arbeidsomstandigheden

De omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht. Een complex van factoren, zoals: veiligheid op de werkplaats, een (on)gezonde werksituatie, arbeidsverhoudingen op micro-, meso- en macro-niveau, loonvorming, arbeidsvoorwaarden, besluitvorming binnen de onderneming, bereikbaarheid van het werk, et cetera, en daarnaast ook tijdgebonden normen, bepaalt de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden.

Dit artikel beperkt zich tot veiligheid, gezondheid, vrouwen- en kinderarbeid, en arbeidstijden.

Inleiding

De omstandigheden waaronder de Zaanse arbeiders hun werk verrichtten zijn nooit uitgebreid beschreven. Terwijl thans met morele verontwaardiging kan worden teruggekeken op de omstandigheden waaronder arbeiders in vroeger tijden moesten werken, werden in die tijden zelf de arbeidsomstandigheden beschouwd als volstrekt normaal en nauwelijks speciale aandacht waard. De beschrijving van arbeidsomstandigheden is zodoende vrijwel volledig een beschrijving achteraf. Pas uit het einde van de 19e eeuw stamt het eerste uitgebreide onderzoek naar de op dat moment bestaande situatie. In de jaren '90 ondervroeg een parlementaire enquête-commissie door het hele land honderden werkgevers, werknemers en overheidsvertegenwoordigers over werk-, woon- en leefomstandigheden. In de Zaanstreek werden door de commissie 109 personen ondervraagd. De publikatie van de zogenoemde arbeidsenquête sloeg in als een bom. Niemand had er ooit een idee van gehad dat de situatie in den lande zó slecht was, de omstandigheden waaronder arbeiders moesten werken zo mens-onterend. De sociale wetgeving, die in 1874 met het bekende '“kinderwetje' van Van Houten schuchter was ingezet, werd daarna in een versneld tempo doorgevoerd.

Door deze landelijke wetgeving verloren de arbeidsomstandigheden gaandeweg hun lokale aspecten. De situatie in de 20e eeuw wordt daarom slechts kort behandeld.

Economische bloeiperiode (1600-1750)

De economische bloei van de Zaanstreek in de 17e eeuw had voor de Zaanse arbeiders niet vanzelfsprekend een lotsverbetering ten gevolge. Een groeiende vraag naar arbeid deed niet automatisch de lonen stijgen. Slechts onder bijzondere omstandigheden konden werknemers looneisen stellen, die door werkgevers gehonoreerd moesten worden. Dat kon zich bijvoorbeeld in de scheepsbouw voordoen op momenten dat bestelde schepen op tijd moesten worden afgeleverd. Met name in ploegen georganiseerde, gespecialiseerde vaklieden, zoals breeuwers, konden de baas dan voor het blok zetten. Maar voor het merendeel der Zaanse werklieden ontbraken dergelijke dwangmogelijkheden. Zij verrichtten werk dat geen (of weinig) scholing vereiste, zoals sjouw-, grond-, schoonmaak-, of elementair productiewerk. Vrouwen en jongens kregen voor dergelijk werk vaak minder dan de helft van het loon van volwassen mannen. Er bestaan berekeningen die de arbeidslonen tegenover de kosten van levensonderhoud stellen. Rond 1600 lag het gemiddelde loon op 14 stuivers per dag, hetgeen neerkomt op een jaarloon van ruim 218 gulden. Aangezien niet het gehele jaar werk voorhanden was (seizoensinvloeden), kan het werkelijke jaarloon voor een ongeschoolde volwassen man op 200 gulden worden afgerond. De kosten van levensonderhoud in deze tijd (vast te stellen aan de hand van voedselprijs-indicaties en andere gegevens) bedroegen voor een volwassene tachtig gulden per jaar, en voor een kind veertig gulden per jaar. Een echtpaar waarvan alleen de man loon inbracht kon dus (aangenomen dat de man gezond was en er het hele jaar werk voor hem was) maximaal één kind hebben, anders moest men (met een eigentijdse uitdrukking) onder het bestaansminimum leven.

