hart_en_de_zwaan

Oliefabrieken te Zaandam, in de jaren '60 van de 20e eeuw verdwenen. De grondslag voor het bedrijf werd gelegd door Adriaan Honig Cz., die na het overlijden van zijn vader Cornelis Honig Cz. de molens Het Pink en De Kieft te Koog erfde. Hij begon hiermee in 1872 onder de naam firma Adriaan Honig Cz. voor eigen rekening te werken. Door zijn grote energie en door de toenemende vraag naar geproduceerde koeken was hij in staat de zaak uit te breiden tot zes molens in 1882. Met 36 man personeel werd toen gemiddeld 47.000 kg lijnzaad per week verwerkt, een productiviteit van 14 kg per man-uur. Eén van de molens was De Witte Zwaan.

In verband met diens gunstige ligging aan de Zaankant van de Westzijde te Zaandam, nabij de spoorbrug, werd deze uitgekozen om te worden verbouwd tot een door stoom aangedreven heifabriek. De houten schuren aan de Zaan verving men door een gemetseld pakhuis dat de naam Bombaij kreeg.

Toen de fabriek in 1888 in bedrijf kwam kreeg deze de naam Het Hart. Deze naam was afkomstig van de molen aan de Kalverringdijk, die toen De Wind ging heten. Aan de twee voorslags- en vier naslagsheien werkten 24 man; zij versloegen per week 62.500 kg zaad en 36 kg per man-uur.

In 1893 werd een deel van de installatie vervangen door enkele hydraulisch werkende zogenoemde Belgische Velgenpersen. Hiermee konden 40 man 166.000 kg zaad verwerken, 57 kg per man-uur. Vijf jaar later kwam een forse uitbreiding tot stand met de fabriek De Zwaan, het pakhuis Eben Haezer en een oliehuis. Er werd een aantal Belgische- en etagepersen in opgesteld. Het bedrijf kreeg ook een nieuwe naam: Firma Oliefabrieken Het Hart en De Zwaan, voorheen Adriaan Honig.

In 1908 volgde de bouw van het pakhuis Rehoboth en werd aan de overzijde van de Westzijde grond aangekocht. De derde fabriek Zwaan II verrees in 1910 en werd met kuippersen ingericht. Tenslotte werd in 1917 het laatste stuk grond aan de Zaan volgebouwd met de wringerfabriek Uerdingen.

In 1912 verdween de stoommachine, omdat men overging op elektrische energie. In 1914 werd het bedrijf voortgezet als nv. In 1928 was er 74 man in dienst, waarvan 57 in de directe drieploegendienst van de productie. De verwerking toonde de volgende cijfers: kuippersen 150.000 kg (148 kg per man-uur); etagepersen 230.000 kg (270 kg); wringers 150.000 kg (520 kg). In totaal was dat 530.000 kg zaad per week bij een gemiddelde productiviteit van 200 kg per man-uur.

In de jaren 1932- 1934 werd het productie-apparaat gereorganiseerd en gemoderniseerd. De wringerfabriek bleef bestaan, maar werd uitgebreid met meer machines waaronder een voor de nog ontbrekende eerste slag. In de overige panden werd één grote ruimte uitgebroken en men koos voor de inrichting met uitsluitend de gemakkelijk te bedienen etage- of Anglo-Amerikaanse persen voor de naslag en een groep wringers voor de voorslag. Echte lichamelijke arbeid werd nog slechts verricht bij het insteken en het uittrekken van de koeken bij de persen en bij het wegrijden en stapelen ervan in het pakhuis. In de transporten werden enkele zelf ontwikkelde octrooien toegepast.

Gedurende het vernieuwingsproces slaagde men er in de productie op peil te houden en zelfs wat te vergroten. Zo ontstond een in de bedrijfstak als uniek te beschouwen persinstallatie. Belangrijk lagere loonkosten, een ruim verdrievoudigde productiviteit, een bijzonder goede olie-opbrengst en zeer geringe verwerkingsverliezen waren het resultaat.

