ook andere gevolgen. Door het wegvallen van de getijdestroming werd de Zaan niet langer natuurlijk op diepte gehouden. Het dichtslibben van de Zaan is tot op heden een probleem gebleven.

Bovendien werd de Zaanstreek toen de Zaan was afgedamd waterstaatkundig een autonoom gebied, hetgeen het tot in de 16e eeuw zou blijven. Om de waterstand op de Zaan te regelen werden in beide dammen uitwateringssluizen gebouwd, die in de loop der jaren een aantal malen werden vernieuwd en aangepast, waarbij zij ook geschikt werden gemaakt voor het schutten van de, nog kleine binnenvaartschepen, als eerste de Wormer Sluis in de Hogedam. De periode van waterstaatkundige zelfstandigheid van de Zaanstreek duurde voort tot 1544.

Schermerboezem

In dat jaar werd door Karel V het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland opgericht, welke instantie tot taak had er voor te zorgen dat de binnenwateren van Noord-Holland afgesloten werden van de zee, waardoor de Schermerboezem zou ontstaan. In verband daarmee werd bepaald dat de deuren van de sluis in de Knollendam, die er voor zorgden dat er geen water vanuit het noorden de Zaan op kon stromen, verwijderd moesten worden, opdat de Zaan als afwateringskanaal van de Schermerboezem dienst zou kunnen doen.

Begrijpelijkerwijs was de bevolking van de Zaanstreek niet erg gelukkig met deze maatregelen, omdat zij daarmee ten gunste van het Hoogheemraadschap een groot gedeelte van de zeggenschap over de Zaan verloor. Eeuwenlang is verschil van mening blijven bestaan tussen het bestuur van het Hoogheemraadschap en de besturen van de dorpen langs de Zaan over de vraag wie toestemming mocht geven voor het dempen van stukken Zaan, het bouwen van steigers of het maken van balkenhavens. De Zaandorpen stelden zich op het standpunt dat dat om economische redenen zo min mogelijk verhinderd moest worden. Het bestuur van het Hoogheemraadschap was hier fel tegen omdat het maken van dergelijke werken de afvoer van het boezemwater kon belemmeren.

Diverse malen is over deze zaak tussen de beide partijen gecorrespondeerd totdat uiteindelijk, op 2 juni 1831, door het provinciaal bestuur een uitspraak gedaan werd. Bevestigd werd dat het Hoogheemraadschap gerechtigd was het maken van werken in de Zaan te verbieden, waarbij de kanttekening werd geplaatst dat bestaande werken niet zonder het toekennen van een schadevergoeding verwijderd mochten worden.

Praktisch gevolg van de opname van de Zaan in de Schermerboezem was het optreden van hogere waterstanden op de Zaan. In de eerste helft van de 17e eeuw verslechterde dit toen de grote meren van Noord-Holland werden drooggemaakt: het afwaterende land werd vergroot en het boezemwater verkleind. De lage kaden langs de Zaan waren maar ternauwernood in staat het hoge water te keren, met een overstroming moest terdege rekening worden gehouden. Dit leidde tot een aantal omdijkingen o.a. van de Kalverpolder. De Binnenzaan kreeg in deze periode haar huidige loop en gedaante.

De besturen van de Zaandorpen zijn in verband met de hogere waterstand altijd de grootste voorvechters voor het instellen van een maalstop voor de Schermerboezem geweest, waar men echter tot het begin van de 19e eeuw op heeft moeten wachten. De functie van de Zaan als afvoerkanaal van de Schermerboezem, en daarmee de zorg voor de instandhouding van het water, is in 1966 belangrijk uitgebreid, toen te Zaandam een groot boezemgemaal met een capaciteit van 2 miljoen kubieke meter water per etmaal, is gebouwd; het Zaangemaal.

