bedelarij

De staat waartoe mensen zonder inkomen of vermogen en zonder ondersteuning door een armbestuur kunnen vervallen; in de Zaanstreek weinig voorgekomen, met uitzondering van het begin van de 19e eeuw. Vanaf 1500 heeft Holland, dus ook de Zaanstreek, betrekkelijk weinig last gehad van bedelarij. Over het algemeen was hier, weliswaar vaak slecht betaald, maar voldoende werk voorhanden. Desondanks werd bedelarij door de bevolking als een van de grootste plagen van de tijd gezien.

Er waren twee soorten bedelarij: legale en illegale. De legale bedelaars hadden een vergunning om te bedelen. Het is niet bekend of één van de Zaanse banbesturen ooit zo'n permissie verstrekt heeft aan ingezetenen. De illegale bedelaars waren veelal landlopers; geen enkel bestuur wilde de bedelaars binnen zijn rechtsgebied, daarom werden zij vaak verbannen. Hiervoor werden in verschillende gebieden of steden speciale functionarissen aangesteld, echter niet in de Zaanstreek. De gedachtengang hier was dat bedelaars óf niet in staat waren te werken, ouderen, jongeren, zieken, mismaakten, enzovoort, óf niet wilden.

In het eerste geval hadden de bedelaars recht op opname in de bedeling (zie: wees- en armenzorg). In het tweede geval moesten zij tot werken worden gedwongen. Bedelen en het schenken van geld aan bedelaars werd gezien als een zonde. De kerkeraad van de Hervormde kerk te Assendelft verbood in 1595 alle lidmaten het verstrekken van aalmoezen aan bedelaars, zonder kerkelijk consent. In Assendelft werd vervolgens een spinhuis gesticht voor uitsluitend vrouwen, waar bedelaars, en bij grote vraag ook weeskinderen en andere armen, gedwongen moesten spinnen. Een dergelijk spinhuis kwam er ook in Krommenie.

In de Franse tijd en de jaren daarvoor en daarna was er een sterke toename van de bedelarij. Het totaal van arbeidsplaatsen nam sterk af, waardoor velen zonder inkomsten kwamen te zitten. De grote ontkerkelijking van deze tijd wordt hierdoor mogelijk mede verklaard, wie ging bedelen werd geschrapt als lidmaat. De werkverschaffing nam in deze periode weer toe. In Assendelft was er nog altijd het oude spinhuis.

In Zaandam werd in 1819 een spinhuis geopend, eveneens uitsluitend voor vrouwen. Onder het meer welgestelde deel van de bevolking bestond weinig begrip voor de bedelaars. Toen twee Krommenieërs in 1801 een, overigens niet gehonoreerd, verzoek indienden een spinhuis te mogen openen, heette het dat '…de bedelarij niet ontstaat uit een wezenlijk gebrek aan werk (. . .) maar volstrekt is toe te schrijven aan luiheid…' In 1841 nog noemde Steven Blaupot ten Cate de bedelarij een grote kwaal der maatschappelijke samenleving die ter deser plaats (Zaandam) zeer is toegenomen. Dat kwam in zijn ogen door het gebrek aan werk en door de onzedelijkheid van de mensen.

De 'geringe stand' verkwistte zijn geld aan verschillende uitspattingen, hetgeen steeds erger werd. Het zou zelfs leiden tot gevangenis of het schavot. Bedelarij 'heeft een stroom van ondeugden in haar gevolg, die het volksgeluk vernietigen, alle begrippen van deugd en zedelijkheid uitwissen en een bron wordt van oneerlijkheid en losbandigheid aldus Blaupot ten Cate. Het wekt geen verwondering dat met deze houding der welgestelden de bedelaars hard werden bejegend.

In 1800 moesten bedelaars die niet in Zaandijk woonden, over de grenzen gezet worden, en als zij terug kwamen op gevoelige wijze 'gereconduiseerd'. Ook Blaupot ten Cate gaf maatregelen tegen bedelarij aan. Naast de oprichting van een werkhuis, wilde hij overtreders naar werkkampen sturen. Het is niet bekend of dit laatste ook daadwerkelijk veel is gebeurd, aangenomen mag worden dat ook Zaankanters in dorpen als Nieuwe Schans te werk zijn gesteld.

In de tweede helft van de 19e eeuw nam de bedelarij af. Het aantal arbeidsplaatsen nam weer toe en er ontstond ook een nieuwe arbeidsmoraal. Het niet hebben van werk werd als een schande gezien. Met de opkomst van de sociale wetgeving verdween de bedelarij, een zeer enkele uitzondering daargelaten, volledig. Zie ook: Arbeidsomstandigheden Ger Jan Onrust.

Literatuur: Zaandam 150 jaar stad; Lootsma, Historische studiën I; Roovers, Onvoltooid verleden; Oosterbaan. Tussen Leven en Dood; A. Th. van Deursen, Het kopergeld van de Gouden Eeuw, Het dagelijks brood, Assen 1981.

  • bedelarij.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/01 15:17
  • door 87.66.47.170