ijsvermaak

Over IJsvermaak in de Zaanstreek is door zowel G. Pekelharing als Pieter Boorsma in Zaans dialect geschreven. Twee korte citaten

(Pekelharing)

'Leg eris an' leg ens an',
'k heb hete melk en kouwe Jan,
'k heb koek en drank, goddank,
'k heb regeltjes zo dik als tegeltjes'
Zo sting Louw de zeedsjouwer, die in de winter niet veul te verdienen had te schreeuwen bij zen marketent op de Zaan, zowel op de Gortershoek op Zaandijk. Hij had een paar ouwe gonjes los etarnd, die an twee stokken espijkerd en zo in het Ijs ezet om 'n louwersie te hebben teugen et scharpe ostenwindje '

(Boorsma)

'Aisfeeste op de Zaan, 's eves ehouwe, wazze d'r van vroeger ok veul meer as teugeswoordeg. Dat beurde meestal bai lichte maan en de bane wiere den veerders op'eloisterd mit lampions en fakkels, en somwaile mit brandende teertonne. Dat was een prachteg toverachteg gezicht, al die verklede mense, mit grimme voor, in dat lichtskainsel te zien zwiere'

Adriaan Loosjes schreef in 'De Zaanlandsche Dorpen' al over 18e-eeuws ijsvermaak in de Zaanstreek. Hij noemde niet alleen het schaatsen maar ook het arren en het gebruik van IJsschuitjes,'die met onverbeeldlijk snelle vaart over de gladde oppervlakte zeilen'. Vooral het schaatsrijden roemt hij als 'een der oudste Wintervermaaken van onzen Landzaat, den Zaankanters bij uitstek eigen'. En verder: 'De Zaan, het middelpunt der Dorpen, is naauwlijks zo veel toegevroozen, dat zij den last der vluggen Schaatsryders kan draagen, of dezelve krielt van Menschen: en, bij strenge Winters, van Paardesleeden en Arren, bovenal wanneer een uitgeloofde Zilveren of Gouden Zweep niet zelden een feestdag oplevert'.

Opvallend veel wordt er door latere auteurs op gewezen dat op het ijs alle rangen en standen wegvielen. Dat gold overigens niet bij het arren. De met een paard bespannen arresleden waren aan de rijkere stand voorbehouden. Zij kwamen lang niet elke winter op het ijs, daarvoor diende er letterlijk peerde-ais' te zijn. Wat het schaatsen betreft: veel Zaankanters bonden ook in vorige eeuwen de schaatsen onder. Dit ijsvermaak was een sociaal gebeuren, met grote en gezellige drukte op de sloten. Het Oostzijderveld wordt meermalen genoemd als een druk schaatsgebied. Men kleedde zich warm met wat men daartoe in huis had. De tegenwoordige sportieve, speciaal voor de winterse sporten gemaakte kledij ontbrak nog, zoals ook kunstschaatsen, 'noren' enzovoort onbekend waren. Men reed recht of rond op houten schaatsen die met (meestal oranje) banden of spekleren veters werden ondergebonden. Hele gezinnen maakten, al of niet 'an de stok' tochten naar bijvoorbeeld Monnickendam of (bij toegevroren Gouwzee) Marken. Dat verre ritten al vroeg als een uitdaging werden beschouwd, bewijst het dagboek van Claes Arisz Caescoper (1650-1729), die in 1676 een Noord-Hollandse twaalfstedentocht reed en daarbij op één dag een langere afstand aflegde dan die van de huidige Friese Elfstedentocht.

Hardprikken

Hardprikken of hardprikkerij is een oude wintersport, die nog amper wordt beoefend. Er is een kleine, zeer snelle prikslee voor nodig waarop de deelnemers gehurkt of zittend plaatsnemen. Zij bewegen zich in voorwaartse richting voort over de ijsvloer met in iedere hand een prikstok om zich zo vlug mogelijk voort te prikken. Er werden hardprikraces georganiseerd door de plaatselijke ijsclubs, voor dames, heren, paren en jongelui, al dan niet met hindernissen die moesten worden overwonnen.

  • ijsvermaak.txt
  • Laatst gewijzigd: 2018/01/20 00:42
  • door zaanlander