Economie

De Zaan is één van de belangrijke factoren geweest die de grote bloeiperiode van de Zaanse economie, die zich eind 16e, begin 17e eeuw inzette, mogelijk hebben gemaakt. Maar ook voordien had de rivier al een wezenlijke economische functie. In de late Middeleeuwen boden de Zaan en de omliggende meren een gunstige gelegenheid voor de Visserij. De visvangst leidde tot Scheepvaart. De schippers van Wormer en Jisp, welke dorpen reeds vroeg enige welvaart kenden, voeren in de 14e en 15e eeuw via de Zaan, de Voorzaan en het IJ met hun waren naar Amsterdam. Het was geen toeval dat de eerste schutsluis in de Hogedam, de Wormer Sluis, werd bekostigd door de dorpen Wormer, Jisp en Neck, die er het meeste belang bij hadden.

In de Spaanse tijd had de rivier een belangrijke strategisch/economische betekenis. De roofeconomie van de vrijbuiters was zonder de aanwezigheid van de Zaan en het waterrijke veld niet mogelijk geweest. Het is mede daarom dat Sonoy zich grote inspanningen getroostte om de Kalverschans te behouden. Het bezit van de schans betekende de controle van de Zaan, de basis van de economische oorlogsvoering. Na het verdrijven van de Spanjaarden zette de grote ontwikkeling van de Zaanse economie zich in. De Zaan vervulde daarbij letterlijk de functie van levensader.

Ontstaan, ontwikkeling en het bestaan van de Zaanse molenindustrie waren nauw afhankelijk van twee geografische factoren. Het vlakke open land en het gunstige waterverkeersnet, de Zaan en het slotenstelsel in het veld. Een van de belangrijkste vestigingsfactoren voor het merendeel van de 17e- en 18e-eeuwse industrieën was de gunstige ligging aan een belangrijke waterweg, in verband met de aanvoer van de grondstoffen en de afvoer van de eindproducten.

Honderden molens stonden aan de Zaan, honderden in het veld, altijd aan een met de Zaan verbonden sloot. Niet alleen in vestigingsopzicht, maar ook historisch is de molennijverheid met de Zaan verbonden. De komst van de eerste houtzaagmolen het Juffertje naar Oostzaandam wordt algemeen beschouwd als eerste belangrijke stoot tot de ontwikkeling van de Zaanse economie. Volgens de overlevering werd de molen over de Zaan van Uitgeest naar Zaandam vervoerd.

Walvisvaart

Ook andere economische sectoren hadden binding met de Zaan. De Oostzeehandel concentreerde zich vooral in de dorpen die direct met de Zuiderzee waren verbonden, aanvankelijk in Oostzaan en Westzaan, later in Zaandam rond de Voorzaan. Tussen 1581 en 1700 voeren bijna 5000 Zaanse schepen in oostelijke richting de Sont door. Ook de walvisvaart concentreerde zich rond de Voorzaan. Tussen 1700 en 1800 vertrok niet minder dan 4004 maal een walvisvaarder naar noordelijke wateren.

De Zaanse beurtvaart en ventjagerij, die in het industrie- en handelsgebied een enorme omvang aannamen, waren grotendeels op Amsterdam, met zijn belangrijke stapelmarkt, gericht. Vanuit alle Zaanse dorpen voeren schepen op de hoofdstad. Door het zo omvangrijke beurtvaartverkeer werd zowel de Binnen- als Voorzaan in de 17e en 18e eeuw zeer druk bevaren. Het overzeese beurtvaartverkeer concentreerde zich grotendeels in Zaandam.

Bijzonder belangrijk was de aanwezigheid van de Zaan voor de Zaanse Scheepsbouw, die vooral in Zaandam was gevestigd. Oorspronkelijk zetelde deze vooral aan de Binnenzaan, maar toen de zeeschepen steeds groter werden, te groot voor de sluis in de Hogedam, verplaatste deze zich naar de Voorzaan, nadat aanvankelijk de aan de Binnenzaan gebouwde zeeschepen over een Overtoom, aangelegd in 1608, gesloopt in 1718, over de Zaandam werden 'gewonden'.

