schaatsenrijden

Volkssport, tegenwoordig uitsluitend als vermaak of sport beoefend, in het verleden een belangrijk (winters) vervoermiddel. Schaatsenrijden ontstond vrijwel zeker in Scandinavië, waar het reeds in de 10e eeuw wordt vermeld. Van daaruit verspreidde het zich verder over Europa. Schaatsen kan (ondanks de Scandinavische oorsprong) typisch Nederlands worden genoemd.

De Scandinavische schaats (een houten sneeuwschoen, die zowel op ijs als op sneeuw dienst kon doen) voldeed op de lange gladde ijsvloeren van de Nederlandse sloten minder goed. Reeds in de 12e eeuw bond men zich botten onder de voeten om zich sneller te verplaatsen. Dit rijden op botten (vermoedelijk het eerst in Friesland) handhaafde zich tot in de 18e eeuw, toen ook ijzeren schaatsen reeds lang bekend waren (vanaf de 14e eeuw). Het bottenrijden wijkt sterk af van het schaatsen zoals dat tegenwoordig bekend is, om zich snel te kunnen verplaatsen moest men gebruik maken van prikstokken.

Schaatsenrijden in de 19e eeuw op de Zaan, Wormerveer. Detail van een litho naar een tekening van De Howen.

De eerste ijzeren schaatsen werden vermoedelijk op het platteland gemaakt, mogelijk in samenwerking tussen de smid (het ijzer), de timmerman of klompenmaker (het hout) en de wagenmaker of schoenmaker (de riempjes) van het dorp. Feit is dat schaatsen op het platteland (en ook de Zaanstreek behoorde daartoe) eeuwenlang in een dergelijke samenwerking werden gemaakt.

Apart

In de steden vormden de schaatsenmakers een aparte beroepsgroep (met in Amsterdam reeds aan het begin van de 16e eeuw een gilde). Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw kwamen steeds meer de in fabrieken gemaakte schaatsen in trek. De eerst berichten over schaatsenrijden in de Zaanstreek dateren uit de Spaanse tijd. De Spaanse troepen, die zich in Noord-Holland wilden vestigen of hadden gevestigd werden zwaar bestookt, in de Zaanstreek met name door de vrijbuiters.

Gebruikelijk deden zij dat met behulp van kleine bootjes. Als er ijs lag zullen zij hun strijd op de schaats hebben gevoerd. Ook de Spanjaarden maakten gebruik van de voordelen van het schaatsenrijden, of lieten daar in ieder geval gebruik van maken. In 1575, toen het zeer hard vroor, kwam het volk van het onder Spaanse invloed staande Assendelft op de schaats tot aan Graft, waar het werd afgeslagen (H. Soeteboom).

Lambert Melisz

In 1577 gaf prins Willem van Oranje schaatsen aan zijn soldaten, die streden bij het ontzet van Haarlem. De bekendste Zaanse schaatsenrijder is zonder twijfel (de man die bekend staat als) Lambert Melisz. Hij wist, toen op 19 februari 1574 de Spanjaarden zijn dorp Westzaan plunderden en verwoestten, zijn moeder op een slee voortduwend of -trekkend, op de schaats naar het Westfriese Hoorn te ontkomen.

Een volgende vermelding van Zaanse schaatsenrijders stamt uit 1676, toen Claes Aris Caescoper en drie andere inwoners van Koog aan de Zaan een Noord-Hollandse twaalfstedentocht reden. Het voor het vermaak rijden van tochten was in de 18e eeuw zeer gebruikelijk. Aafje Gijsen maakte onder meer melding van een tocht naar Beverwijk (1773) en Nauerna (1774). Jan van Vleuten maakte aan het einde van de 18e eeuw melding van tochten naar Alkmaar.

Niet lang nadat de Spanjaarden uit Noord-Holland waren verdwenen begon de ontwikkeling van de Zaanstreek als industriegebied. De verschillende Zaanse dorpen lagen geïsoleerd in het drassige en door sloten doorsneden Zaanse veengebied. Men was vrijwel volledig aangewezen op verkeer over het water en bij vorst over het ijs. Daartoe maakten de Zaankanters in de winters wel gebruik van ijsschuitjes en arrensleden. Zie: IJsvermaak.

Behalve met ijsschuitjes kon vervoer ook plaatsvinden met door schaatsenrijders voortgeduwde of getrokken transporten, met name de houtsleden zijn bekend. Deze wijze van vervoer wist zich vele eeuwen te handhaven. Zelfs tijdens de strenge winters van de jaren vijftig van de 20e eeuw, waren er nog transporten met sleden over de Zaan.

