autobedrijven

Bedrijven die zich bezig houden met verkoop, onderhoud en/of herstel van auto's. Zie ook: Economische geschiedenis geschiedenis 3.104. Binnen de branche wordt van veel namen gebruik gemaakt, zoals autobedrijven, automobielbedrijven, garagebedrijven, garages, autohandels, auto-dealers, auto-service-bedrijven, of auto-reparatie bedrijven. Autobedrijven in de strikte zin des woords houden zich bezig met verkoop en onderhoud van automobielen. Daarnaast zijn er bedrijven die zijn gespecialiseerd in één of een paar onderdelen van auto's (bijvoorbeeld banden of uitlaten), bedrijven die slechts de schade wegwerken, of uitsluitend keuringen uitvoeren. Ook zijn er tectyleerbedrijven en autosloperijen. De autobedrijven in de strikte zin des woords zijn georganiseerd in de Bovag.

In de Zaanstreek zijn (afhankelijk van hoe ruim de definitie wordt uitgelegd) minimaal vijftig en maximaal honderd ondernemingen die zich autobedrijf kunnen noemen; zij bieden werk aan naar schatting 500 tot 750 personen (1987). Ten gevolge van het feit dat de Zaanstreek een grote levensmiddelenindustrie bezat met een uitgebreid verkoop-apparaat, heeft de Zaanstreek steeds een grotere 'autodichtheid' gehad dan de rest van Nederland. De Zaanse autobedrijven profiteerden daar vanzelfsprekend van. In de Zaanstreek is geen auto-industrie gevestigd, maar tot 1985 verschaften de Ford-fabrieken te Amsterdam (nabij het Noordzeekanaal) werk aan een groot aantal Zaankanters (veelal buitenlandse werknemers).

Het eerste Zaanse autobedrijf werd opgericht in 1922: de Eerste Wormerveersche Autocentrale (zie: Zwart Beheer bv). Een half jaar daarna (in 1923) richtten W. Gesink en C. Terweij de Auto Centrale Zaanstreek op. Daarna volgde de oprichting van Kaat en Wezel te Koog, Steenmeyer (zie: Verenigde Automobiel Bedrijven) te Zaandam, Fonteyn te Wormer, Dunnebier te Assendelft), Zaanland te Koog, Jan de Jong te Wormerveer, Knijff te Zaandam, Dekker te Zaandam, Davidzon te Westzaan, Does te Zaandam etc, terwijl zich aan de Oostzijde te Zaandam de 'Eerste Nederlandsche Banden Vulcaniseerinrichting' vestigde (thans Vulcan Progress). De eerste Zaanse autobedrijven hebben over het algemeen moeilijke beginjaren meegemaakt. De technische kennis van automobielen was gering, de middelen waren beperkt, de Zaanse wegen leenden zich volstrekt niet voor het gemotoriseerde wegverkeer, en een automobiel was slechts voor de zeer welgestelden weggelegd. Maar ondanks de moeilijkheden groeiden de bedrijven, en moesten zij zelfs personeel aantrekken.

Een probleem bleef echter altijd dat het automobielbedrijf grote investeringen met zich meebrengt. De bedrijven richtten zich vrijwel uitsluitend op reparatie en onderhoud. De verkoop (aanvankelijk nog niet met vaste dealerschappen) kwam pas later. Vertegenwoordigers van de autobedrijven bezochten (potentiële) klanten aan huis om hun auto's te verkopen. De eerste auto's die in de Zaanstreek werden verkocht waren Spijkers, Daracs, Adlers en TFords. Daarnaast hielden de autobedrijven zich bezig met nevenactiviteiten, zoals taxivervoer, ziekenvervoer en busdiensten.