Het precieze aantal werven dat aan de Zaan was gevestigd is niet bekend, schattingen variëren van 25 tot 60. De economische bedrijvigheid van de 17e en 18e eeuw concentreerde zich ten zuiden van de Hogedam. Het centrum was de havenkom achter de Hogendijk, het Dam- of Timmerrak. Een natuurlijke voortzetting van de havenkom werd gevormd door het Kerkerak, terwijl het zuidelijke deel van de Voorzaan, beschermd door de landtong De Hem, de schepen een veilige rede om te ankeren bood. Het meest zuidelijke deel van de Voorzaan was de Hollesloot.

Het enige onderhoudswerk dat men regelmatig in de Zaandammer haven uitvoerde was het uitbaggeren. Door verschillende oorzaken gingen aan het eind van de 18e eeuw de Zaanse handel en nijverheid grotendeels verloren, ofschoon de economisch-geografische factoren, zoals de aanwezigheid van de Zaan, bleven bestaan. 'Een aanwijzing dus, dat de economisch-geografische factoren niet als oorzaken van de 17e- en 18e-eeuwse Zaanse economische bloei kunnen worden beschouwd, maar slechts als voorwaarden, als basis moeten worden aangemerkt.' aldus Aris van Braam. De afsluiting van de Zaan door de dammen, en dan met name door de Hogedam in de Voorzaan, heeft er voor gezorgd dat tot het begin van de 20e eeuw de rivier slechts voor relatief kleine schepen bevaarbaar was.

Wormer Sluis

Reeds vroeg werd er in de Hogedam een schutsluis gebouwd met de naam de Wormer Sluis. In 1547 werd de eerste stenen schutsluis gebouwd, voornamelijk om de aanvoer van stenen en hout voor het onderhoud van de Hondsbossche Zeewering bij Petten te vergemakkelijken. De zeewering was enkele decennia eerder tot stand gekomen. Deze Hondsbossche sluis werd in 1722 vervangen door de Grote Sluis, nog aanwezig ten westen van de Wilhelminasluis, met een lengte van 27,4 meter, een breedte van 5 meter en een diepte van 2,2 meter.

Behalve de geringe afmetingen van de Grote Sluis, was ook de vaste brug eroverheen een belemmering voor veel schepen. Niet alleen de dam, maar ook het dichtslibben van de Voorzaan en tegelijkertijd het groter worden van de schepen, maakte de Zaanstreek vooral vanaf het einde van de 18e eeuw alleen voor kleinere schepen bereikbaar. Reeds in 1797 maakte de vooraanstaande Zaanse koopman Adriaan Rogge zich sterk voor werkzaamheden, die de Zaanstreek weer beter per schip bereikbaar moesten maken. Hij pleitte voor de bouw van een ophaalbrug over de Grote Sluis, en een uitdieping van de Zaan. Aan het begin van de 19e eeuw was het de Zaandamse predikant Blaupot ten Cate die soortgelijke plannen opperde. Hun acties hadden echter weinig succes.

Tussen 1818 en 1824 werd het Groot Noordhollands Kanaal gegraven dat het door de zandplaat Pampus slecht bereikbaar geworden Amsterdam, een goede verbinding met de Noordzee gaf. Aanvankelijk was de bedoeling van de opstellers van het Kanaalplan dat de Zaan een onderdeel van deze waterverbinding van Amsterdam met Nieuwediep werd, omdat dat voor de Zaanse industrie een gemakkelijker aanvoer van grondstoffen en afvoer van eindproducten zou betekenen.

Om twee redenen is het echter niet zover gekomen. In de eerste plaats vormden de onregelmatige en bebouwde Zaanoevers een probleem. Het zou bij windstil weer onmogelijk zijn de schepen langs jaagpaden voort te trekken. Mogelijk was ook de afwijzende houding van de Zaanse bestuurders van invloed. Gevreesd werd dat de voortdurende aanwezigheid van vreemd scheepsvolk een gevaar zou opleveren voor het zedelijk welzijn van de Zaanse jeugd.

