pieter_schoen

Verfbedrijf te Zaandam, later omgedoopt tot Sigmacoatings, sinds 2008 onderdeel van PPG.

De familienaam Schoen kwam rond 1600 al op verschillende plaatsen voor en stamde vermoedelijk zelfs uit de 13e of 14e eeuw. In januari 1725 kreeg Jan Pietersz Schoen (ca. 1685-1765) een windbrief voor de verfmolen De Gekroonde Schoen. Jan Pietersz Schoen was een zoon van Pieter Jacobsz Schoen (1650-1719) en Harmetje Jacobs. Hij was gehuwd met Trijntje Claasdr. Zij hadden een zoon en twee dochters. De zoon, Claas Jansz Schoen (1718-1777) erfde de zaken, maar bleef ongehuwd. Hij adopteerde min of meer zijn jonge neef Pieter, zoon van zijn zuster Aafje Jansdr. Schoen (1720-1785) en Symon Claasz Vrouwes.

Deze Pieter Symonsz Vrouwes (1745-1807), eerst gehuwd met Trijntje Stoffels (†1789) en daarna met Aagje Louwerddr. van Elsland, erfde op zijn beurt de zaken van zijn oom Claas en noemde zich sindsdien Pieter Symonsz Schoen. Van zijn kinderen stierven de meesten jong. De onderneming ging over naar zijn zoon Simon Schoen (1774-1824), gehuwd met Trijntje Pondman en vervolgens naar hun zoon Pieter Schoen (1805-1946).

De zesde generatie werd gevormd door hun zoon Simon Schoen (geb. 1839. gehuwd met Madalena Keg, geb. 1836), die ter firma S. Schoen Pz werkte met de molens De Gekroonde Schoen en De Tromp. Hij gebruikte De Grauwe Hengst De De Krab en De Reinout voor loonwerk.

In 1888 besloot hij een houten pakhuis te bouwen in de tuin van zijn woonhuis aan de Oostzijde 39, dat de naam De Villa kreeg. In 1896 werd dit pand vervangen door het stenen pakhuis De Lelie, dat in 1898 samen met de belendende graanhandel van J. Buys verbrandde en vervolgens groter werd herbouwd. Het bedrijf handelde toen in verfhout, krijt, pijpaarde, duitse geeloker, marmer, curcumar, steenkoolpoeder, houtskoolpoeder, blauwsteen en pannenrood, terwijl men begon met de productie van plamuur en stopverf. In de verfindustrie deden zich in deze periode grote veranderingen voor. Tot dan was het altijd zo geweest dat de molens droge verfstoffen produceerden en deze aan de schilders verkochten; de schilders maakten vooral in de wintermaanden dan hun eigen verf.

Vanaf 1905 begon Pieter Schoen met de productie van gerede verven; tot dan was het bedrijf dus altijd producent van verfstoffen geweest en voorts vooral een verfstoffenhandel. Reeds aan het einde van de 19e eeuw was er zakelijk verkeer met bijvoorbeeld Roemenië en Egypte. Toen de productie van gerede verven werd begonnen, werd het karakter van de onderneming meer industrieel en groeide ook het personeelsbestand. In 1913 werd het complex aan de Oostzijde door een grote brand getroffen. Op de plek van een aangekocht huis en erf van W. Poel en van graanfactor C. Keg werd De Lelie herbouwd. Als aandrijving werd voor elektriciteit gekozen; Pieter Schoen was het eerste grote bedrijf dat op het net werd aangesloten. Bij De Lelie kwamen de pakhuizen De Regenboog, Albino en De Moor. In 1919 werd het graanpakhuis Ceres van Buys gekocht. In datzelfde jaar werd in het oliemolenpakhuis De Rode Vos in het Westzijderveld een lakfabriekje begonnen.

In 1929 volgde de bouw van een vijf verdiepingen tellende fabriek aan de Oostzijde; het eerste verdiepingen-gebouw in beton van Nederland. De productiemogelijkheden namen hierdoor sterk toe; de productie-omvang steeg daarna ook snel. Inmiddels was in 1917 de volgende generatie in het bedrijf gekomen: S.M. Schoen, P. Schoen Pzn en Ir. Murk Schoen. De Firma Pieter Schoen werd in 1927 omgezet in een NV tot voortzetting der zaken van Pieter Schoen & Zoon, ook zaken doende onder de naam Sigmarinefabriek en Lakindustrie Nederland. Deze lange naam werd pas in 1935 ingekort tot Pieter Schoen & Zoon NV. In deze periode was het bedrijf uitgegroeid van een onderneming met drie werknemers in 1898 tot 260 personeelsleden bij het begin van de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de oorlog werd op kleinere schaal doorgewerkt, totdat tenslotte de stroomtoevoer werd afgesloten.

De directie werd na de oorlog door de Politieke Recherche Afdeling1) beschuldigd van colloboratie met de Duitsers. De fabriek zou teveel verf hebben geleverd aan de bezetter. De Haarlemse kantonrechter sprak hen echter vrij.

Na de oorlog kende het bedrijf opnieuw een periode van forse groei. Ontwerper Clim Meijer voegde nieuwe kleuren aan het assortiment toe en in samenwerking met Forbo Krommenie en een behangspecialist werd een samenhang van verfkleuren met de rest van het interieur geïntroduceerd. Het bedrijf maakte zowel verven voor de doe-het-zelf-markt als voor specifiek gebruik. Met name in scheepsverven bouwde het bedrijf een grote naam op. In een kleine dertig landen werden, meestal in samenwerking met lokale afnemers, verffabrieken opgezet. In Zaandam werd research gaandeweg belangrijker, ten koste van de productie aldaar. In 1969 werd Pieter Schoen overgenomen door het Belgische concern Petrofina, in 1972 volgde de naamswijziging in Sigma Coatings. Pieter Schoen werd samengevoegd met Vettewinkel in Uithoorn en Varossieau in Alphen aan den Rijn; het hoofdkantoor werd gevestigd te Uithoorn.

Halverwege de jaren 90 ving de bouw van Zaanwerf aan, grotendeels gestapelde woningen in het kader van het Zaanoeverproject.

Sigma bood het complex aan de gemeente te koop voor één gulden.In 1999 volgde een fusie met het Britse verfbedrijf Kalon en werd de naam Sigmakalon. In 2008 nam het Amerikaanse concern PPG Sigmakalon over.

Externe link:


1)
een instelling die onderzoek deed naar mensen en instellingen die tijden de oorlog 'fout' waren
  • pieter_schoen.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/15 12:39
  • door jan