houten

Door de eeuwen heen is de houtbouw karakteristiek voor de Zaanstreek geweest. De balken uit verscheidene .andere gebieden (zie: Houthandelplugin-autotooltip__default plugin-autotooltip_bigHouthandel

Belangrijke drager van de Zaanse economie. Ontstaan en in belang gegroeid aan het eind van de 16e en vooral het begin van de 17e eeuw; ondanks door de eeuwen heen aanzienlijke veranderingen van karakter één van de belangrijke economische activiteiten binnen de Zaanstreek. Lange tijd was de Zaanstreek in de Nederlandse, en ook in de internationale, houthandel een van de toonaangevende gebieden.
werden in de Zaanstreek (en in mindere mate in Amsterdam) verzaagd tot timmerhout. Huizen, molens en pakhuizen in de Zaanstreek zelf werden geheel van hout gebouwd (zie: Houtskeletbouwplugin-autotooltip__default plugin-autotooltip_bigHoutskeletbouw

Samenvattende benaming voor de bouwconstructies, die ook in de Zaanstreek zijn toegepast van de 16e/17e eeuw tot en met de 19e eeuw. De bouwwijze die met houtskeletbouw wordt aangeduid, ontwikkelde zich uit het vroegste bouwen van onderkomens voor mens en dier. Een houtskelet bestaat uit een aantal achter elkaar geplaatste gebinten. Deze gebinten zijn samengesteld uit stijlen, balken, korbelen en sleutelstukken. De gebinten werden op een muurplaat op de gemetselde voeting geplaat…
). In vergelijking met steen was hout als bouwmateriaal licht van gewicht; voor het drassige veengebied langs de Zaan was dat ideaal (zie ook: heifunderingenplugin-autotooltip__default plugin-autotooltip_bigHeifundering

De onderbouwing van een pand. Door de slappe veenbodem in de Zaanstreek is het (de vroegste bewoning buiten beschouwing gelaten) altijd noodzakelijk geweest palen de grond in te heien, waarop het gebouw rustte. Met name voor wat betreft de huizen van de rijkere kooplieden werd aan de fundering zeer veel aandacht besteed. De fundering kon soms bijna de helft van de totale bouwkosten beslaan. Door de noodzaak panden te onderheien is bouwen in de Zaanstreek ook thans duurder dan in ge…
). Met de opkomst van de Zaanse handel en de Zaanse windmolens, namen ook de pakhuizen in aantal toe. De molens hadden over het algemeen zelf pakhuizen, die tegen het onder-achtkant waren aangebouwd. Ook losse pakhuizen, niet direct tegen een molen aan, werden veelvuldig gebouwd. Hierin waren de zogenoemde veembedrijven ondergebracht. De pakhuizen stonden, in verband met het vervoer, vrijwel altijd direct aan het water; ze kwamen voor op beide oevers langs de Zaan en langs vaarten en sloten in de polders. Aangezien de pakhuizen sterk op elkaar leken en de schippers de verschillende pakhuizen toch uit elkaar moesten houden kreeg ieder pakhuis een naambord aan de waterkant.

Pakhuizen kregen de meest uiteenlopende namen, bijvoorbeeld van dieren, vogels, bloemen, bomen, binnen- en buitenlandse steden, beroepen, etcetera.

Pakhuistypen

In de Zaanse pakhuizen werden uiteenlopende produkten opgeslagen. De meest voorkomende produkten worden opgesomd in het pakhuisboek van 1905:

verfwaren, verfhout, krijt, granen, zaden, lijnmeel, lijnkoeken, oliën, mais, gort, rijst, specerijen, bonen, erwten, fourage-anikelen, cacaobonen, cacao, chocolade, cacaoschillen, cacao-afval, papier, brandstoffen (briketten en dergelijke), kaas, boter, eieren, zeep, kurk, tabak, stijfsel, houtwol, zeegras, hennep. zeildoek en garens (vooral in Krommenie), kisten, houtwaren, touwwerken, lege zakken, behangselpapier, klompen, geperst hooi, oude weefgetouwen enzovoort.

