vis_ondernemersgeslacht_zaandijk

Ondernemersgeslacht uit Zaandijk in de 17e, 18e, 19e en 20e eeuw.

De belangen van de familie Vis bij de oliehandel en -fabricage begonnen bij Gerrit Jansz Vis (1676-1759), zoon van Jan Pietersz Vis (1626-1706) en Letske Anskes (1637-1720), die aanvankelijk samen met zijn oudste broer, Jan Jansz Vis (1658-1709) een stijfselmakerij annex handel dreef. Daarnaast was hij deelgenoot in een handelscompagnie, dreef hij een graanhandel op eigen naam, was hij deelgenoot in een walvisrederij ter fa. Gerrit Best & Gerrit en Claes Vis en nam hij tenslotte in 1724 een deelname in de oliemolen De Jonge Prins. Deze oliemolen zou tot 1860 in het bezit van de familie Vis blijven. Gerrit Vis was een voorbeeld van een Zaans ondernemer die zijn belangen flink spreidde. Hij trouwde met Neeltje Pietersz Baas en hun zoon Pieter Gerritsz Vis (1724-1796) nam bij zijn overlijden de zaken over ter firma Gerrit Vis & Zoon.

Na het overlijden van zijn broer Jan had Gerrit de zaken reeds samen met Jan's zoon Dirk Jansz Vis (1701-1742) gedaan. Deze Dirk huwde met Willempje Jans Baes (1707-1777) en hun zoon Jan Dirkz Vis (1730-1792) heeft zich, naast de graanhandel, weer geassocieerd met zijn achterneef Pieter Gerritsz en diens zwager Jan Meyn ter firma Pieter Vis, Jan Vis '81 en Jan Meyn. Zij bezaten de oliemolens De Jonge Prins, De Oranjeboom en De Oude Wolf. Bovendien erfde Jan Dirksz Vis, die achtereenvolgens was getrouwd met de vermogende Haasje Jansz Stokvis (1720-1754) en Trijntje Graftdijk (1754-1822), van zijn schoonvader Stokvis de oliemolens De Zoeker, Het Zwarte Kalf en Het Leven en kocht hij zelf nog in 1764 Het Hert. Deze oliemolens dreef hij ter firma Jan Vis.

Pieter Gerritsz Vis trouwde met Lijsbeth Gorter (1718-1774), maar hun huwelijk bleef kinderloos, zodat zijn belangen overgingen op de kinderen van zijn achterneef Jan Dirksz. Deze had zijn oudste zoon Dirk Jansz Vis (1770-1794) reeds in zaken opgenomen ter firma Jan Vis & Zoon. Hij stierf echter reeds twee jaar na zijn vader, zodat alle zaken toen vermaakt werden aan de 10-jarige laatste zoon Jacob Vis (1784-1828), toen de enige mannelijke nakomeling van het hele geslacht Vis te Zaandijk. Uit zijn huwelijk met Aaltje van Bergen (1782-1830) sproot een zeer talrijk nageslacht. Zij kregen maar liefst 8 zoons: Jan, Dirk, Pieter, Klaas, Cornelis, Jacob, Gerrit en Willem, en twee dochters. Jacob Vis heeft kans gezien ondanks de zeer moeilijke tijd van resolutie en Franse overheersing zijn zaken ter firma Jacob Vis in stand te houden met acht oliemolens: De Oude Wolf, Het Zwarte Kalf, De Zoeker, Het Leven, De Ram, De Jonge Prins, De Wildeman en De Roggebloem en drie door zijn vrouw ingebrachte pelmolens: De Veering, De Jonge Kuiper en De Jonge Wildeman.

Bij zijn overlijden in 1828 bleek dat zijn oorspronkelijk zeer aanzienlijke vermogen voornamelijk door de door Napoleon doorgevoerde tiërcering1) van de staatsschuld en de waardeloze asignaten2), tot op een derde was verminderd. Bovendien moest dit vermogen over tien kinderen worden verdeeld. De zoons stonden er dus heel anders voor dan hun vader. Het zou blijken dat het hun aan de middelen zou ontbreken om de evolutie door mechanisering in de oliefabricage te volgen. Aanvankelijk ging de weduwe Aaltje van Bergen een compagnie aan met haar zoons Jan, Dirk, Pieter, Klaas en Cornelis in gemeenschap verder, tot ze in 1835 besloten uiteen te gaan.

