houten

Door de eeuwen heen is de houtbouw karakteristiek voor de Zaanstreek geweest. De balken uit verscheidene .andere gebieden (zie: Houthandel werden in de Zaanstreek (en in mindere mate in Amsterdam) verzaagd tot timmerhout. Huizen, molens en pakhuizen in de Zaanstreek zelf werden geheel van hout gebouwd (zie: Houtskeletbouw). In vergelijking met steen was hout als bouwmateriaal licht van gewicht; voor het drassige veengebied langs de Zaan was dat ideaal (zie ook: heifunderingen). Met de opkomst van de Zaanse handel en de Zaanse windmolens, namen ook de pakhuizen in aantal toe. De molens hadden over het algemeen zelf pakhuizen, die tegen het onder-achtkant waren aangebouwd. Ook losse pakhuizen, niet direct tegen een molen aan, werden veelvuldig gebouwd. Hierin waren de zogenoemde veembedrijven ondergebracht. De pakhuizen stonden, in verband met het vervoer, vrijwel altijd direct aan het water; ze kwamen voor op beide oevers langs de Zaan en langs vaarten en sloten in de polders. Aangezien de pakhuizen sterk op elkaar leken en de schippers de verschillende pakhuizen toch uit elkaar moesten houden kreeg ieder pakhuis een naambord aan de waterkant.

Pakhuizen kregen de meest uiteenlopende namen, bijvoorbeeld van dieren, vogels, bloemen, bomen, binnen- en buitenlandse steden, beroepen, etcetera.

Pakhuistypen

In de Zaanse pakhuizen werden uiteenlopende produkten opgeslagen. De meest voorkomende produkten worden opgesomd in het pakhuisboek van 1905:

verfwaren, verfhout, krijt, granen, zaden, lijnmeel, lijnkoeken, oliën, mais, gort, rijst, specerijen, bonen, erwten, fourage-anikelen, cacaobonen, cacao, chocolade, cacaoschillen, cacao-afval, papier, brandstoffen (briketten en dergelijke), kaas, boter, eieren, zeep, kurk, tabak, stijfsel, houtwol, zeegras, hennep. zeildoek en garens (vooral in Krommenie), kisten, houtwaren, touwwerken, lege zakken, behangselpapier, klompen, geperst hooi, oude weefgetouwen enzovoort.

Een enkele keer onderging een pakhuis een functieverandering en werd het omgebouwd tot bedrijfsruimte. Soms ook werden pakhuizen gecombineerd gebruikt als opslag- en werkruimte, opslag- en woonruimte, of opslag- en kantoorruimte. Pakhuizen waren dikwijls gebouwd voor de opslag van één specifiek produkt. Met de bouw van het pakhuis werd hier rekening mee gehouden, aangezien de speciale voorzieningen voor elk produkt anders waren. Hierdoor is de volgende indeling naar pakhuistypen te maken: zaadpakhuis, oliebakhuis, kaaspakhuis, eierpakhuis, stijfselpakhuis, papierpakhuis. De houtloods (als laatste besproken) kan eigenlijk niet als een pakhuis worden beschouwd, ofschoon er wel een op de molens bewerkt produkt werd opgeslagen.

Zaadpakhuis

In een zaadpakhuis waren de begane grond en de verdiepingen) ingedeeld in vakken. de zogenoemde 'zaadkasten`. Tussen alle stijlen waren schotten geplaatst. De zo verkregen kasten werden aan de looppadzijde afgesloten met een luik. Het looppad bevond zich over het algemeen in het midden, in de lengterichting van het pand. De schotten waren uit losse planken gebouwd, die tussen twee op de stijlen geplaatste latten werden geschoven, en waren dus verwijderbaar. Zo kon ook de hoogte van iedere zaadkast worden gewijzigd. In de verdiepingsvloeren bevonden zich kleine openingen, die met een houten schuif 'konden worden afgesloten. Door deze openingen kon men het zaad naar een lagere verdieping laten 'stromen'. Het zaad moest droog, donker en koel worden opgeslagen. De zaadpakhuizen hadden geen ramen, want zonlicht mocht niet naar binnen vallen. Om de ruimte zo koel mogelijk te houden werd soms aan de binnenkant van de houten weeg een stenen muur gemetseld. Kiemen werd voorkomen door het zaad regelmatig te keren. In de laatste zaadkast, aan het einde van de schuur sloeg men daarom geen zaad op, zodat men de volle kast naar de lege kon overscheppen.

Oliebakhuis

Een pakhuis waar olie werd opgeslagen werd een oliebakhuis genoemd. In een bakhuis waren verscheidene gemetselde oliebakken of oliekelders. De van de molens afkomstige olie werd hierin bewaard. De oliebakken bevonden zich in de grond, onder de begane grondvloer. Het leegpompen van de bakken gebeurde met behulp van houten pompen, die met hun voet op de bodem van de kelder rustten.

Kaaspakhuis

De gehele ruimte in een kaaspakhuis was voorzien van dicht boven elkaar bevestigde planken, waarop de kazen werden neergelegd. Tussen deze stellingen waren looppaden uitgespaard, zodat men de kazen gemakkelijk kon keren.