In de Zaanstreek kwam het tot een bijzondere samenwerking tussen de, elkaar op andere terreinen beconcurrerende, autobedrijven van Zwart, Gesink, Fonteyn, en Kaat en Wezel, toen zij in november 1924 gezamenlijk de Maatschappij tot Exploitatie van Autobussen (MEA) oprichtten. Deze onderneming zou tot na de Tweede Wereldoorlog blijven bestaan. Begin jaren '50 werden de geregelde busdiensten van de MEA overgedaan aan de Enhabo (zie: Streekvervoer). De MEA reed met rode bussen, daarnaast werd de Maatschappij Zaanland opgericht, die met blauwe bussen reed. Beide busdiensten beconcurreerden elkaar heftig. In de jaren '30 kostte een buskaartje Wormerveer-Zaandam bij de MEA tien cent en bij Zaanland elf cent. Autobedrijven die in het bezit waren van een eigen autobus organiseerden soms groepsreizen, ook naar het buitenland.

Tijdens de crisis van de jaren '30 en de Tweede Wereldoorlog maakten de Zaanse autobedrijven een moeilijke tijd door. Vooral de oorlog zorgde voor stilstand en zelfs achteruitgang. De autobedrijven hielden het hoofd boven water door busdiensten (op kolengas) te onderhouden naar bijvoorbeeld de Hoogovens te IJmuiden, en door de reparaties. De Duitsers gingen daarvoor voornamelijk naar garage Zaanland te Koog. Na de oorlog werd dit bedrijf geliquideerd, waarna Gesink het pand overnam. De eerste jaren na de oorlog waren de auto's op de bon. Ze werden toegewezen aan de verschillende bedrijven, die aan de hand van lijsten moesten distribueren. Automerken die op de markt kwamen waren Tsjechische Minors, Amerikaanse Fords, Chryslers, Oldsmobiles en Chrevolets, en Britse Essexes. De eerste vrachtwagens die door de Rijksverkeersinspectie werden toegewezen, waren afgedankte legertrucs. Onderdelen waren bijzonder moeilijk te krijgen; ook voor de verkoop hiervan was toestemming van de Rijksverkeersinspectiedienst benodigd.

In de jaren '30 was de verkoop van auto's al in toenemende mate via het dealerschap georganiseerd. Deze tendens zette zich na de oorlog versterkt door. Verschillende Zaanse garages verwierven een dealerschap. De jaren '50 en '60 brachten een ongebreidelde groei van de hoeveelheid verkochte auto's en daarmee nam ook het aantal autobedrijven in de Zaanstreek flink toe. Eind jaren '60 kwamen de eerste Japanse auto's op de markt, die weliswaar met scepsis werden begroet maar goed verkocht werden. Na de oorlog ontstonden ook de eerste gespecialiseerde bedrijven, die zich alleen met uitdeukwerk, het vervangen van uitlaten en/of banden, en dergelijke bezig houden. Tijdens de oliecrisis van de jaren '70 en de daarop volgende periode van instabiliteit van de dollar liep de autobranche flinke deuken op. Desondanks bleef het aantal auto's in Nederland groeien. In Nederland worden, gerelateerd aan het landelijke cijfer, meer dan het gemiddeld aantal auto's verkocht.

In de jaren '80 deed zich een verschuiving voor van de steeds duurdere reparaties naar de daarentegen goedkoper wordende vervanging. Daardoor wordt het garage-gedeelte van de autobedrijven gaandeweg kleiner. Een aantal van de eerste Zaanse autobedrijven bestaat ook nu nog. In 1988 waren zij nog in bezit van de stichters of hun (klein-) kinderen. Ook als de juridische vorm van de onderneming werd gewijzigd (zoals bijvoorbeeld Zwart ter verhoging van de liquiditeit werd omgezet in een naamloze vennootschap) bleef de meerderheid van de aandelen in het bezit van de familie.

Automobielbedrijven hadden en hebben meestal een eigen benzinepomp. In enkele gevallen werden deze pompen uitgebreid tot benzinestations (bijvoorbeeld Zwart Beheer te Wormerveer en bv Ford Zaandam). Daarnaast richtten verscheidene benzinemaatschappijen, zoals Shell, BP en Esso eigen benzinestations op in de Zaanstreek, terwijl ook enkele bedrijven zich toelegden op de verkoop van zogenoemde 'witte benzine' of een vast merk benzine.

In de Zaanstreek gevestigde autobedrijven zijn onder meer:

Bronnen:

  • D. Zwart jr., Garage Zwart, 1922-1982.
  • Interview met W. Gesink.
  • autobedrijven.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/02/03 10:22
  • door zaanlander