In praktijk betekende dit dat bij grotere gezinnen ook de vrouw gedwongen was geld te verdienen. Enkel in de meer welgestelde gezinnen konden vrouwen zich de luxe van het onbezoldigde beroep huisvrouw permitteren. En slechts in de zeer rijke gezinnen hoefde de vrouw helemaal geen arbeid te verrichten; daar waren inwonende meiden voor de huishouding. Dit laatste kwam evenwel in de Zaanstreek bijzonder weinig voor. Het werk dat de vrouwen in de industrieën moesten verrichten stond over het algemeen laag aangeschreven. Er was plaats voor hen in de beschuitbakkerijen, in de papiermolens (waar zij lompen moesten scheuren en vellen te drogen moesten hangen), in de tochtige lijnbanen, en in de zeildoekweverijen, waar het werk eentonig was. De lengte van de werkdagen van vrouwen was gelijk aan die van mannen (hierna behandeld).

Hierbij moet worden opgemerkt dat vrouwen-arbeid niet per definitie op sociale onrechtvaardigheid duidt; in onze tijd kan zelfs het tegendeel het geval zijn. In de hier besproken periode (en de perioden daaropvolgend) was het feit dat vrouwen werkten evenwel niet een gevolg van vrije keuze, maar van economische dwang. Dit geldt overigens net zozeer voor mannen. Kinderen werden eveneens in het arbeidsproces ingeschakeld, al hebben in de Zaanstreek (voor zover bekend) niet zeer jonge kinderen gewerkt. Maar vanaf een leeftijd van circa twaalf jaar werden jongens voor lichtere klussen op molens en schepen aangesteld. Op de houtzaagmolens werd gebruik gemaakt van krullenjongens. Op ieder schip (voor walvisjacht of handel) voeren twee jongmaatjes mee. De jongens werden vooral gebruikt voor de lichtere klusjes, maar ook zij hadden werkdagen van twaalf tot zestien uur. De arbeidstijden (onafhankelijk die voor mannen, vrouwen of kinderen) waren lang; althans, dat gold als er voldoende werk beschikbaar was. Het werk op de molens was bovendien afhankelijk van de wind. Als de wind gunstig was werden de werkdagen voor het personeel van de oliemolens verlengd tot 16 à 20 uur. Ook het personeel had daar belang bij. In de oliemolens werd het inkomen namelijk niet bepaald door het aantal gewerkte uren, maar door de verwerkte hoeveelheid zaden. Dag- en nachtmalen was ook heel gebruikelijk, maar dan vond er (beperkt) ploegaflossing plaats. De leden van de afgeloste ploegen bleven in de molen slapen.

In andere molenbedrijven waren de werkdagen over het algemeen korter. De arbeiders van de houtzaag- en de blauwselmolens maakten werkdagen van twaalf uur. In de houtzagerij werd 's zomers langer gewerkt dan 's winters. In de papiermolens golden werkdagen van twaalf tot zestien uur. In de papiermakerij was arbeid op zondag heel gebruikelijk. De wet dat de zondag 'hailig' was, werd lang niet altijd nageleefd. De pelmolens kenden werkdagen van vijftien tot zestien uur. De arbeidstijden in de scheepsbouw waren van het seizoen afhankelijk en de patroon kon van zijn personeel werkdagen van veertien uur eisen. De beschuitbakkers van Wormer en Jisp werkten over het algemeen 's nachts. Aanvankelijk werkten zij ook 's zondagsnachts, totdat daartegen een keur werd uitgevaardigd. De weverij in Krommenie en Assendelft was grotendeels een thuisnijverheid. De wevers konden daardoor zelf de lengte van hun werkdagen bepalen, maar om voldoende inkomen om van te leven te halen, moesten zij minimaal twaalf uur per dag werken. Het loon werd volledig bepaald door het aantal gewerkte uren, dat op zijn beurt afhankelijk was van de hoeveelheid beschikbaar werk. Bij een daling in de vraag naar produkten werd dus niet het uurloon verlaagd, maar werden de werkdagen korter of werd personeel ontslagen.