Een enkele keer onderging een pakhuis een functieverandering en werd het omgebouwd tot bedrijfsruimte. Soms ook werden pakhuizen gecombineerd gebruikt als opslag- en werkruimte, opslag- en woonruimte, of opslag- en kantoorruimte. Pakhuizen waren dikwijls gebouwd voor de opslag van één specifiek produkt. Met de bouw van het pakhuis werd hier rekening mee gehouden, aangezien de speciale voorzieningen voor elk produkt anders waren. Hierdoor is de volgende indeling naar pakhuistypen te maken: zaadpakhuis, oliebakhuis, kaaspakhuis, eierpakhuis, stijfselpakhuis, papierpakhuis. De houtloods (als laatste besproken) kan eigenlijk niet als een pakhuis worden beschouwd, ofschoon er wel een op de molens bewerkt produkt werd opgeslagen.

Zaadpakhuis

In een zaadpakhuis waren de begane grond en de verdiepingen) ingedeeld in vakken. de zogenoemde 'zaadkasten`. Tussen alle stijlen waren schotten geplaatst. De zo verkregen kasten werden aan de looppadzijde afgesloten met een luik. Het looppad bevond zich over het algemeen in het midden, in de lengterichting van het pand. De schotten waren uit losse planken gebouwd, die tussen twee op de stijlen geplaatste latten werden geschoven, en waren dus verwijderbaar. Zo kon ook de hoogte van iedere zaadkast worden gewijzigd. In de verdiepingsvloeren bevonden zich kleine openingen, die met een houten schuif 'konden worden afgesloten. Door deze openingen kon men het zaad naar een lagere verdieping laten 'stromen'. Het zaad moest droog, donker en koel worden opgeslagen. De zaadpakhuizen hadden geen ramen, want zonlicht mocht niet naar binnen vallen. Om de ruimte zo koel mogelijk te houden werd soms aan de binnenkant van de houten weeg een stenen muur gemetseld. Kiemen werd voorkomen door het zaad regelmatig te keren. In de laatste zaadkast, aan het einde van de schuur sloeg men daarom geen zaad op, zodat men de volle kast naar de lege kon overscheppen.

Oliebakhuis

Een pakhuis waar olie werd opgeslagen werd een oliebakhuis genoemd. In een bakhuis waren verscheidene gemetselde oliebakken of oliekelders. De van de molens afkomstige olie werd hierin bewaard. De oliebakken bevonden zich in de grond, onder de begane grondvloer. Het leegpompen van de bakken gebeurde met behulp van houten pompen, die met hun voet op de bodem van de kelder rustten.

Kaaspakhuis

De gehele ruimte in een kaaspakhuis was voorzien van dicht boven elkaar bevestigde planken, waarop de kazen werden neergelegd. Tussen deze stellingen waren looppaden uitgespaard, zodat men de kazen gemakkelijk kon keren.

Eierpakhuis

Evenals de bakhuizen bezat een eierpakhuis grote, diepe gemetselde kelders, de zogenoemde kalkputten. Deze putten waren geheel gevuld met kalkwater. De eieren. vooral kippe- en eende-eieren konden zo maandenlang worden bewaard.

Eierpakhuizen werden vooral de Waterlandse kant op gevonden. De meeste stonden in Landsmeer, waar er een paar bewaard zijn gebleven.

Stijfselpakhuis

Stijfselpakhuízen kwamen in de Zaanstreek veelvuldig voor. Hier werden blokken stijfsel opgeslagen. Een stijfselpakhuis bezat, afwijkend van de meeste pakhuizen, grote luiken die geheel opengezet konden worden. Bij het drogen van stijfsel waren licht en lucht onontbeerlijk. De luiken waren dikwijls tweedelig.

Papierpakhuis

Een papierpakhuis werd ook wel een droogschuur genoemd. Hier werden de in de papiermolens vervaardigde, nog vochtige, vellen papier te drogen gehangen. In de schuur. die dikwijls met de molen was verbonden, waren op onderling verschillende afstanden vijgetouwen gespannen, waar de vellen papier overheen werden gehangen. De zijwanden van de schuur zaten vol met luiken, die allemaal open konden worden gezet. Zodoende had de wind vrij spel in de pakhuizen. Na het drogen werden de vellen papier verpakt tot balen. Deze sloeg men op in speciaal daartoe ingerichte papierpakhuizen, of in de molens zelf.