Kogerpolderkanaal

Een particulier initiatief van Wormerveerse zakenlieden zorgde er voor dat het noorden van de Zaanstreek toch nog gunstig effect van het Noordhollands Kanaal ondervond. Zij verenigden zich in de Kanaal- en Zaanverbindingsmaatschappij, die er voor zorgde dat in 1849 het nieuw gegraven Kogerpolderkanaal het Noordhollands Kanaal met de Zaan verbond. In 1850 losten via dit kanaal reeds 34 schepen in totaal 4061 ton, in 1858 124 schepen 17.636 ton. Verbeterde de bereikbaarheid over water van het noorden van de Zaanstreek aanzienlijk door het Kogerpolderkanaal, voor het zuiden had het dralende beleid van de gemeentebesturen dramatische gevolgen.

In 1853 stelde de Kamer van Koophandel een brief op aan de Zaanse gemeenteraden waarin werd gewezen op de noodzaak van het uitdiepen van de Zaan en het bouwen van een zeesluis, kosten fl. 500.000. De gemeenteraden benoemden een commissie uit hun midden, maar handelden verder niet. In 1875 beschreef een door de Kamer van Koophandel benoemde commissie de toestand van de Binnenzaan. In de conclusie van het rapport werd gesteld dat in het belang van handel en nijverheid onverwijld de nodige stappen moeten worden ondernomen om tot algehele verbetering van het vaarwater te komen, teneinde daardoor de Zaanse handel voor algehele ondergang te bewaren.

De toestand op de Voorzaan, het havengebied van de Zaanstreek, was weinig beter. In 1862 werden er nog 271 schepen ingeklaard, in 1880 was dat aantal gedaald tot 12. Inmiddels had in 1876 de feestelijke opening van het Noordzeekanaal plaatsgevonden. Een gunstig effect hiervan voor de Zaanstreek liet echter op zich wachten, omdat Rijk, provincie en gemeente Zaandam in een conflict verzeild raakten over het eigendom van de Zaan.

Wel werd in 1879 Zijkanaal G gegraven, maar aansluiting op de Voorzaan bleef uit. De Kamer van Koophandel schreef in 1881 in een brief aan de Tweede Kamer: 'De gehele Zaanstreek ziet verlangend uit naar een betere verbinding met het Noordzeekanaal. Iedere dag vertraging doet haar onberekenbare schade.' Zonder dat het geschil over het eigendom van de Zaan werd opgelost, nadien heeft het Rijk echter Zaanwater met ondergrond van de gemeente Zaandam gekocht, kwamen er toch subsidies van Rijk en provincie en kon in 1883 een begin worden gemaakt met de verbetering van de haven van Zaandam. In 1885 werden de werken, verdieping van Zijkanaal G en de haven en het graven van een verbindingskanaal tussen Zijkanaal G en de Zaansluizen, voltooid. Het aantal bezoekende schepen nam daarna snel toe, tot reeds 202 in 1888. Zie voorts: Havens.

Bereikbaarheid problematisch

De bereikbaarheid en bevaarbaarheid van de Binnenzaan bleven problematisch. Na het voltooien van de verbetering van de situatie ten zuiden van de Dam begonnen de gezamenlijke Zaangemeenten onderhandelingen over de verbetering of vernieuwing van het sluizencomplex in de Dam. Het zou tot 1901 duren voor met de bouw van de Wilhelminasluis begonnen kon worden. In 1903 was deze volledig nieuwe sluis gereed. De Wilhelminasluis kreeg toen een schutkolklengte van 120 meter, een doorvaartwijdte van 12 meter en een drempeldiepte van 3.5 meter. In de kosten van de Wilhelminasluis heeft het Rijk een derde gedeelte bijgedragen, de provincie eveneens een derde en de rest is gefinancierd door de gemeenten Zaandam, Koog, Zaandijk en Wormerveer. In 1905 heeft het Hoogheemraadschap de sluis van de Zaangemeenten overgenomen, in verband met het belang van de sluis voor de afwatering van de Schermerboezem.