In tijden van economische neergang werden grote groepen mannen en vrouwen werkloos en werd er (nog grotere) armoede geleden. In vergelijking met omringende steden waren de lonen in de Zaanstreek laag. In de bloeiperiode van de Zaanse economie speelde dit een belangrijke rol. Met name de scheepsbouw was een bijzonder arbeidsintensieve sector. De lonen in scheepsbouwsteden als Edam, Hoorn, Amsterdam en Rotterdam lagen in perioden 25 procent hoger dan in de Zaanstreek. Als voorbeeld: een Amsterdamse scheepstimmerman verdiende in 1641 tussen de dertig en veertig stuivers per dag, terwijl een Zaanse scheepstimmerman in datzelfde jaar (in de zomermaanden, 's winters waren de lonen lager) 26 stuivers per dag kreeg. Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat de beste jaren voor de Zaanse scheepsbouw tussen 1640 en 1650 lagen, de lonen waren toen waarschijnlijk het hoogst. Niet alleen in de Zaanse scheepsbouw was de hoeveelheid werk aan seizoensinvloeden onderhevig. Ook bijvoorbeeld op de houtzaagmolens werd er in de wintertijd minder lang gewerkt en waren de lonen lager.

Voor de hand ligt dat boeren en boerenknechten met seizoenarbeid te maken hadden. In de oogsttijd verdienden knechten meer dan geschoolde arbeiders, maar in de herfst en de lente konden zij zonder inkomen zitten. De inkomensverschillen tussen arbeiders en kleine zelfstandigen waren over het al gemeen klein. Visvrouwen, marktlieden, veermannen, turftonsters, schoenmakers, sluiswachter, etcetera verdienden over het algemeen net zo weinig als de loonslaven. Het gemiddelde loonpeil veranderde nauwelijks tussen 1600 en 1750. De kosten van levensonderhoud (bijvoorbeeld voedselprijzen en accijnzen) gingen in deze periode licht omhoog. De snelle bevolkingsgroei remde de loonontwikkeling. Doordat een grote arbeidsreserve ontstond ontbrak aan de arbeiders de mogelijkheid looneisen te stellen.

De gemiddelde levensduur was kort. Zuigelingensterfte en kindersterfte waren hoog. Tussen 1600 en 1750 stierf ongeveer de helft van het aantal geborenen voor het twintigste levensjaar. De slechte hygiëne was hiervan een belangrijke oorzaak. Daarnaast waren ook de arbeidsomstandigheden van invloed op de gemiddelde levensduur (zie hiervoor ook: Gezondheidszorg 1.1., 2.1., 2.2., 2.3.1.). Het was een uitzondering dat arbeiders ouder werden dan vijftig jaar.

Arbeidsongevallen kwamen veelvuldig voor en de omstandigheden waarin werd gewerkt, waren dikwijls ongezond. Van Braam schreef over de relatie tussen gezondheid en werkomstandigheden: 'De beschuitbakkers werkten in benauwde en bekrompen ruimten. Het stookmateriaal gaf een scherpe rook, die uiterst nadelig voor de gezondheid was. Tering en verscheidene andere long- en borstkwalen kwamen veelvuldig voor. De meel- en pelmolens, waar het erg stoof, waren ook niet bevorderlijk voor de gezondheid, net zomin als de verf- en blauwselmolens. De houtzaagmolens, waarin arbeiders de hele dag op de trek stonden, gaven aanleiding tot vele gevallen van longontsteking en tbc. In de oliemolens waren de omstandigheden ook zeer ongunstig. Doofheid kwam ten gevolge van het stampen van de heien veelvuldig voor. De bekrompen stijfselhuizen waren nesten van ongezondheid.