Vleethuizen

Benaming van de 17e- en 18e eeuwse pakhuizen, die ten behoeve van de Walvisvaartplugin-autotooltip__default plugin-autotooltip_bigWalvisvaart

Vorm van scheepvaart, toegespitst op de vangst en verwerking van walvissen. De Nederlandse walvisvaart kende een bloeiperiode van 1614 tot 1770. Aanvankelijk was het monopolie in handen van de Noordse Compagnie. Na beëindiging van het aan hen verleende octrooi in 1642 konden andere reders, waaronder Zaanse, zich gaan ontwikkelen. Door toenemende concurrentie werden grotere gebieden geëxploiteerd en ontstonden mede daardoor nieuwe technieken, zoals ijsvisserij. In de Zaanstreek kwam …
in gebruik waren. Vleet was een synoniem van vloot aldus Boekenoogenplugin-autotooltip__default plugin-autotooltip_bigBoekenoogen, Gerrit Jacob

Wormerveer 18 april 1868 - Leiden 26 augustus 1930

Taalkundige, vooral bekend geworden door zijn academische proefschrift 'De Zaanse Volkstaal', waarop hij in 1896 in Leiden cum laude promoveerde. De hoofdinhoud van dit in 1897 uitgegeven lijvige werk wordt gevormd door het Idioticon, waarvan is getuigd dat het buiten kijf het meest volledige en best bewerkte woordenboek van enige Nederlandse streektaal is.
in De Zaanse Volkstaal. In ruime betekenis werd er de gehele uitrusting mee bedoeld, die voor de Groenlandvaart werd gebruikt. In de vleethuizen werden harpoenen en andere benodigdheden, roeiriemen, tuigage en proviand opgeslagen.

Kenmerkend voor de pakhuizen was een aantal kleine luiken, die doorgaans openstonden om de doordringende lucht te ventileren. Het aantal vleethuizen dat in de Zaanstreek in gebruik was is onbekend. Mogelijk waren er tientallen van in gebruik. Daarvan resteert er, in zeer vervallen staat, nog één. Aan de Zaan, in Koog aan de Zaan, achter de bebouwing van de Hoogstraat. Dit vleethuis is nauwkeurig nagebouwd in de Zaanse Schansplugin-autotooltip__default plugin-autotooltip_bigZaanse Schans

Sinds de jaren vijftig van de 20e eeuw ontwikkeld buurtje met woningen en andere gebouwen, vrij toegankelijk en ontworpen om de ooit in de Zaanstreek ontstane bouwstijl en -trant voor de toekomst te behouden. De Zaanse Schans ontwikkelde zich aanvankelijk onbedoeld tot mondiaal bekende toeristische bestemming met jaarlijks bijna twee miljoen bezoekers in 2016. Het buurtje verrees in een hoek van de Kalverpolder, begrensd door Kalverringdijk en Leeghwaterweg. Het terrein heeft een …
, waar het deel uitmaakt van het restaurant D'Hoop op de Swarte Walvis.

Veempakhuis

De Zaanse handel vormde met de nijverheid een twee-eenheid. De meeste moleneigenaars, gaandehouders genoemd, bezaten veelal door aankoop of door vererving zogenaamde “parten“ in andere molentrafieken of handelsondernemingen. Meestal·waren deze in handen van familieleden of geloofsgenoten, gewoonlijk doopsgezinden. Dergelijke “partenrederijenplugin-autotooltip__default plugin-autotooltip_bigPartenrederij

Vorm van 17e-, 18e- en 19e-eeuwse bedrijfsvoering, waarbij het ondernemingskapitaal door tenminste twee personen was gestort. De eigenaars richtten daartoe een rederij op. De aandelen in het kapitaal werden 'parten' genoemd, de uit te keren winst werd naar rato van het aantal parten verdeeld. Bij een vergelijking met huidige ondernemingsvormen heeft de partenrederij nog het meeste weg van de besloten vennootschap.
” kwamen in aIle takken van de Zaanse nijverheid voor, echter in het bijzonder bij risicovolle ondernemingen zoals de walvisvaart, of bij zeer kapitaalsintensieve bedrijven zoals de papierindustrie. Wanneer bijvoorbeeld de eigenaar van enkele paltrokmolens tevens in olie en graan handelde en voor deze goederen opslagruimte behoefde, huurde hij deze in een veempakhuis voor kortere of langere tijd. Hoewel deze veempakhuizen al in de 17e-.en 18e eeuw een integrerend deel van de Zaanse nijverheid en handel uitmaakten, ontstond in het begin van de 19e eeuw een concentratie van veempakhuizen in eigendom van de familie de Boer op het schiereiland de Hemmesplugin-autotooltip__default plugin-autotooltip_bigHemmes

De Hemmes is een grotendeels braakliggend schiereiland binnen de Zaan, ten zuiden van de Julianabrug en ten noorden van de autosnelweg A8. Het gebied ligt in de wijk het Kalf.

