opstand_1813

Ernstige ongeregeldheden in de Zaanstreek, voornamelijk in Zaandam, tegen de Franse Conscriptie; het oproer eindigde met het fusilleren van zes vermeende leiders. Aanleiding was de extra conscriptie die in 1813 aan het Hollandse volk werd opgelegd. Alle mannen tussen de 20 en de 40 jaar, ook de getrouwde, moesten zich laten inschrijven, een aantal jongens van welgestelde ouders diende zich bovendien aan te melden voor een erewacht. De gemoederen liepen hoog op.

Toch werd in Wormerveer en Koog aan de Zaan nog zonder moeilijkheden een inschrijving gehouden. Doordat men in Koog aan de Zaan niet op één dag gereed kwam, zou ook de volgende dag, 21 april, nog worden ingeschreven. Dat was de dag waarop in Zaandam het bureau open zou zijn. In de nacht van 20 op 21 april werden plakkaten opgehangen met de dringende raad zich niet te laten inschrijven, omdat anders plundering en vervolging, zo niet de dood, zou volgen. Commissaris Quack kwam 's morgens met twee dienders bij de Oostzijderkerk aan. Het was er toen al druk en er ontstond luidruchtig leedvermaak doordat het sleutelgat van de kerkdeur met stopverf was dichtgesmeerd. Toen de deur eindelijk open was, stroomde de kerk vol.

Ondanks verzet van De Quack werd de klok geluid. Bevreesd voor ernstige relletjes stelden maire Göbel en commissaris de Quack de inschrijving uit, waarna het volk de lijsten opeiste. Jacob Rek, die als leider van de opstand bekend bleef, nam ze in ontvangst. Besloten werd ook de lijsten van de andere Zaanse dorpen op te eisen. Iedereen die men op de tocht naar de inschrijvingsbureaus tegenkwam, werd gedwongen het werk neer te leggen en mee te gaan.

In Koog aan de Zaan, Zaandijk en Wormerveer werden de inschrijvingslijsten bemachtigd, in Zaandijk maakte men verder ook nog 100 geweren buit. Uitgezonderd de lijst van Assendelft, die al per koerier was weggestuurd, waren alle Zaanse lijsten 's avonds in het bezit van de opstandelingen.

De geweren werden uitgedeeld onder de bevolking, gendarmen en douanes werden vervolgens ontwapend. 's Nachts werd een scheepje met zes gendarmes door inderhaast ingestelde wachten aangehouden. Een naar Zaandam gezonden kanonneerboot bleef ver weg en zond de 22e april een delegatie naar de volgepakte Dam met de opdracht tot onderhandelen.

Göbel en Rek vertrokken dezelfde avond naar de kanonneerboot, waarop Rek een waarschijnlijk door Göbel opgesteld verslag ondertekende. Zij kregen te horen dat er nog dezelfde avond een lijst met de namen van twaalf mannen voor de Nationale Garde moest worden ingeleverd. Hoewel het volk er op aandrong niet aan die opdracht te voldoen, wist Rek de orde te bewaren.

's Avonds bleek Göbel opeens spoorloos, waarna de raad besloot nogmaals een delegatie naar de kanonneerboot te zenden. De commandant van het schip zegde na onderhandeling toe direct te zullen vertrekken op voorwaarde dat het volk zich verder ordelijk zou gedragen. Aangezien inmiddels duidelijk werd dat de opstand niet oversloeg naar Amsterdam, waar men in de Zaanstreek de hoop op had gevestigd, werden maatregelen daartoe genomen. De gendarmes en douanen werden vrijgelaten en het zag er naar uit dat de al aangekondigde bezetting door 2000 soldaten voorkomen was.

De dag daarna, 23 april, bleef het in Zaandam rustig, al lagen er korte tijd twee kanonneerboten op de Zaan. De lijsten werden teruggezonden en men begon zelfs de bemachtigde geweren in te zamelen. Op 25 april kreeg commissaris de Quack het verzoek naar een der boten te komen. Hij diende een verslag te geven van de opstand en kreeg te horen dat generaal Molitor met troepen onderweg was. Inderdaad werden er nog voor het einde van de ochtend 1500 soldaten ontscheept.

Zeven vermeende leiders van de opstand werden 's avonds gearresteerd, twee anderen ontkwamen. Hoewel men nog hoopte op een milde straf werden de zeven;

  • Willem Kruyshaar,
  • Cornelis Wynstra,
  • Barend Seglis,
  • Theodorus de Vries en
  • Barend Jansz. Smit

voor de krijgsraad gebracht. Smit werd vrijgesproken, de andere zes werden schuldig bevonden aan het vergrijp van openlijke geweldpleging tegen de macht. Daarop stond de doodstraf en verbeurdverklaring van al hun bezittingen.

's Middags na het vonnis werden zij op de Burcht geëxecuteerd. De troepen bleven nog enkele dagen in de Zaanstreek. Na de bevrijding werd aan de weduwen van de geëxecuteerden een jaargeld toegekend. Cornelis Johan Kieviet beschreef de gebeurtenissen uitvoerig in het jongensboek In den Otter1). De namen van de zes leven voort op het monument van het Verzetsplantsoen aan de Savornin Lohmanstraat in Zaandam. Bovendien dragen zes straten de namen van de omgekomenen.

Literatuur:
  • J. Honig Jsz. Jr., Geschiedenis der Zaanlanden, Haarlem 1849;
  • F. Mars, Uit de eerste levensjaren van de stad Zaandam, in: Zaandam 150 jaar stad, Zaandam 1962.

  • opstand_1813.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/18 12:03
  • door jan