Hardrijden

A1 vroeg werden op de schaats ook hardrijwedstrijden gereden. Fragmenten uit het Haerlems Oudt Liedt Boeck uit de 16e eeuw wijzen daar al op en vanaf de 18e eeuw werd met regelmaat hier melding van gemaakt. De eerste wedstrijden waren altijd kortebaanwedstrijden, zodat het publiek vanaf een beschutte plek bij de herberg de wedstrijden kon volgen. Vanaf het einde van de 19e eeuw stapte men allengs (in Friesland het laatst) over op de langebaanwedstrijden. Ofschoon de wedstrijden op de korte baan zich ook bleven.

Tot ver in de 20e eeuw kwamen de beste Nederlandse schaatsers uit Friesland, uit welke provincie overigens ook nadien vele kampioenen zijn voortgekomen. De hardrijwedstrijden werden in de 19e eeuw 'om spek en bonen' georganiseerd. De organisatoren hielden hier soms een aardige recette aan over, die dikwijls ter beschikking werd gesteld aan de armen. Armen namen ook deel aan de wedstrijden in de hoop een prijs - levensmiddelen - te winnen.

Er zijn overleveringen die melding maken van de deelname van stokoude stakkers aan de wedstrijden. 'Het was een allerlevendigste rijderij, die voor en na ook bijzonder komische taferelen opleverde, ingezonderheid waar zovelen een kruk op de schaatsen bleken te zijn en daardoor tot luide vrolijkheid aanleiding gaven', schreef een getuige van een (niet gelokaliseerde) wedstrijd. Vaak lieten de armen plaatsvervangers voor zich rijden. Ook stelden welgestelde prijswinnaars hun gewonnen levensmiddelen aan armen beschikbaar.

Vanaf het einde van de 19e eeuw verdween dit soort wedstrijden gaandeweg, ofschoon er tot in de jaren veertig van de 20e eeuw nog spaarzame vermeldingen van worden gevonden. In de Zaanstreek werden dergelijke wedstrijden onder meer georganiseerd door de Zuider IJsclub (Assendelft, opgericht 1870, later gefuseerd), IJsvereniging Thialf (Zaandijk, 1876, later gefuseerd), de Jisper IJsclub (1879).

Regels

De regels voor en de te rijden afstanden bij wedstrijden verschilden nog al eens. Vanaf het einde van de 19e eeuw kwam daar, mede door de activiteiten van de Nederlandsche Schaatsenrijdersbond (in 1922 Koninklijk geworden, KNSB), verandering in. Maar werkelijke uniformiteit kwam er pas in 1941, toen de KNSB de internationale regels overnam.

Naast het hardrijden ontstond ook het schoonrijden, als vooral Hollandse sport. 'Hollands is mooi, Fries is snel rijden', werd wel eens gezegd. Het schoonrijden vergt een aparte techniek en aparte schaatsen. Men moet kunnen rijden op de buitenkant van het ijzer. De kunst van het schoonrijden was 'zo breed mogelijk rijden', de hele baanbreedte bestrijken. Na de Tweede Wereldoorlog verloor het schoonrijden populariteit, momenteel beoefent nog slechts een klein aantal (oudere) Zaankanters deze sport.

In 1947 werd in Almelo de Zaandammer M. de Ruyter nationaal kampioen. Vanaf de jaren zeventig wonnen georganiseerde schaatstochten aan populariteit. De Zaanse Molentocht, de Molen- en Merentocht, maar vooral de Bannetocht trekken iedere winter dat zij georganiseerd kunnen worden, meer deelnemers.

Elfstedentocht

De meest befaamde tocht is echter de Friese Elfstedentocht. Tientallen Zaankanters namen deel aan het toergedeelte. Er waren slechts enkele Zaanse rijders, die aan de wedstrijd deelnamen (c.q. de finish bereikten). Zij waren: 1954: L. de Graaf, Krommenie 32e plaats; 1956: G.J.C. van Ooyen, Zaandam, 18e plaats; G.J. van Ooyen, Zaandam, 31e plaats; G. Ammeraal, Wormerveer, 78e plaats; J. van Heesden, Zaandam. 106 plaats; L. de Graaf, Krommenie, 109e plaats (laatste). 1985: N. Bodifee, Zaandam, 177e plaats. 1986: W. Boekel, Zaandam, 130e plaats; N. Bodifee, Zaandam, 172e plaats.