De sluisbouw was na jarenlange onderhandelingen en werkzaamheden nu ook tot een goed einde gekomen. Het bevaarbaar maken van de Binnenzaan liet nog op zich wachten. De verschillende Zaandorpen konden het bijzonder moeilijk eens worden over een gemeenschappelijke regeling. Pas in 1914 werd het werk uitgevoerd. Maar ondanks het uitbaggeren van de Binnenzaan zou het nog lang duren voor de Zaan onder de primaire vaarwegen van ons land gerangschikt kon worden. De Hoopbrug, ongunstig in een bocht gelegen en met een doorvaartwijdte van slechts 9,5 meter, maakte dat de grootste toelaatbare tonnenmaat op de Binnenzaan slechts ongeveer 800 ton bedroeg. Pas na het gereedkomen van de Prins Bernhardbrug kon deze flessenhals voor het scheepvaartverkeer worden gesloopt.

Tot op heden is de Zaan voor de binnenscheepvaart van groot belang gebleven, hetgeen mede blijkt uit het feit dat de Zaan in het door het Rijk opgestelde structuurschema Vaarwegen aangemerkt werd als onderdeel van het landelijke hoofdvaarwegennet. In de tweede helft van de jaren tachtig van de 20e eeuw werd besloten de norm voor hoofdvaarwegen op te schroeven tot 500 ton, waardoor de Zaan buiten de boot viel. Het dichtslibben van de Zaan is een blijvend voorkomend probleem, nu en dan vinden er baggerwerkzaamheden plaats.

Sociale en culturele aspecten

In economisch opzicht was de Zaan een bindende factor tussen de verschillende Zaandorpen, in andere opzichten had het water juist een scheidende werking. Over land was na het verdwijnen van de Knollendam de Hogedam de enige verbinding tussen Oost en West. Daarom ontstonden op verscheidene plaatsen Overzetveren. Voor arbeiders die iedere dag de Zaan over moesten waren de kosten van het overzetten ten opzichte van hun verdiensten echter te hoog en daarom gingen de talrijke molen- en later fabriekseigenaren over tot aanschaf van eigen roeiboten die aan het personeel beschikbaar werden gesteld.

Door de gehele Zaanstreek waren aan de Zaanoevers zogenoemde kaaien waar deze roeibootjes werden afgemeerd. In de loop van de 19e en 20e eeuw begon het wegverkeer het waterverkeer in belang te overvleugelen. Op sommige plaatsen werden de roeibootjes van de overzetveren vervangen door schouwen, zoals het Molletjesveer of door stoompontjes als het Ruyterveer, maar vaker werden de veerdiensten vervangen door Bruggen.

De eerste werden gebouwd door particulieren of particuliere instellingen, de Hoopbrug in 1883, de Zaanbrug in 1888 en de Noorderbrug in 1902. Dat waren tolbruggen. De latere bruggen, als eerste de Julianabrug in 1936, werden door de overheid aangelegd. In de vrijetijdsbesteding van de vooral rijkere Zaankanters speelde de Zaan een belangrijke rol. De woningen van de kooplieden lagen over het algemeen aan de Zaan. Achter de woningen lagen de zogenoemde walstoepen. Hier lagen hun roeischuiten, tentjachtjes, of boeiers. Het gedeelte van de woning aan de Zaan werd luchthuis of Zaankamer genoemd, van waaruit men een prachtig uitzicht over de Zaan had en waar meestal visite werd ontvangen. Ook het ijsvermaak speelde zich deels op de Zaan af. De Zaan was voorts een inspiratiebron voor amateur- en professionele schilders als Claude Monet en voor vooral amateur-dichters.

W.J. Stuurman

Gedichten over de Zaan:

Literatuur:

  • Aris van Braam, De Zaan, Zaansche Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer, 1948;
  • J. Stelleman, De Haven van Zaandam, in: De Zaende 1946, Wormerveer 1946;
  • Dirk Vis, Oer-Zaan of Oer-IJ?, in: Anno 1961, 1990;
  • Dr. Margaretha Verkade, Den Derden Dach, Alkmaar 1982.

  • zaan.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/26 12:34
  • door jan