wees

Materiële en/of financiële ondersteuning aan wezen en/of armen. De Zaanstreek, hoe welvarend ook geweest, heeft altijd een flink aantal armlastigen gekend. De ondersteuning van de minvermogenden was tot aan de 20e eeuw vooral een zaak van de kerkelijke en burgerlijke caritas geweest. Daarin verschilde de Zaanstreek niet van het omringende gebied.

De grootste verschillen met andere gebieden traden op in tijden dat er veel onderscheid was in de economische welstand tussen de verschillende gebieden. In het algemeen kan gesteld worden dat de Zaanse economie ruim werkgelegenheid bood en dat daardoor de omvang van de armoede geringer was dan elders. Centraal in de armenverzorging van de 17e tot en met de 19e eeuw stond de bepaling van de geboorte- of vaste woonplaats. Gemeenten eisten van binnenkomende personen een attestatie, een verklaring dat deze personen, indien zij tot armoede zouden vervallen, onderhouden moesten worden door hun oude gemeenschap. Bedelarij en landloperij waren ten strengste verboden. Daar werd hard tegen opgetreden. Armoede trof vooral de jongsten en de oudsten van een gemeenschap, de mensen die niet voor zichzelf konden zorgen. In de Zaanstreek was de zogenaamde uitgebreide familie een weinig voorkomend verschijnsel. Ouders, kinderen en kleinkinderen woonden meestal gescheiden van elkaar. Jonge kinderen, nog thuiswonend, droegen vaak wel bij tot het inkomen van de familie, maar het was geen regel dat volwassen kinderen hun ouders onderhielden.

Armoede was zowel een structureel als een conjunctureel verschijnsel. Structureel was de groep der weeskinderen, vondelingen, alleenstaande vrouwen en minvermogenden, niet meer tot werk in staat zijnde ouderen. Tot de conjunctureel armen behoorden voornamelijk de seizoenarbeiders, de ongeschoolden, de knechten en hun families. In de winter waren er altijd veel meer armen dan in de zomer. Tijdens oogsttijd was er soms een tekort aan arbeidskrachten.

De weeskinderen kwamen terecht in de weeshuizen. Deze waren vroeger vaak niet voor iedereen bestemd. Wilde men een kind in het weeshuis opgenomen zien, dan moest meestal tenminste een van de beide ouders een bepaald aantal jaren in de plaats waar het weeshuis stond, gewoond hebben. Kinderen, ondergebracht in een algemeen van overheidswege gesticht stedelijk of dorpsweeshuis, werden in de 17e en 18e eeuw opgevoed in het hervormde geloof; een gevolg van het verband dat er tot 1795 bestond tussen overheid en hervormde kerk. Vandaar dat de verschillende andere geloofsgenootschappen ernaar streefden eigen weeshuizen op te richten. Zo kwamen in de Zaanstreek, waar van oudsher veel doopsgezinden woonden, diverse doopsgezinde weeshuizen tot stand.

Wees- en armenhuizen kwamen dikwijls tot stand dankzij legaten; de kerk ontving dan uit een erfenis een gebouw en/of een grote som gelds. In de legaten was soms bepaald hoe de gelden/gebouwen gebruikt moesten worden. Deze voorschriften handhaven was niet altijd mogelijk. Het is zelfs voorgekomen dat door een schenking opgezette projecten na verloop van tijd in grote financiële moeilijkheden raakten, waardoor het weeshuis opgedoekt moest worden. Andere redenen tot opheffing van een weeshuis waren het in verval geraken van het gebouw of het ontbreken van weeskinderen.

In 1783 verloor Krommeniehorn het wees- en armenhuis, doordat de brandweer het te brandgevaarlijk achtte. In 1900 werd het armenhuis aan het Oosteinde te Wormer afgebroken wegens de bouwvallige staat waarin het verkeerde. De ontvolking van de weeshuizen speelde vooral aan het einde van de 19e eeuw, en daarvóór al in de Franse tijd, toen weesjongens uit de huizen werden gehaald om dienst te doen in de Napoleontische legers.

Om gebruik te kunnen maken van de armenzorg moest men aan een aantal voorwaarden voldoen. Reeds genoemd zijn de bepalingen dat men autochtoon en lidmaat van de kerk moest zijn. De kerkdiensten moesten zo vaak als maar enigszins mogelijk was bezocht worden. Men moest een godvruchtig leven leiden. Er werd niets beschikbaar gesteld als men door eigen schuld tot de armste stand was gaan behoren. Alcohol-misbruik was geheel uit den boze. Indien men betrapt werd op bedelarij, werd men voorgoed uit de armenzorg gehaald. In 1776 mochten gealimenteerden in de banne van Westzanen geen honden bezitten, op straffe van intrekking van de steun.

