Socialisme

Politieke stroming, strevend naar een maatschappijvorm waarin niet, zoals in het 19e-eeuwse kapitalisme, het bezit, maar de arbeid centraal staat en onder meer gericht op gelijke ontwikkelingskansen voor alle leden van de gemeenschap. Het socialisme is sinds de tweede helft van de 19e eeuw van zeer grote en wijd verbreide invloed, ook in Nederland. De Zaanstreek had lange tijd de naam rode Zaanstreek, waarmee werd aangeduid dat het socialisme, een term die, zoals zal blijken, in de loop der tijd op verschillende manieren is geïnterpreteerd, hier meer aanhangers telde dan elders.

Aan de wieg van het democratisch socialisme staat de leer van Karl Marx (1818-1883). Ook het Communisme stamt van deze leer. Terwijl de theorie van Marx op de sociaaldemocraten thans nog nauwelijks invloed heeft, bleef deze bij de communisten van wezenlijke betekenis. Het Nederlandse socialisme kende in chronologische rangorde de volgende politieke partijen:

  • SDB (Sociaal-Democratische Bond)
  • SDAP (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij)
  • RSAP (Revolutionair-Socialistische Arbeiders Partij)
  • RSP (Revolutionair Socialistische Partij)
  • PvdA (Partij van de Arbeid)
  • PSP (Pacifistisch-Socialistische Partij)
  • DS'70 (Democratisch-Socialisten 1970) en in zekere zin
  • PPR (Politieke Partij Radicalen)
  • D66 (Democraten '66) en
  • GroenLinks

Enkele splinterpartijen die in de Zaanstreek geen aanhang van betekenis hadden blijven in dit artikel ongenoemd. De partij was en is bij de socialisten steeds de plaats waar de politieke inhoud en doelstellingen worden bepaald. Aangezien het socialisme van meet af aan overwegend een arbeidersbeweging was, mag ook de rol van de vakverenigingen:

  • PAS | Plaatselijk Arbeids Secretariaat
  • NAS | Nationaal Arbeids Secretariaat
  • NVV | Nederlands Verbond van Vakverenigingen
  • FNV | Federatie Nederlandse Vakverenigingen
  • AJC | Arbeiders Jeugd Centrale
  • AP | Arbeiderspers, uitgeverij van socialistische kranten en andere lectuur.

1 Literatuur

De Zaandamse geschiedenisleraar Jaap 't Hoen publiceerde als eerste gegevens over de historie van het socialisme in de Zaanstreek. Zijn twee belangrijkste boeken Op naar het licht uit 1968 en De Rode Zaanstreek uit 1979 zijn als bron van informatie voor dit artikel gebruikt. Voorts is geput uit een aantal scripties van met name studenten van de twee Amsterdamse leraren-opleidingen. Het onderwerp socialisme leent zich namelijk uitstekend voor onderzoek van de nieuwste geschiedenis op lokaal niveau. Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam is een verzamelpunt van alle literatuur over dit onderwerp. Aan het eind van deze bijdrage is een literatuurverantwoording opgenomen.

2. Het democratisch socialisme

Karl Marx was 30 jaar oud toen hij in 1848, samen met zijn vriend Friedrich Engels (1820-1895), het Communistisch Manifest publiek maakte. Het was vooral bedoeld als beginselprogramma voor de Communistenbond als internationale organisatie van revolutionaire socialisten. Zijn hoofdwerk werd evenwel Das Kapital, voor een deel na zijn dood samengesteld en gepubliceerd. Hoewel deze geschriften thans voor de meeste socialisten allang hebben afgedaan, groeide het socialisme onder invloed van deze publicaties tot een machtige beweging.

Nog in 1891 nam de grootste socialistische partij van dat moment, die in Duitsland, een streng-Marxistisch partijprogramma aan. Rond dezelfde tijd ontstond echter ook al twijfel over de houdbaarheid van Marx' werk. In het bijzonder de voorspelde instorting van de burgerlijke maatschappij werd door Eduard Bernstein (1850-1932) bestreden. De door hem vertegenwoordigde stroming, het reformisme, vormde in West-Europa na de Russische Revolutie in 1917 de politieke praktijk. Onder invloed van de Belgische socialist Hendrik de Man (1885-1953) week de sociaal-democratie nog verder af van het aanvankelijk revolutionaire perspectief. De Man bracht met zijn denkbeelden enerzijds vele socialisten tot meer ethische uitgangspunten, anderzijds legde hij de theoretische grondslag voor de uitbouw van de arbeiderspartijen tot brede volksbewegingen.