De Zaanstreek bezit geen kunstijsbaan. Er kan hier dus alleen geschaatst worden bij vorst. Een aantal Zaankanters wijkt uit naar de kunstijsbanen van Amsterdam, Alkmaar, Haarlem of Utrecht. Met name vanuit de Schaatstrainingsgroep Zaanstreek is meermalen aangedrongen op de aanleg van een kunstijsbaan. Om financiële redenen is deze echter nooit tot stand gekomen.

De Zaanstreek bracht in de periode na de Tweede Wereldoorlog drie schaatsenrijdsters voort die tot de landelijke top behoorden. Rie Meijer uit Wormer werd in 1956 als eerste officieel nationaal kampioene op de lange baan. Een jaar eerder was zij al officieus kampioene geworden. In 1958 werd zij opnieuw nationaal kampioene, dat jaar werd zij 13e bij de Wereldkampioenschappen in Zweden.

De Oostzaanse Trijnie Rep werd vier keer juniorenkampioene van Nederland. En bij de nationale kampioenschappen voor senioren in het begin van de jaren zeventig twee keer tweede achter de onverslaanbare Atje Keulen-Deelstra. In 1972 werd zij tweede bij de Europese kampioenschappen en derde bij de Wereldkampioenschappen. Coby Borst uit Krommeniedijk werd in 1986 voor de tweede keer nationaal kampioene op de marathon bij de vrouwen.

Kortebaan

De nationale kampioenschappen op de kortebaan werden twee keer in de Zaanstreek verreden. In de winter van l949-1950 de mannen en in l977-1978 de vrouwen op de baan van Lambert Melisz in Westzaan. Vanaf omstreeks 1870 wordt in de Zaanstreek georganiseerd schaats gereden. In 120 jaar bestonden er minimaal twintig ijsclubs, een aantal daarvan fuseerde.

De ons bekende verenigingen zijn in het navolgende overzicht opgenomen (twee jaartallen betekent: in de winter van).

  • Zuider IJsclub, Assendelft, 1870, opgegaan in IJsclub Assendelft;
  • Thialf, Zaandijk, 1876, opgegaan in Willem Barentsz-Thialf;
  • Jisper IJsclub, Jisp, 1879, organisator Bannetocht;
  • Willem Barentsz, Zaandijk, 1887, gefuseerd tot Willem Barentsz-Thialf;
  • De Jeugd, Wormerveer, 1893, opgegaan in De Noordster;
  • 't Kalf, Zaandam, 1895, sport- en amusementsvereniging, na de Tweede Wereldoorlog gefuseerd, bezit sinds 1962 geen baan.
  • Klein maar Dapper, Krommeniedijk, 1900/1901, aangesloten bij de KNSB, 450 leden;
  • Lambert Melisz, Westzaan, 1906/1907, KNSB, 375 leden;
  • Jaap Eden, Wormerveer, 1906/1907, opgegaan in De Noordster;
  • Nova Zembla, Wormer, 1908, KNSB, 530 leden (vóór de oorlog was in Wormer enige tijd een tweede ijsclub aanwezig, gegevens ontbreken);
  • Onder Ons Genoegen, Wormerveer, 1908, opgegaan in De Noordster;
  • RK De Noordpool, Assendelft, 1914, opgegaan in IJsclub Assendelft;
  • West-Knollendam, Westknollendam, 1924, 150 leden;
  • Davos, Nauerna, 1929, KNSB, 110 leden;
  • Sankt Moritz, `t Kalf, buurtvereniging;
  • De Zuidpool, Zaandam, 1929, begonnen als buurtvereniging, inactief sinds 1987 toen de baan moest wijken voor de Dr. J.M. den Uylbrug, KNSB, 400 leden;
  • Ons Genoegen, Jispersluis, 1929, mede-organisator Bannetocht, 40 leden;
  • Willem Barentsz-Thialf, Zaandijk, 1932, fusie van Willem Barentsz en Thialf, 300 leden;
  • Centrum Oostzaan, 1941, 870 leden;
  • Juliana, Koog, 1953, 1000 leden;
  • Noordster, Wormerveer, 1961 , fusieclub van De Jeugd, Jaap Eden, Genoegen Onder Ons en Onderling Genoegen, KNSB, 400 leden;
  • Assendelft, Assendelft, 1972, fusie van RK De Noordpool en de Zuider IJsclub, KNSB, 1250 leden;
  • Schaatstrainingsgroep Zaanstreek, Koog, 1977, voortgekomen uit een groep, die zich reeds sedert 1953 inzet voor de wedstrijdschaatssport.

Zie ook Hardprikken.

  • schaatsenrijden.txt
  • Laatst gewijzigd: 2018/04/14 12:12
  • door zaanlander