De eerste regelmatige alimenteringen in de Zaanstreek moeten aan het begin van de 17e eeuw gedaan zijn. Loosjes schreef over deze periode: 'Hoe zeer de welvaart te Zaandam doorgaans bloeide, ontbrak het nochtans aan geen armen, voor welke men op tweevoudige wijze zorg droeg.' Diakenen van de kerk voorzagen in de zorg van de 'behoeftige ledematen' en de armenvoogden hadden het toezicht op de dorpsarmen. In het jaar 1631, vervolgde Loosjes, 'wees het totale aantal armen, door duurte en neringloze tijd, op dit dorp, niet weinig aan.'

Doordat ouders van jonge kinderen in deze tijd overleden en te weinig geld voor hun kinderen nalieten, werden de burgemeesters, schepenen en vroedschappen tot actie gedwongen. Zij verzochten vrijwaring van alle belastingen voor een op te richten weeshuis, kregen die, en richtten een huis aan het Fransepad in. Dit huis was bestemd voor de wezen van zowel Oost- als Westzaandam, maar al spoedig kwam een scheiding tot stand, waardoor het aantal beschikbare plaatsen werd vergroot.

Gemiddeld bood een weeshuis plaats aan maximaal circa 30 kinderen. In economisch slechte tijden zullen in de hele Zaanstreek zo'n 500 kinderen in de weeshuizen opgenomen zijn. In tijden van voorspoed zullen tenminste 250 kinderen in de weeshuizen hebben gezeten. Zie voor een overzicht van de Zaanse weeshuizen: Weeshuis. Een weeshuis was een strenge instelling voor de inwoners. Een binnenvader en binnenmoeder hielden toezicht op de orde binnen het huis. Zij straften de kinderen, verdeelden het eten en bepaalden zodoende het leven van de kinderen in hoge mate. Binnenvader en -moeder stonden op hun beurt onder controle van de weesvaders en armenvoogden, die door de kerk of door het dorpsbestuur waren aangesteld. Zij vervulden daarmee erebaantjes. Zij deden de inkopen voor het weeshuis. Goederen, die niet alleen voor het weeshuis waren maar ook voor verdeling onder de armen, werden vaak via het weeshuis gedistribueerd. Belangrijke inkopen werden niet aan de weesmeesters overgelaten, maar waren een zaak van het kerkbestuur of burgemeesters, schepenen en vroedschappen.

De weesvaders waren verenigd in weeskamers. Dit was het college waarin alle beslissingen genomen werden. Solliciterende binnenvaders en -moeders moesten bijvoorbeeld bij dit college hun getuigenissen overleggen. Vaak was er in het recht- of raadhuis een speciale weeskamer ingericht. Kinderen werden niet zomaar toegelaten tot de weeshuizen. Eerst werd altijd bekeken of het kind bij naaste familie ondergebracht kon worden. Was dit niet het geval, dan werd gekeken of er een andere familie was die het kind in het gezin wilde opnemen. Deze uitbesteding werd vaak geldelijk ondersteund door het armenbestuur. De kinderen waren afhankelijk van de luimen van hun pleegouders. Niet zelden werden wezen bij hun pleegfamilie vandaan gehaald, om weer bij anderen geplaatst te worden.

Dat het leven op zo'n manier geen pretje was, laat zich raden. Het percentage zelfmoorden onder wezen en andere alleenstaande arme personen lag dan ook hoog. Uitbesteding was, voordat er weeshuizen waren, de enige manier om de kinderen onderdak te krijgen. Pas na de instelling van de weeshuizen verbeterde de situatie voor de wezen enigszins. Overigens golden binnen een weeshuis strenge regels en overtredingen werden gewoonlijk zwaar gestraft.

Weeskinderen hadden recht op scholing, die echter van korte duur was. Tot ongeveer hun 10e jaar konden zij naar de dorpsschool, maar verdere scholing moest op het werk plaatsvinden. Zij werden vaak uitbesteed bij een baas. Deze betaalde een karig loon aan het weeshuis en voorzag het kind van voedsel. Jongens deden handwerk en bleven intern. Een deel van de meisjes ging het weeshuis uit; zij werden 'dienstmeiden voor dag en nacht'. Andere meisjes, bijvoorbeeld naaisters, bleven ook intern.

Het voedsel voor de kinderen en hun binnenouders was eentonig. Roggebrood, zoetemelkse kaas, erwten en bonen, soms gezouten spek, weinig groente, vrijwel geen fruit, soms vis of vlees. Het ziekte- en sterftecijfer lag hoog. Wezen bleven in de ogen van de weeshuizen vrij lang kinderen. Om uit het weeshuis te komen moest men zo tussen de 18 en 23 jaar oud zijn, een goed praktiserend lid van de kerk zijn en in staat zijn om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Bij het verlaten van het weeshuis moest dikwijls een bepaalde som geld overhandigd worden, het bedrag dat het kind verdiend had in zijn/haar baan en niet had hoeven af te staan, want hun verdiensten kregen zij nooit zelf in handen. Wel ontvingen zij op zondag hun 'Sondagsgeld' of 'Sondagsduijt'.

