westknollendam

Buurtschap of kleine woongemeenschap, thans behorend tot de gemeente Zaanstad, daarvoor tot Wormerveer en oorspronkelijk tot de Banne van Westzanen. Westknollendam vormt een tweelingdorp met Oostknollendam, waarvan het door het noordelijke einde van de Zaan is gescheiden. Literatuur over de buurtschap is schaars; in de beschrijvingen van Wormerveer en de Polder Westzaan wordt doorgaans nauwelijks aandacht aan Westknollendam gegeven. Wel wordt steeds de dam genoemd waaraan zowel West- als Oostknollendam hun naam danken, zie: Knollendam

De tweelingdorpen waren tot en met de Tweede Wereldoorlog vooral op elkaar aangewezen. De kerk stond aanvankelijk aan de westkant van de Zaan, de pastorie aan de oostkant. Ooit hadden beide buurtschappen een school, maar sinds het begin van de 19e eeuw waren alle kinderen aangewezen op onderwijs in Oostknollendam. Het overzetten kostte alle inwoners elke keer weer enkele centen. Het plaatselijke veer was niettemin geen vetpot voor de pachters; de pachtsom bedroeg dan ook nooit meer dan enkele guldens per jaar. De toenemende mobiliteit maakte een eind aan de wederzijdse afhankelijkheid van West- en Oostknollendam.

Na de oorlog zijn vrijwel alle winkels er verdwenen. Westknollendam ging zich meer en meer op Krommenie en Wormerveer oriënteren, het dorp waarmee men lang administratief verbonden was.

Omvang

Doordat Westknollendam geen gemeentelijke eenheid vormde, is de omvang in het verleden niet nauwkeurig aan te geven. Toch kan men het volgende gebied er toe rekenen: het deel van de Karnemelkspolder tussen Nauernasche Vaart, Tapsloot, Zaan en Noorddijk. Ook het eiland Bloemendaal, waarop en waarbij de Zaanlandse Zeil Vereniging haar jachthaven heeft, wordt tot Westknollendam gerekend, evenals de noordelijke helft van industrieterrein Molletjesveer, nu voor een deel bekend onder de naam Zaans Industrie Centrum. Tezamen beslaat het hier genoemde een oppervlakte van ongeveer 62 hectare.

Door de Provincialeweg die na de Tweede Wereldoorlog van Wormerveer langs Markenbinnen naar het Noordhollands Kanaal en vervolgens naar Alkmaar en De Rijp is aangelegd, werd Westknollendam als het ware in tweeën gesneden. Het pontveer over de Tapsloot, bij een vorige generatie bekend als het pontje van Zwart, is toen door een basculebrug vervangen.

Bevolking

Ook hierover zijn door het ontbreken van een afzonderlijke gemeentelijke administratie nauwelijks gegevens te vinden. Tot 1796 zijn wel cijfers van Oost- en Westknollendam tezamen bekend. In 1543 woonden er naar schatting niet meer dan 18 mensen in het tweelingdorp, in 1635 was dat aantal toegenomen tot 220. In 1806 waren er 200 Westknollendammers; dit aantal liep terug naar 120 in 1845. In 1989 woonden er 653 personen in de buurtschap.

Kerkelijke gezindheid

Bekend is dat in 1796 18 Westknollendammers gereformeerd/hervormd en 24 doopsgezind waren. Van der Aa geeft weliswaar enkele vermeldingen voor het jaar 1845, maar deze gelden voor West- en Oostknollendam gezamenlijk. Het aantal doopsgezinden in beide dorpen was toen teruggelopen naar 30, het aantal gereformeerden was tot 200 gegroeid. Er woonde ook een klein, ongeteld aantal katholieken in beide Knollendammen.

Bewoningsgeschiedenis

De eerste Knollendammers hebben zich omstreeks 1360 vrij snel na de aanleg bij de dam gevestigd. Toen deze werd doorsluist in 1374 zal er ook een herberg zijn gekomen, misschien zelfs enkele. Die kwamen dan niet voor de omwonenden, in 1543 werden er nog maar drie haardsteden geteld, maar voor het scheepsvolk, in verband met de wachttijden voor het schutten.