3. Het socialisme in Nederland

3.1. De Sociaal-Democratische Bond (SDB)

De eerste socialistische arbeidersorganisatie kwam tot stand toen in 1869 in Amsterdam een sectie van de Eerste Internationale werd opgericht. Samen met afdelingen in Den Haag en Utrecht werd het Nederlands Werkliedenverbond als afdeling van de Internationale Arbeidersvereniging gevormd. Deze ging, samen met de Parijse Commune en de Eerste Internationale, enkele jaren later ten onder.

Het belang van de Nederlandse sectie was vooral dat arbeiders lid konden worden. De strijdbare Westzaner Klaas Ris was één van de eerste leden. Na het echec van de Eerste Internationale kwam in 1879 de Sociaal-Democratische Vereeniging tot stand, met ongeveer 30 leden. Begonnen in Amsterdam kreeg het werk grotere omvang na de omvorming tot SDB in 1881, met afdelingen in Haarlem, Den Haag, Leiden, de Zaanstreek in 1882, Vlissingen en na 1883 nog vele andere plaatsen.

De SDB kan vooral vereenzelvigd worden met Domela Nieuwenhuis (1846-1919), een gewezen luthers predikant die met name in Friesland, Amsterdam en de Zaanstreek bewonderaars had. Hij gaf zijn partij een reformistisch programma, mede gericht op algemeen kiesrecht. Het ledental bleef betrekkelijk laag, op het hoogtepunt in 1893 waren er 5000 leden. Daarna volgde vanwege een afsplitsing een snelle teruggang. Vooral de jaren 1885-'87 werden gekenmerkt door opstootjes als gevolg van socialistische agitatie. Deze vonden vooral in de Hollandse industriesteden plaats.

In de jaren '90 waren de activiteiten meer op acties bij afzonderlijke bedrijven en bedrijfstakken gericht dan op volksagitatie. De stakingsleiders kwamen voor een groot deel uit de SDB. De betrokkenheid bij de doorgaans spontane acties hing in hoge mate samen met de organisatie binnen de partij: de afdelingen voerden een autonoom beleid, zodat, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, verschillende uitgangspunten konden worden gehanteerd. Bij de SDB waren allerlei groeperingen en verenigingen aangesloten. Naast de plaatselijke politieke afdelingen waren er categorale vakbondjes, vrouwen- en jongerenverenigingen, zang- en toneelclubs, debatingclubs en zelfs schermverenigingen. Er was dus geen van bovenaf aangegeven structuur.

Zowel door de lokale autonomie als door deze, bijna anarchistische, versnippering konden binnen de SDB op den duur meningsverschillen niet uitblijven. Ze gingen vooral over de manier waarop politieke actie moest worden gevoerd. De tegenstellingen vonden een climax tijdens het Groninger congres in 1893. Met geringe meerderheid werd daar besloten onder geen voorwaarde hoegenaamd, ook niet als agitatiemiddel, mee te doen aan verkiezingen. Door Domela Nieuwenhuis de weg gewezen, koos de SDB hiermee een steeds duidelijker anarchistische koers. Een jaar later werd de naam SDB veranderd in Socialistenbond.

Na het Groninger congres verlegde de hoofdstroom van het democratisch socialisme in Nederland zich naar een nieuw opgerichte partij: de door onder meer Pieter Jelles Troelstra (1860-1930) in 1894 opgerichte Sociaal Democratische Arbeiders Partij (zie 3.2.). De Socialistenbond ging in 1899 in deze partij op. In de Zaanstreek heeft, meer en langer dan elders, het idealistische, opstandige en anarchistische karakter van het vroege SDB socialisme stand gehouden.

3.2. De Sociaal-Democratische Arbeiders Partij SDAP

De eerste jaren na de scheuring leek het er nog niet op dat de SDAP later zo'n grote aanhang zou krijgen. De weerklank onder de Nederlandse socialisten was vooralsnog gering. Weliswaar kwamen er uit het buitenland sympathie-betuigingen, maar die maakten weinig indruk. De SDAP ging weliswaar uit van de noodzaak van tegen de bezitters gerichte klassenstrijd, maar wilde zijn doel meer dan met het direct economische machtsmiddel van stakingen, bereiken langs politieke weg, door te streven naar algemeen kiesrecht. Directe verbetering van levensomstandigheden der arbeiders stond wel op het programma, maar mocht geen doel op zich zijn.

