bon

Verouderde uitdrukking, ook in de streektaal, voor een deel van een kast. Voordat in de 17e en 18e eeuw de eenpaneelskasten, waarachter legplanken waren aangebracht, in zwang kwamen, bestonden kasten meestal uit drie tot zes afzonderlijke delen, elk met een deurtje afgesloten. In een 16e-eeuwse inventaris staat bijvoorbeeld vermeld: “spijntgen. hangende in het voorhuys, waarin een bovenste bon, een middelste bon en een onderste bon` (Hoorn, 1593). In een andere inventaris (Leiden, 1616) is sprake van een linnenkast met zes bonnen. In Zaanse boedelinventarisssen werden deze bonnen, in de zin van vakken in kasten, ook regelmatig genoemd: wellicht door de betrokkenheid met de scheepvaart werden ze soms naar de windstreken onderscheiden: `een Wester- en een Oosterbon, alsmede een onderbon en een uithaa1` (Oostzaan, 1708). Met 'bon` werd dus een deel van een groter geheel aangeduid. Zo waren ook de steden verdeeld in bonnen, dat wil zeggen wijken. Dr. G.J. Boekenoogen vermeldde in “'De Zaanse Volkstaal` dat een deel van een dijk of een polder en een houten looppad door het land eveneens als bon bekend stonden.

  • bon.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/02/13 11:31
  • door corrie