De zeelieden vormden een aparte groep. Als zij aan wal vertoefden moesten zij het minste werk dat er te krijgen was (zoals dijk- en polderwerk) accepteren. De lage gages voor zeevarenden dwongen hen daartoe. Op zee liep men het risico 's lands vijanden of zeerovers tegen te komen. Tijdens zeereizen kregen de zeelieden te maken met extreme weersomstandigheden: kou tijdens de Oostzee- of walvisvaart (met daarbij ook het risico ingevroren te raken), hitte tijdens de tochten naar de Oost. Vooral tijdens hitte werd water ondrinkbaar en rotte het voedsel. Het Wormerveerse scheepsbeschuit was wat dat laatste betreft een uitkomst. Het scheepsbeschuit was echter wel zeer eenzijdig; scheurbuik (ten gevolge van gebrek aan vitamine C) kwam veelvuldig onder zeelieden voor. De walvisvaarders moesten in betrekkelijk kleine scheepjes op de kolossale zeezoogdieren jagen, hetgeen niet van risico was ontbloot. De tucht aan boord van de schepen was streng. Als voorbeeld: een matroos die een andere varensgezel verwondde werd als straf met een mes door zijn hand aan de mast vast gespietst. Hij werd niet bevrijd maar moest zichzelf losrukken.

Al met al waren de omstandigheden waaronder matrozen hun inkomen verwierven in deze periode verreweg het slechtst. Enkel de zeer sterken overleefden meerdere tochten. Ondanks de hiervoor geschetste arbeidsomstandigheden kan met enige voorzichtigheid gesteld worden dat de situatie in de Zaanstreek in vergelijking met andere gebieden niet ongunstig was. De werkdagen waren lang, de gezondheidstoestand in bedrijven was abominabel, en de lonen waren laag. Maar er was tenminste veelal werk, terwijl dat elders lang niet altijd het geval was. Het feit dat er in de Zaanstreek in deze periode nauwelijks Bedelarij plaatsvond geeft wat dat betreft ook een aanwijzing.

Economische neergang (1750-1875)

Na 1750 wijzigde de economische situatie en daarmee de arbeidsomstandigheden) in de Zaanstreek zich dramatisch. Terwijl elders de economische neergang al vanaf circa 1660 duidelijk werd, wist de Zaanse economie zich nog goed te handhaven. Pas na circa 1725 werd ook in de Zaanstreek merkbaar dat er een einde aan de groei was gekomen. Doordat in deze periode ook de bevolkingsomvang van de Zaanstreek terugliep zou het nog een aantal decennia duren voor er werkelijk sprake was van achteruitgang. Maar in de tweede helft van de 18e eeuw ging het snel bergafwaarts.

Een dieptepunt in arbeidsomstandigheden dit tijdvak vormde de Franse tijd, die werd gekenmerkt door omvangrijke werkloosheid, diepe armoede, bedelarij, landloperij, bezitsconcentratie en het wegvallen van de economische middenklasse. Degenen die hun werk behielden moesten nog langere werkdagen maken dan in de voorliggende periode, en dat tegen een relatief geringere vergoeding. Maar ook voor hen waren er tijden dat er geen werk meer beschikbaar was. De bevolkingsomvang nam snel af. Velen werden afhankelijk van de bedeling (zie: wees- en armenzorg).

In 1807 leefde meer dan een kwart van de bevolking in Noord-Holland boven het IJ van de bedeling. Het economisch herstel dat zich landelijk in de tweede helft van de jaren '20 van de 19e eeuw inzette, ging de Zaanstreek voorbij. De industriële revolutie kwam in de Zaanstreek pas laat op gang. Zelfs tot ver in de 20e eeuw bleef een aantal bedrijven met windmolens produceren. Daardoor deden zich in de arbeidsomstandigheden weinig veranderingen voor.