Alleen De Jonge Kuiper

De oudste zoon, Jan Vis Jacobsz (1802-1875), gehuwd met Aagje Houttuyn (1803-1879), kreeg alleen de pelmolen De Jonge Kuiper toebedeeld. Hij kwam in zaken van zijn schoonvader Hajo Houttuyn, die erfgenaam was van het aanzienlijke Van der Ley-vermogen en werkte met acht oliemolens. Toen Hajo Houttuyn overleed, werd in 1844 tussen Jan Vis en zijn schoonmoeder Claasje Nen de firma Hajo Houttuyn & Compagnie opgericht. Bij haar overlijden in 1854 liet zij 7 oliemolens na, waarvan er twee (De Pellekaan en De Eenhoorn) toebedeeld werden aan Jan's echtgenote Aagje.

In 1861 liquideerde Jan Vis zijn zaken en trok hij zich terug in Beverwijk. Zijn zoons Jacob (ter onderscheiding van zijn vele naamgenoten Kojans genoemd), Hajo, Jan en Gerrit erfden te weinig om succesvol een bedrijf te kunnen stichten. Maar een zoon van Hajo, Gerbrand Vis Hz (1859-1917), getrouwd met Adriana Dekker (1859-1934), begon samen met zijn neef Jan Jacob Dekker (zoon van zijn tante Aaltje Vis en Simon Dekker) in 1884 ter firma Gebrand Vis Hz een handel in zuivelproducten, die in 1903 werd omgezet in Zuivelmaatschappij De Kroon v/h Gerbrand Vis Hz in Zaandijk.

In 1917 trad zijn zoon Gerbrand Vis II (1891-1963), gehuwd met Agatha Maria Cornelia Honig, aan als directeur. In 1930 werd door hem de Noord-Hollandse Margarinefabriek in Zaandijk opgericht en tot een bloeiend bedrijf gebracht. De derde generatie werd gevormd door Gerbrand Vis III (geb. 1918), die zich na zich uit de zaken had teruggetrokken en de nv Nohoma overdeed aan Wessanen en Laan. Zie Friwessa. De tweede zoon van Jacob Vis en Aaltje van Bergen, Dirk Vis Jacobsz (1804-1884), gehuwd met Engeltje Kool (1803-1873), ging aanvankelijk met zijn broers Klaas en Jacob door met de zeven oliemolens, tot in 1846 ook hun wegen zich scheidden. Dirk kreeg de oliemolens De Wildeman, De Ram en De Zoeker toebedeeld. Hij verkocht twee molens in 1858 en de laatste in 1867.

Dirk Vis had drie zoons: Jacob Dirksz Vis (1828-1887), Jan Dirksz Vis (1837-1892) en Dirk Vis Dirksz (1839-1887). De oudste werd makelaar en commissionair in granen. De twee jongsten, Jan en Dirk, deden eerst zaken als Gebr. Vis in granen, terwijl Jan zich in 1875 associeerde met zijn achterneef Jan Vis Hajosz als oliefabrikant met De Zeemeeuw ter firma Jan Vis & Co. De derde zoon van Jacob Vis en Aaltje van Bergen, Pieter Vis Jacobsz (1806-1838), gehuwd met Trijntje Kool (1805-1882) ging na het compagnonschap met zijn vier broers verder met de pelmolens De Veering en De Jonge Wildeman. De laatste molen kwam bij zijn overlijden in 1839 toe aan zijn jongere broer Gerrit.

Pieter's oudste zoon Jacob Vis Pz ('Kopiet') (1828-1888), achtereenvolgens gehuwd met Clasina Maria Kuyper (1829-1860) en Maria Klazina Feikema (1838-1893) was op zijn beurt de stichter van een succesvol oliebedrijf. In 1856 begon hij ter firma Jacob Vis Pz. eerst met oliemolen De Koe en later met Het Jonge Vool lijnolie te fabriceren. Uit de nalatenschap van zijn oom Klaas Vis Jacobsz werd in 1860 De Oude Wolf overgenomen. De handel was trouwens van veel meer betekenis dan de fabricage. Naast in lijnolie en raapolie werden zaken gedaan in specerijen, thee en zelfs wijnen.

Export naar Duitsland

In 1861 werden de eerste transacties in lijnolie met Duitsland gedaan, wat leidde tot een omvangrijke exporthandel. De Oude Wolf werd in 1877 gesloopt en vervangen door een oliekokerij. Na de dood van Jacob nam diens zoon Jan Marinus Vis (1856-1918) de leiding van nv Lakfabriek & Export Mij v/h Jacob Vis Pz over. Hij was een ondernemend man en heeft tot zijn dood de zaken voortreffelijk behartigd. Daarna traden zijn broers Jacob Pieter Vis en Eelco Martinus Vis nog wel als commissaris op, maar werd de dagelijkse leiding aan anderen overgelaten. Zie voorts: Jacob Vis, ondernemersgeslacht Wormerveer Pz.