In de strijd voor de uitbreiding van het kiesrecht stond de SDAP lijnrecht tegenover de uit de SDB voortgekomen Socialistenbond. De nieuwe partij had aanvankelijk meer theoretici dan aanhangers, meer officieren dan soldaten. De stijging van het ledental ging langzaam maar geleidelijk: in 1896 waren er 1000 leden, een jaar later 1500, in 1898 waren er 2200, in 1899 2500 en in 1900 3200. Deze trage aanwas is toe te schrijven aan de doorwerking van de polarisatie als gevolg van de SDB-idealen. Door elkaar te verketteren dreef men naar uitersten: parlementair socialisme versus anarchisme.

Ook binnen de vakorganisaties ontstond een scheiding: de SDAP verwijderde zich van het Nationaal Arbeids Secretariaat NAS met zijn plaatselijke arbeidssecretariaten PAS. Eerst na de beruchte Spoorwegstaking van 1903 ging het NAS zich meer op onderhandelingen dan op acties richten. Niettemin was de SDAP zeer ingenomen met de oprichting van het NVV, het Nederlands Verbond van Vakverenigingen in 1906, een moderne bond. In de 20e eeuw maakte de sociaal-democratie een gestage, zij het vooreerst nog trage groei door. In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog nam het aantal leden snel toe. Enkele cijfers: in 1904 waren er 5600 leden, in 1911 was dit aantal opgelopen tot 11000 en in 1914 werd het 25000e lid ingeschreven.

De SDAP ontwikkelde zich in de loop der jaren steeds meer tot een reformistische partij. De daarbij aan het licht komende tegenstellingen liepen wel eens uit de hand. Zo ontstond in 1907 een nieuw blad: het sociaal-democratische weekblad De Tribune, dat van de partijlijn afwijkende meningen verkondigde. In 1909 werden de Tribunisten op een partijcongres in Deventer uit de partij gezet. Nog in hetzelfde jaar werd in Amsterdam de Sociaal-Democratische Partij SDP opgericht, als voorloper van de Communistische Partij Holland, de CPH, later CPN.

Kort na het royement van de Tribunisten waren er verkiezingen. De SDAP behaalde zeven zetels. Vier jaar later werden er zelfs dertien zetels van de toen nog 100 Tweede Kamer-zetels gewonnen. Er was toen nog een districtenstelsel met beperkt kiesrecht. Deze 13 zetels leidden tot een uitnodiging om aan de regering deel te nemen, maar de drie aangeboden ministersposten werden afgewezen. Het zou tot 1939 duren alvorens de SDAP weer voor deelname aan een kabinet werd aangezocht.

De benoeming van Kornelis ter Laan tot burgemeester van Zaandam was een overwinning van de deelname-gezinden en had voor de gehele SDAP gevolgen. Twee jaar eerder was overigens al, ook in Zaandam, mr Jan Duijs tot eerste socialistische wethouder in ons land benoemd. Een deel van de SDAP-aanhang, zeker in de Zaanstreek, was echter nog steeds revolutionair-gezind.

Toen Troelstra in 1918, na de gebeurtenissen in Rusland en in de lijn van deze revolutionaire gezindheid, in de Kamer opmerkte dat de revolutie zeker niet bij Zevenaar halt zou houden, kostte hem dat veel van zijn prestige, niet alleen in confessionele en liberale kring, maar ook bij het reformistische deel van de eigen SDAP-aanhang. In de jaren '20 verdween het orthodoxe, revolutionaire marxisme uit de belangstelling van de toonaangevende SDAP-ers.

In 1935 werd met het Plan van de Arbeid, een doordacht economisch beleidsprogramma, een belangrijke mijlpaal bereikt. Dit gezamenlijk met het NVV opgestelde plan was geïnspireerd door de ideeën van de hiervoor al genoemde Hendrik de Man. Met name Koos Vorrink, toen voorzitter van de Arbeiders Jeugd Centrale AJC, was door De Man beïnvloed. Gestreefd werd naar een zo breed mogelijke socialistische partij. De SDAP dook, net als de meeste andere politieke partijen, in de Tweede Wereldoorlog onder. In beslotenheid werd de vorming van een nieuwe socialistische partij voorbereid. Het resultaat was de oprichting van de Partij van de Arbeid in 1947, zie 3.4.