Industrialisatie (1875-1930)

In het laatste kwart van de 19e eeuw gingen steeds meer Zaanse bedrijven er toe over om met behulp van stoomkracht te fabriceren. In de eerste decennia van de 20e eeuw zette deze tendens zich versneld voort. Ook in de fabrieken lieten de arbeidsomstandigheden aanvankelijk te wensen over. De aandacht voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers was gering; fabrieken werden slecht geventileerd en waren slecht verlicht. Maar met name op landelijk niveau kwam er bestuurlijk aandacht voor de arbeidsomstandigheden.

Fragmenten uit het vraaggesprek dat de enquête-commissie voerde met Cornelis Kamphuijs, stoomrijstpeller te Zaandam.
Vraag: Ons is gezegd, dat bijvoorbeeld de dagploeg werkt van 's morgens vijf, tot 's avonds negen uur; is dat zo?
Antwoord: Ik herhaal, dit zijn zaken van ondergeschikt belang, die ik, omdat ik een goeden baas (lees: bedrijfsleider, red) heb, aan dezen overlaat. (. . .)
Vraag: Meent gij, dat, waar de werkelijke arbeidsduur op zijn minst veertien uren bedraagt, de belangen van de arbeiders evenzeer behartigd worden, als die van den fabrikant?
Antwoord: Zeker. (- - -)
Vraag: Uit den aard van het bedrijf is het in den malerij zeer stoffig, niet waar?
Antwoord: Tamelijk. Het is stof van rijst en de arbeiders worden er door gevoed; het is eerder goed dan kwaad voor de gezondheid.

Vóór de arbeidsenquête van 1891 was er door de liberale regeringen al een aantal maatregelen genomen. Het bekendst is zonder twijfel het kinderwetje van Van Houten (1874), dat het begin van de sociale wetgeving vormde. Voorts werden de werktijden van vrouwen wettelijk geregeld en werd een zeer gedetailleerde veiligheidswet voorbereid. Ook de door de liberale politicus Goeman Borgesius voorgestelde arbeids-enquête duidt op toenemende aandacht voor sociale onrechtvaardigheid. De parlementaire enquête-commissie deed in 1891 de Zaanstreek aan en voerde hier ongeveer vijftig vraaggesprekken. In het verslag van de enquête-commissie werd de tekst van de interviews letterlijk afgedrukt. Een aantal conclusies over de Zaanse arbeidsomstandigheden kan aan de hand van de gesprekken worden getrokken:

  • kinderarbeid (door met name jongens) kwam veelvuldig voor;
  • vrouwenarbeid kwam slechts beperkt voor;
  • de lonen in de grote bedrijven lagen hoger dan in de kleine ondernemingen;
  • de werkdruk in de grote bedrijven was continu groot, in de kleine bedrijven werden drukke tijden door perioden van rust afgewisseld; overal werd nog langer dan twaalf uur per dag gewerkt;
  • het totale aantal uren per week kon oplopen tot negentig;
  • het loon werd wekelijks uitbetaald, betaling was niet meer afhankelijk van de grootte van de produktie (met uitzondering van de sjouwers die nog per dag werden ingehuurd en per last werden betaald, terwijl bij bijvoorbeeld werk aan een lopende band premies voor hoge produktie waren te verdienen).

Na (en mede als reactie op) de arbeids-enquête werd de sociale wetgeving versneld doorgevoerd. In 1895 werd de Veiligheidswet (die overigens reeds vóór de enquête in voorbereiding was) aangenomen, in 1901 volgde de Ongevallenwet, en in 1907 kwam de Wet op de Arbeidscontracten af. Niet alleen de overheid, ook de werkende klasse werd zich bewust dat slechte arbeidsomstandigheden te bestrijden waren.