De kinderen mochten bij hun vertrek uit het weeshuis hun kleren meenemen. De meisjes kregen als zij met toestemming van de voogden weggingen een bruidsschat mee. De geschoolde jongens kregen hun gereedschappen mee, maar moesten daarvoor betalen. Sommige weeskinderen verbleven meer dan 20 jaar in het weeshuis. Een niet geïnstitutionaliseerde vorm van zorg was de burenhulp. Voor zover de financiële armslag van de naast wonenden dat toestond, was men moreel verplicht te doen wat men kon voor tot armoede vervallen buren.

Voor armen waren er, naast de terugkerende verdelingen die het armbestuur liet plaatsvinden, twee instellingen, waar men voor inkomen (gedwongen) terecht kon: het spinhuis en het rasphuis. De Zaanstreek heeft nooit een rasphuis gehad, maar er hebben meerdere spinhuizen in de Zaanstreek gestaan. Assendelft en Krommenie hebben lange tijd zo'n instelling binnen de dorpsgrenzen gehad.

Zaandam kreeg in de 19e eeuw een spinhuis, dat echter niet lang functioneerde. Begonnen in 1819 met 30 kinderen van gealimenteerden, bleek al snel dat men toch niet op kon tegen de opkomende toepassing van stoomenergie. De twee huizen in Krommenie en Assendelft waren beide 17e-eeuws. Assendelft heeft tot ver in de 19e eeuw constant aan werkverschaffing gedaan voor bedelaars, armen en weeskinderen. Het Krommenieër spinhuis heeft het kennelijk niet tot de 19e eeuw volgehouden. In 1801 deden althans twee Krommenieër notabelen een dringend verzoek tot heroprichting van het spinhuis. Aan dat verzoek werd niet voldaan.

Met de aanvaarding van de Wet op het Armbestuur (1800) leek het erop dat het oude systeem van de wees- en armenzorg zou komen te vervallen. De wet werd echter niet uitgevoerd omdat de kosten te hoog waren. Overigens werd in deze periode ook zonder wijzigingen al 60 procent van de dorpsinkomsten aan de armen besteed. Het was een tijd waarin men zeer streng de hand hield aan het vestigings-principe: ondersteuning voor slechts de eigen inwoners.

Over de omvang van de armoede zijn de bronnen zeer schaars. In 1795 leefde 68% van de Zaandamse bevolking onder het bestaansminimum. Dat percentage is hoog, maar geeft over dat jaar een reëel beeld van de Zaanse situatie. In aanmerking genomen dat 1795 een slecht jaar was, kan zeker gesteld worden dat een kwart tot de helft, in de winter meer, van de Zaanse bevolking tussen 1600 en 1850 onder de armoedegrens viel. De sociale zorg was in vroeger tijd dan ook de grootste zorg van bestuurders van gemeenten en kerkgenootschappen. Vanaf de Franse Tijd kwamen andere organisaties op, die het lot van armen probeerden te verzachten. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen is het bekendste voorbeeld. Ook de instelling van de armenscholen (zie: Onderwijs) in 1818 moet genoemd worden. Dat gebeurde op aangeven van Den Haag.

De rijksoverheid zorgde nadien voor meer veranderingen. In 1854 werd de Armenwet aangenomen, waardoor de regering de armenvoorzieningen meer naar zich toetrok. Vele wetten die betrekking hadden op het armenprobleem zouden volgen. In de 20e eeuw kwam een nieuw fenomeen om de hoek kijken: de werkverschaffing. Arbeiders ontvingen slechts steun mits zij zwaar landwerk verrichtten (zie: Crisis jaren '30). Deze gehate diensten werden door de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog voortgezet. Vanaf 1945 werd de ondersteuning van de armen en wezen steeds meer gecentraliseerd. Inmiddels zijn alle gemeenten afhankelijk van in Den Haag genomen besluiten.

Literatuur:

  • Oosterbaan, De kerk in het midden;
  • Verkade e.a. Zaandam 150 jaar stad;
  • De Jong/Schipper, Gebouwd in de Zaanstreek;
  • Loosjes, Beschrijving van de Zaanlandsche dorpen;
  • Mol, Uit de geschiedenis van Wormer;
  • Tip, De Geschiedenis van Westzaan;
  • Roovers, Onvoltooid verleden;
  • Visser, Zeven eeuwen Krommeniedijk;
  • Schilstra e.a.. De polder Oostzaan;
  • Statuten vereniging 'Het werkhuis', Zaandam;
  • Neuhaus, Wormerveer;
  • Kerssens, Van vleethuis tot parochiekerk;
  • Lootsma, Historische studiën over de Zaanstreek, deel II.
  • wees.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/03 06:50
  • door 207.46.13.48