3.3. De Onafhankelijke Socialistische Partij OSP, de Revolutionaire Socialistische Partij RSP en de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij RSAP

Drie kleine partijen vertegenwoordigden een stroming in de vooroorlogse politiek, die tussen socialisme en communisme kan worden geplaatst. De OSP ontstond in 1932. De aanhangers zagen in de crisis een bewijs van de kapitalistische ineenstorting. Zij wilden meer revolutionair elan en traden uit de SDAP. In het korte bestaan van de door hen opgerichte OSP brachten zij de gemoederen in beroering door zich zowel achter de muiterij op De Zeven Provinciën in 1933 te scharen als achter het Jordaanoproer (1934).

In 1933 behaalde de OSP bijna een kamerzetel; de aanhang was overwegend jong en voor een deel nog niet stemgerechtigd. Mogelijk voorkwam deze splinterpartij onbedoeld het naar links opschuiven van de SDAP. De OSP fuseerde in 1935 met de RSP. Deze RSP, een partij van revolutionaire socialisten, was al in 1928 ontstaan als afsplitsing van de toenmalige Communistische Partij Holland en had ongeveer dezelfde politieke strekking als de OSP.

Men wilde aanvankelijk het Trotzkistische alternatief van de CPH worden, waarbij Rusland niet langer de richting van het communisme aangaf. Ook de RSP verdedigde de muiterij op De Zeven Provinciën; als gevolg van zijn uitlatingen werd in dit verband de RSP-leider Henk Sneevliet (1882-1942) gevangen genomen. Deze martelaarsrol werd uitgebuit en had een kamerzetel tot gevolg. Door het samengaan van de OSP en de RSP ontstond in 1935 de RSAP. Leden van deze partij onderscheidden zich in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar de RSAP kwam daarna niet in de politiek terug.

3.4. De Partij van de Arbeid

Bij de voorbereiding tot oprichting van de PvdA, tijdens de oorlog, stelde men zich ten doel de politieke tegenstellingen tussen christenen en niet-christenen te doorbreken. Er zou door de theologie uit de politiek te weren, een beperkt aantal partijen moeten komen, elk verenigd op een economisch en sociaal programma. Deze doorbraak is niet bereikt. Bij de oprichting in 1946 ontstond niet de brede progressieve volkspartij die men voor ogen had; slechts de volgende vooroorlogse politieke groeperingen gingen er in op: de SDAP, de Vrijzinnig-Democratische Bond VDB en de Christen-Democratische Unie CDU, een kleine progressief-christelijke partij.

De beginselprogramma's van de PvdA uit 1947 en 1959 kwamen het meest overeen met dat van de SDAP uit 1937. Er werd gepleit voor een sterke overheid. De basis-industrieën en de grote banken en verzekeringsmaatschappijen zouden gesocialiseerd moeten worden, daarnaast moest een omvangrijke particuliere sector blijven bestaan. Eén en ander zou langs de weg van evolutie tot stand moeten komen. Mede door dit laatste, in feite dus door het gematigde, niet-revolutionaire karakter, kreeg de partij een grote aanhang; in de eerste naoorlogse kabinetten tot 1958 werd aan de regering deelgenomen.

Als reactie op het gematigde denken ontstond in het midden van de jaren '60 Nieuw Links, een beweging in de PvdA die voor heftige beroering zorgde en het gezicht van de partij gedurende een periode danig zou beïnvloeden. Nieuw Links streefde naar fundamentele democratisering van de samenleving, in het bijzonder naar werknemers-zelfbestuur in de bedrijven, naar een koppeling tussen parlementaire en buiten-parlementaire actie en naar een culturele revolutie en een nieuwe mentaliteit, gericht op zelfontplooiing, creativiteit en solidariteit, in plaats van op individuele prestaties en economische groei. In de praktijk betekende dit een inkomenspolitiek die veel duidelijker op nivellering van inkomens gericht diende te zijn.

Nederland moest in de optiek van Nieuw Links na het aftreden van Koningin Juliana voorts een republiek worden, twee procent van het nationaal inkomen zou aan ontwikkelingshulp besteed moeten worden en het land zou de Noord-Atlantische Verdrags Organisatie NAVO dienen te verlaten. Deze theorieën kregen de PvdA min of meer in hun greep. Uiteindelijk bleef het resultaat van Nieuw Links echter beperkt. Mogelijk is de tijdelijke ruk naar links er de oorzaak van dat de Partij van de Arbeid na 1966 nog nauwelijks regeringsverantwoordelijkheid heeft gedragen.