De vierde zoon van Jacob Vis en Aaltje van Bergen, Klaas Vis Jacobsz, (1809-1859), gehuwd met Grietje Breet (1809-1888), ging - na eerst met vier broers en van 1836 tot 1846 samen met Dirk en Jacob zaken te hebben gedreven - tenslotte onder eigen naam door met de oliemolens De Jonge Prins en De Oude Wolf. Hij had geen kinderen en na zijn dood werd De Jonge Prins, na 136 jaar trouwe dienst aan de familie, verkocht. De Oude Wolf werd overgedaan aan de firma Jacob Vis Pz.

De vijfde zoon van Jacob Vis en Aaltje van Bergen, Cornelis Vis Jacobsz (1811-1874), gehuwd met Dieuwertje Kluyver (1808-1879), was meer een stille vennoot in compagnieschap met zijn broers en begon zelf in 1830 een houthandel. In 1832 werd de paltrok De Windhond aangeschaft en in 1836 de balkenzager-bovenkruier Het Konijn, beide in Zaandijk. Dit bedrijf werd als Cornelis Vis & Zoon vier generaties door de familie Vis geleid. In 1857 werd Cornelis zoon Jacob Vis Cz ('Kokees') (1833-1895), eerst gehuwd met Maartje Dekker (1834-1857) en later met Aaltje Vis (1839-1890, dochter van zijn oom Jacob Vis en Cornelia Maria van Gelder), deelgenoot in de firma.

In 1877 werd Het Konijn omgebouwd tot de stoomzagerij Voorwaarts, een operatie die goed was voorbereid en zonder tegenslagen verliep. Nadat Jacob in 1866 de vennootschap met zijn vader had ontbonden, kwam in 1877 diens zoon Cornelis Jacobsz Vis II (1861-1921), gehuwd met Jacoba Maria Dekker (1863-1948), er als derde generatie op kantoor bij. Drie jaar later volgde zijn broer Martinus Jacob Vis (1862-1917). Als vierde generatie trad in 1908 Cornelis' zoon Jacob Cornelis Vis II (1888-1928), gehuwd met Cornelia Welmoet Honig (1900-1969) aan.

Zijn vroege overlijden en het ontbreken van een opvolger leidde tot de verkoop van de opstallen aan P. Donker nv. De zesde zoon van Jacob Vis en Aaltje van Bergen, Jacob Vis Jacobsz (1813- 1869), gehuwd met Cornelia Maria van Gelder (1813-1886) ging na het compagnonschap met zijn broers Dirk en Klaas zelf door met de oliemolens de Roggebloem en Het Zwarte Kalf. Daarnaast was hij tevens handelaar in granen, zaden en peulvruchten, waarvoor hij zich met zijn zwager associeerde ter compagnie Boon, Vis & Co. Na zijn dood werden de zaken geliquideerd.

De zevende zoon, Gerrit Vis Jacobsz (1818-1882) gehuwd met Geertje Honigh (1815-1887), studeerde aanvankelijk medicijnen aan de Utrechtse universiteit, maar werd bij gebrek aan resultaten door zijn broer Jan tot de orde geroepen. In 1839 kocht hij de pelmolen de Jonge Wildeman van de weduwe van zijn broer Pieter en in 1858 nog de oliemolen De Wildeman van de nalatenschap van zijn broer Dirk. Deze laatste molen werd in 1872 geruild voor de oliemolen Het Hart van Adriaan Houttuyn, die De Wildeman sloopte en op die plaats de Stoomoliefabriek De Toekomst liet bouwen. Gerrit's zoon, Adriaan Vis Gerritsz (1846-1902) gehuwd met Adriana van den Eelaart (1844-1914), zette de zaken na 1882 voort ter firma Gerrit Vis, maar moest in 1887 liquideren, omdat de zaken op de oude voet niet meer levensvatbaar waren en de middelen ontbraken om te vernieuwen. Hij verhuisde naar Arnhem en vestigde zich daar als handelsagent.

Tenslotte de achtste zoon, Willem Vis Jacobsz (1822-1866), gehuwd met Neeltje Houttuyn (1827-1907). Hij kocht in 1839 de pelmolen Het Guiswijf. Hij bleek echter geen goed koopman en kwam tenslotte in grote moeilijkheden. Zijn zoon Jacob Vis Willemsz ('Kowillems') (1851-1905) deed het beter en maakte de zaak weer levensvatbaar. Tot in 1894 zijn molen verbrandde.

Ir. E.B. van Gelder


1)
Door keizer Napoleon opgelegde reductie van de rente op de Nederlandse staatsschuld.
2)
Waardepapieren die tijdens de Franse Revolutie werden uitgegeven met onteigende kerkelijke bezittingen als onderpand.
  • vis_ondernemersgeslacht_zaandijk.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/19 12:00
  • door jan