Het kleine aantal eigen inwoners verdient verbazing, evenals het vrijwel ontbreken van bedrijvigheid. Zelfs in de bloeitijd van de Zaanse industrie waren er in Westknollendam naar verhouding weinig molens. Op het punt waar sinds de drooglegging van de Schermer, de Zaan, de Nauernasche Vaart en de Markervaart samenkomen zou men veel bedrijvigheid verwachten. Mede door het gebrek daaraan nam de bevolking slechts zo langzaam toe. Pas na de Tweede Wereldoorlog kreeg de buurtschap toeloop van bewoners die van elders kwamen. Dat hing uiteraard samen met de toegenomen mobiliteit en de aantrekkingskracht van het wonen ten plattelande. Ook Westknollendam werd uitgebreid met een nieuwbouwwijk.

Middelen van bestaan

Dr. M.A. Verkade veronderstelde dat de weinige inwoners van Knollendam rond het midden van de 16e eeuw leefden van de binnenvisserij. Zij meende ook dat de aanleg van de sluis winkelnering binnen de gemeenschap zal hebben gebracht. De winkeliers en/of herbergiers zouden daarna ook het omringende land ten nutte hebben gemaakt. En het is de veeteelt die een groot deel van de Knollendammer bevolking door de eeuwen heen werk heeft verschaft.

Oostknollendam had in de 18e eeuw de grootste veestapel van de Zaanstreek. In 1796 gebruikte men de melk vooral voor de kaasmakerij. De binnenvisserij bleef steeds van belang; tot ver in de 19e eeuw was visvangst een belangrijke bron van bestaan. Aan het eind van de 17e eeuw heeft de walvisvaart aan velen werk verschaft. In 1702 werden hier drie walvisvaarders uitgereed, die tezamen 38 walvissen thuisbrachten. In een koopakte uit 1686 werd gesproken van een pakhuis en een traankokerij in Westknollendam. Hoewel de bloei van de walvisvaart na de eeuwwisseling voorbij was, is Knollendam lang niet zo in verval geraakt als bijvoorbeeld Wormer en Jisp.

Veeteelt en kaasmakerij bleven de bevolking namelijk voldoende werk verschaffen. De veehouders hadden het overigens meermalen moeilijk. De watersnood van 1717, de epidemieën van Veepest in de 18e eeuw en de overstroming in 1825 brachten grote schade. Tijdens de veepest-uitbarsting van 1769-'72 verloren de bijna 50 Knollendammer boeren tweederde van hun vee. Een aantal inwoners vond toen al werk in de graanhandel. Deze was wellicht een uitbreiding van de handel die aan het begin van de 18e eeuw was ontstaan. Knollendam was toen de uitvalsbasis van schuiten waarmee in heel Holland graan werd afgeleverd.

In Westknollendam zijn zes molens in bedrijf geweest, een kleine poldermolen buiten beschouwing gelaten. De enige zaagmolen heeft in ieder geval van 1676 tot 1703 gewerkt. De andere vijf waren alle oliemolens, die in de tweede helft van de 17e eeuw waren gebouwd. De laatste verdween in 1909. Het einde van de 19e eeuw bracht enige industrialisatie naar Westknollendam. In 1872 werd oliemolen De Vrede, de gesloopt, er kwam een stoomolieslagerij onder dezelfde naam voor in de plaats. In 1913 kwam de kaasfabriek 'Nooit Gedacht' tot stand, een bedrijf dat geen lang leven beschoren zou zijn.

Over de huidige beroepsbezigheden van de bevolking bestaan geen gegevens. In het dorp is een klein aantal ondernemingen gevestigd, op de industrieterreinen Molletjesveer en het Zaans Industrie Centrum bevinden zich enkele grotere bedrijven. Genoemd mogen worden in 1990: afwerkingsbedrijf Van Velzen, staalstraalbedrijf Harko, Boko Dakbedekkingen, Duba Interieurverlichting, Molenaar Kartonnage, Handelsmaatschappij Brevet, Van der Molen Production, Tobacco Machinerie Services, Medec Holland, Fotometaal, Machinefabriek Snelders, C. Buys en Zonen, Mendes de Jong, Zaandak, Etro, Eierhandel De Noordster, A. Hak, Zaanauto, Zwart Lease, Blaupunkt Tennis Centrum en Pensioenfonds De Eendracht.

Literatuur

A.J. van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, deel 6, Gorinchem 1845; J. Aten, Wormerveer langs weg en Zaan, Wormerveer 1967; P. Boorsma, Duizend Zaanse Molens, Wormerveer 1950; A. Loosjes, Beschrijving van de Zaanlandsche dorpen, Haarlem 1796; L. van Ollefen, Stad- en dorpsbeschrijver van Kennemerland, Amsterdam 1796; M.A. Verkade, Den derden dach, Alkmaar 1982.

  • westknollendam.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/02/08 01:51
  • door zaanlander