Oorspronkelijk was het een eiland in de Zaan, maar door dempingen is het een schiereiland geworden. Door de ligging aan open water was het voor molens een zeer geschikte locatie. De Hemmes telde acht molens:
bij het buurtschap Het Kalfplugin-autotooltip__default plugin-autotooltip_bigKalf, 't

Buurtschap, wijk van oostelijk Zaandam, in de jaren zeventig van de 20e eeuw aanzienlijk uitgebreid door nieuwbouw onder de naam Plan Kalf.

Tot de buurtschap 't Kalf werd vroeger ook Haaldersbroek gerekend, dat door een brug over de Braaksloot met 't Kalf verbonden is. Beide, dus zowel 't Kalf als Haaldersbroek, behoorden vanouds tot het zogenoemde Haler vierendeel van de
. In de loop van de eeuw groeide deze onderneming, centraal in de Zaanstreek gelegen, uit tot het omvangrijke Veem- en factorbedrijf Zaans Veemplugin-autotooltip__default plugin-autotooltip_bigZaans Veem bv

Veem-factorsbedrijf in Zaandam.

De historie van het Zaans Veem gaat terug tot omstreeks 1820. Jac. Jz. de Boer was toen gaandehouder van pelmolen De Boerenjonker in het Oostzijderveld in Zaandam. Hij stierf in 1825, terwijl zijn bedrijf door de watersnood onbereikbaar was en stil lag. Hij dreef zijn zaken met zijn zoons Jan Jbz. (1796-1860) en Hendrik Jbz (1800-1863). De laatste zette in 1830 de firma voort onder eigen naam: firma H. de Boer Jbz., commissie-handelaar en korenfact…
. Door verplaatsing van het bedrijf naar Zaandam nabij het Noordzeekanaalplugin-autotooltip__default plugin-autotooltip_bigNoordzeekanaal

Kanaal dat Amsterdam sinds 1876 met de Noordzee verbindt. Daartoe werd de duinenkust doorgraven bij Velsen en het vervolgens ontstane IJmuiden. Een sluizencomplex en twee zich ruim 1500 meter in zee uitstrekkende pieren werden tevens aangelegd. Het kanaal, grotendeels met de hand gegraven waar 'Holland op z'n smalst' is, vormt een ruim 26,5 km lange verbinding tussen Noordzee en IJsselmeer en is van grote betekenis, niet alleen voor Amsterdam als havenstad, maar ook voor de Zaans…
is helaas van dit complex van veempakhuizen niets meer aanwezig. Hoogstwaarschijnlijk werden in vroeger eeuwen geen pakhuizen speciaal voor het veembedrijf gebouwd, maar werden reeds aanwezige pakhuizen voor dit doel bestemd. Zij hebben daarom geen specifieke vorm of indeling. Pas in deze eeuw werden zeer grote loodsen door het Zaans Veem op de Hemmes voor de tijdelijke opslag van handelsgoederen gebouwd.

Houtloods

Een houtloods kan eigenlijk niet als een pakhuis worden gekarakteriseerd. Weliswaar werd er een molenprodukt in opgeslagen, en weliswaar kwam de constructie van houtloodsen overeen met die van gewone pakhuizen, maar een houtloods bezat geen vloeren, geen zijwanden en ook geen dakhout; een houtloods was opgebouwd uit spanten en gordingen, en was afgedekt met pannen. De stabiliteit in dwarsrichting kwam tot stand door middel van korbelen en die in de langsrichting door middel van windverbanden tussen de spanten onderling. Bij elke zaagmolen was een houtloods te vinden; het hout werd er in opgeslagen op een wijze die natuurlijke droging mogelijk maakte.

Ir. C. Hoope. bi.

  • /home/zaanwiki/domains/zaanwiki.nl/private_html/encyclopedie/data/pages/houten.txt
  • Laatst gewijzigd: 2020/09/07 12:08
  • (Externe bewerking)