Eierpakhuis

Evenals de bakhuizen bezat een eierpakhuis grote, diepe gemetselde kelders, de zogenoemde kalkputten. Deze putten waren geheel gevuld met kalkwater. De eieren. vooral kippe- en eende-eieren konden zo maandenlang worden bewaard.

Eierpakhuizen werden vooral de Waterlandse kant op gevonden. De meeste stonden in Landsmeer, waar er een paar bewaard zijn gebleven.

Stijfselpakhuis

Stijfselpakhuízen kwamen in de Zaanstreek veelvuldig voor. Hier werden blokken stijfsel opgeslagen. Een stijfselpakhuis bezat, afwijkend van de meeste pakhuizen, grote luiken die geheel opengezet konden worden. Bij het drogen van stijfsel waren licht en lucht onontbeerlijk. De luiken waren dikwijls tweedelig.

Papierpakhuis

Een papierpakhuis werd ook wel een droogschuur genoemd. Hier werden de in de papiermolens vervaardigde, nog vochtige, vellen papier te drogen gehangen. In de schuur. die dikwijls met de molen was verbonden, waren op onderling verschillende afstanden vijgetouwen gespannen, waar de vellen papier overheen werden gehangen. De zijwanden van de schuur zaten vol met luiken, die allemaal open konden worden gezet. Zodoende had de wind vrij spel in de pakhuizen. Na het drogen werden de vellen papier verpakt tot balen. Deze sloeg men op in speciaal daartoe ingerichte papierpakhuizen, of in de molens zelf.

Vleethuizen

Benaming van de 17e- en 18e eeuwse pakhuizen, die ten behoeve van de Walvisvaart in gebruik waren. Vleet was een synoniem van vloot aldus Boekenoogen in De Zaanse Volkstaal. In ruime betekenis werd er de gehele uitrusting mee bedoeld, die voor de Groenlandvaart werd gebruikt. In de vleethuizen werden harpoenen en andere benodigdheden, roeiriemen, tuigage en proviand opgeslagen.

Kenmerkend voor de pakhuizen was een aantal kleine luiken, die doorgaans openstonden om de doordringende lucht te ventileren. Het aantal vleethuizen dat in de Zaanstreek in gebruik was is onbekend. Mogelijk waren er tientallen van in gebruik. Daarvan resteert er, in zeer vervallen staat, nog één. Aan de Zaan, in Koog aan de Zaan, achter de bebouwing van de Hoogstraat. Dit vleethuis is nauwkeurig nagebouwd in de Zaanse Schans, waar het deel uitmaakt van het restaurant D'Hoop op de Swarte Walvis.

Veempakhuis

De Zaanse handel vormde met de nijverheid een twee-eenheid. De meeste moleneigenaars, gaandehouders genoemd, bezaten veelal door aankoop of door vererving zogenaamde “parten“ in andere molentrafieken of handelsondernemingen. Meestal·waren deze in handen van familieleden of geloofsgenoten, gewoonlijk doopsgezinden. Dergelijke “partenrederijen” kwamen in aIle takken van de Zaanse nijverheid voor, echter in het bijzonder bij risicovolle ondernemingen zoals de walvisvaart, of bij zeer kapitaalsintensieve bedrijven zoals de papierindustrie. Wanneer bijvoorbeeld de eigenaar van enkele paltrokmolens tevens in olie en graan handelde en voor deze goederen opslagruimte behoefde, huurde hij deze in een veempakhuis voor kortere of langere tijd. Hoewel deze veempakhuizen al in de 17e-.en 18e eeuw een integrerend deel van de Zaanse nijverheid en handel uitmaakten, ontstond in het begin van de 19e eeuw een concentratie van veempakhuizen in eigendom van de familie de Boer op het schiereiland de Hemmes bij het buurtschap Het Kalf. In de loop van de eeuw groeide deze onderneming, centraal in de Zaanstreek gelegen, uit tot het omvangrijke Veem- en factorbedrijf Zaans Veem. Door verplaatsing van het bedrijf naar Zaandam nabij het Noordzeekanaal is helaas van dit complex van veempakhuizen niets meer aanwezig. Hoogstwaarschijnlijk werden in vroeger eeuwen geen pakhuizen speciaal voor het veembedrijf gebouwd, maar werden reeds aanwezige pakhuizen voor dit doel bestemd. Zij hebben daarom geen specifieke vorm of indeling. Pas in deze eeuw werden zeer grote loodsen door het Zaans Veem op de Hemmes voor de tijdelijke opslag van handelsgoederen gebouwd.

Houtloods

Een houtloods kan eigenlijk niet als een pakhuis worden gekarakteriseerd. Weliswaar werd er een molenprodukt in opgeslagen, en weliswaar kwam de constructie van houtloodsen overeen met die van gewone pakhuizen, maar een houtloods bezat geen vloeren, geen zijwanden en ook geen dakhout; een houtloods was opgebouwd uit spanten en gordingen, en was afgedekt met pannen. De stabiliteit in dwarsrichting kwam tot stand door middel van korbelen en die in de langsrichting door middel van windverbanden tussen de spanten onderling. Bij elke zaagmolen was een houtloods te vinden; het hout werd er in opgeslagen op een wijze die natuurlijke droging mogelijk maakte.

Ir. C. Hoope. bi.

  • houten.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/07/07 14:23
  • door jan