De wringerfabriek sloeg 250.000 kg, de perserij 650.000 kg per week. Samen met Het Hart was de productie op 1.000.000 kg per week gekomen. Tot dan toe had men zich alleen bezig gehouden met het verwerken tot ruwe olie en koek, met name van lijnzaad. De marge bleek ondanks de reorganisatie toch niet bevredigend te zijn. Daarom ging men over tot verdere bewerking tot meerwaardige artikelen.

In 1936 kwam de lijnoliestokerij Bisoline van de grond. De naam is afgeleid van sneldrogende lijnoliesoorten, die volgens een verworven Duitse licentie werden gestookt. Tevens kocht men in Koog de veevoederfabriek A. Nieuwkamp op. Deze werd gemoderniseerd ondergebracht in een nieuw pand naast en achter het vroegere kantoor van de Oliefabrieken aan de Dubbele Buurt in Koog. De productie omvatte nu naast ruwe olie en koeken: gebleekte, gekookte en geblazen olie of Bisoline, standolie en op den duur ook laagwaardige alkydharsen. Aan de koekenkant waren het lijnmeel, murwe lijnkoeken, schilfers en mengvoeders in allerlei vorm.

De afzet was op de binnenlandse markt gericht, op de verf-, lak-, drukinkt-, linoleum en kunststoffenindustrie. De koeken en mengvoeders vonden hun weg naar de fouragehandel en coöperaties.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam de productie binnen de activiteiten van het Bedrijfschap MVO weer op gang. Het onderling door de oliefabrikanten vastgestelde slagloon voor de verwerking van het ingevoerde zaad bleek dankzij het efficiënte productieapparaat zeer gunstig uit te vallen. Er kwam echter niet voldoende lijnzaad beschikbaar om de fabriek daarop draaiend te houden. Daarom moesten er ook andere zaden met een hoger of lager vetgehalte geslagen worden.

Toen de overheidsmaatregelen tot steun werden opgeheven ging men met verlies werken. In 1960 nam Dagra nv de aandelen over. Enkele jaren daarna werd de productie in Zaandam gestaakt. De heer Adriaan Honig werd opgevolgd door zijn zoons Cornelis Adriaan, mr. Albertus Jacobus en later Adriaan Nicolaas. De derde generatie leverde de directeuren Adriaan A.Jzn Honig en Gerhard Carel ANzn Honig.

In de oorlogsjaren werd de aanzet gegeven tot het fabriceren van kunstharsen op lijnoliebasis voor de verfindustrie, door de oprichting van Adriaan Honig`s Kunsthars Industrie nv in 1940. Men kwam in contact met de Billiton Mij en maakte de afspraak de zaak groot op te zetten op 50/50 basis. In 1948 sloot men een licentie-overeenkomst met de Amerikaanse Hercules Powder cy. met deelname in het kapitaal.

Deze samenwerking werd in 1951 weer verbroken. In 1958 nam Billiton de resterende aandelen van de familie Honig over en wijzigde de naam in Zaanchemie. Via Unilever kwam de zaak in handen van Scado, die de Zaanse productie tenslotte naar zijn vestiging in Emmen overbracht.

De heer J.J. van Nieuwburg, die door de Oliefabrieken als fabriekschef was aangetrokken voor de reorganisatie van het bedrijf, heeft zeer veel bijgedragen voor het tot stand komen en de ontwikkeling van de Kunstharsindustrie en daarin jarenlang een directiefunctie bekleed. De panden van het Hart en de Zwaan bleven tot in 1989 aanwezig, in steeds slechtere staat. In 1989 werden zij tenslotte gesloopt, op het fabrieksterrein zijn door een projectontwikkelaar vervolgens lagere bedrijfseenheden gerealiseerd.

A.J. Honig

  • hart_en_de_zwaan.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/10/25 13:19
  • door kelvin