Het socialisme, dat juist ook in de Zaanstreek een grote aanhang kreeg, zette zich in voor verbetering van de arbeidsomstandigheden. Dit streven bleef niet zonder resultaat. De liberale en in mindere mate de confessionele partijen zagen hun aanhang afnemen, en gingen zich als reactie daarop ook inzetten voor een beter arbeidsklimaat. De werktijden werden landelijk teruggebracht en de fabrieken werden aan hogere veiligheidseisen onderworpen.

Crisis en oorlog (1930-1945)

Ofschoon de verschillen gering waren was de Zaanstreek tijdens de crisis- en oorlogsjaren voor de arbeidersklasse een betere plaats dan het omringende gebied. Het werkloosheidspercentage in de Zaanstreek bleef in de crisisjaren onder het landelijk gemiddelde. In een aantal gemeenten waren het gemeentebestuur en al dan niet charitatieve maatschappelijke organisaties, de arbeidersklasse welgezind. Een deel van de werklozen kon profiteren van projecten als werklozen-volkstuinen of plaatselijke werkverschaffing. De gemeente Zaandam spande zich tot het uiterste in om haar werklozen buiten de landelijke werkverschaffing te houden. Zaandam wilde (uiteindelijk vergeefs) haar werkloze ingezetenen de ellende van een leven in houten keten, ver verwijderd van huis en haard, besparen. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog was de situatie in de Zaanstreek minder slecht dan in veel andere gebieden. Een flink aantal bedrijven kreeg het predikaat 'Kriegswichtig'. Het streven was deze ondernemingen zolang mogelijk in bedrijf te houden. Gaandeweg kwamen in de oorlog echter toch steeds meer bedrijven stil te liggen. Een aantal Zaankanters kwam in de 'Arbeitseinsatz' en werd in Duitsland te werk gesteld.

Na-oorlogse periode

De jaren na de Tweede Wereldoorlog werden wat de arbeidsomstandigheden betreft vooral gekenmerkt door een steeds grotere mate van centralisatie. De wederopbouw werd vanuit Den Haag geleid. In de jaren '50 en '60 kwam een groot aantal wettelijke regelingen tot stand die de arbeids- en leefomstandigheden van de arbeidersklasse verbeterden, zoals de Wachtgeldwet, de Werkloosheidswet, de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de Ziekenfondswet, de Wet op de Arbeidsongeschiktheid, en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. In 1965 trad de Wet Werkloosheidsvoorziening in werking, die geheel door het Rijk werd gefinancierd, terwijl de gemeenten de uitvoering kregen opgedragen.

Met al deze regels werden de arbeidsomstandigheden een wettelijk afgebakend terrein. De arbeidsinspectie was belast met de controle op naleving van de arbeidswetten en diende in te grijpen als deze werden overtreden. Gaandeweg (onder invloed van de veranderende omstandigheden) evolueerde deze overheidsdienst tot een instelling die niet in de eerste plaats naar excessen hoeft te speuren, maar die een functie heeft gekregen in de algemene zorg voor het sociale welzijn binnen ondernemingen.

Ger Jan Onrust

Literatuur:

  • A.Th. van Deursen, het kopergeld van de Gouden Eeuw I, het dagelijks brood, Assen, 1981;
  • I.J. Brugmans, Paardenkracht en mensenmacht, Leiden, 1983;
  • E. Hueting, F. de Jong Edz., R. Neij, Naar groter eenheid, Amsterdam, 1983;
  • P.C. Jansen, Nijverheid in de Noordelijke Nederlanden 1650-1780 (in: Algemene geschiedenis der Nederlanden, deel 10), Haarlem, 1981;
  • W. Klinkenberg, Adieu Zaandam, Zaandam, 1975;
  • A.M. van der Woude, Het Noorderkwartier, Utrecht, 1983;
  • A. van Braam, Westzaandam in de tijd van de Republiek, Zaandam, 1978;
  • A. van Braam, Bloei en verval van het economisch-sociale leven aan de Zaan in de 17de en 18de eeuw, Wormerveer` z.j.
  • arbeidsomstandigheden.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/04/29 21:06
  • door 109.128.149.173