Sinds 1977 werkt de partij met een nieuw beginselprogramma, waarin het streven naar gelijkheid centraal staat. De ongelijkheid in de arbeidsverhoudingen zou via de macht van de staat moeten worden teruggedrongen. De achterliggende gedachte is dat er geen vrijheid kan zijn zonder gelijkheid. Uitgangspunten zijn voorts: democratie op alle niveaus, verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid over alle leden van de samenleving, iedereen die daartoe in staat is dient arbeid te verrichten, het streven naar een kortere werkweek, zo verdeeld dat voor vrouwen de kans op betaald werk toeneemt; verbetering van het milieu; afwijzing van kernbewapening en vermindering van de tegenstelling tussen de Westerse landen en de ontwikkelingslanden.

3.5. De Pacifistisch Socialistische Partij PSP en de Politieke Partij Radicalen PPR

Het socialisme is sinds haar ontstaan, ondanks het eenheidsstreven, altijd verdeeld geweest. De PSP, opgericht in 1957, splitste zich af van de PvdA omdat deze politionele acties tegen de Indonesische nationalisten had gerechtvaardigd. Nadat de PvdA weigerde een lid van deze stroming op een verkiesbare plaats te zetten, werd een eigen partij opgericht.

De PSP kreeg daarbij toeloop uit de CPN en andere linkse groeperingen. Het aanvankelijke succes bestaande uit twee kamerzetels werd in 1963 voortgezet met een winst van nog eens twee zetels. In 1967 bleef dit aantal gehandhaafd; daarna viel de PSP weer langzaam terug. De partij onderscheidde zich door een sterk antimilitarisme. Daarnaast streefde men naar een radicaler en strijdbaarder socialisme. Eerder dan welke partij ook stelde de PSP begin jaren '60 de milieuproblematiek aan de orde. Later werd ook het feminisme een van de politieke uitgangspunten van de partij.

In 1988/'89 ging men lijstverbindingen aan met de PPR, de CPN en de kleine Evangelische Volkspartij EVP. Uit dit verband ontstond tenslotte Groen Links als politieke partij. De deelnemende partijen bleven daarna nog enige tijd bestaan, de PSP is begin 1991 opgeheven. Feitelijk niet tot de socialistische partijen behorend, en daarom slechts kort behandeld, is de Politieke Partij Radicalen PPR. Ontstaan als radicale stroming binnen de Katholieke VolksPartij KVP, volgde een afsplitsing van deze partij in 1967, toen de confessionele partijen in zee gingen met de VVD.

In het Kabinet-Den Uyl werd medeverantwoordelijkheid in de regering gedragen. In 1977 en 1981 behaalde de PPR drie kamerzetels, daarna liep de aanhang terug. De partij was voorstander van mondiale ontwapening, voor het behoud van het natuurlijk milieu en tegen kernenergie en kernwapens. Voorts stond de partij structurele economische hervormingen voor en toonde men een feministische gezindheid. Ook de PPR ging met PSP, CPN en EVP in 1988-'89 op in Groen Links en is daarna als zelfstandige partij opgeheven.

3.6. Democraten 66 (D66) en Democraten Socialisten '70 (DS'70)

Evenmin tot de socialistische partijen behorend is D'66. De partij baseert zich niet op een levensbeschouwelijke of ideologische grondslag, in plaats daarvan stelt men zich pragmatisch op. Bovendien is D'66 van liberale herkomst, met enig recht zou van radicaal liberalisme kunnen worden gesproken. Zie voorts: Liberalisme. Als reactie op de prominente plaats die Nieuw Links binnen de PvdA ging innemen, ontstond in 1970 DS'70. Deze partij kwam als afsplitsing van de PvdA voort uit de groep 'Democratisch Appel', die in 1968 actief werd om de door Nieuw Links beoogde radicalisering terug te dringen.

DS'70 pleitte bijvoorbeeld voor meer steun aan de Noord-Atlantische Verdrags Organisatie NAVO en wenste meer ruimte voor het particulier initiatief. Na aanvankelijk succes onder aanvoering van W. Drees Jr. met acht kamerzetels in 1971 boette de partij langzamerhand aan aantrekkelijkheid in, mede als gevolg van de terugkeer naar meer gematigde uitgangspunten door de PvdA. Bij de verkiezingen van 1981 ging de laatste kamerzetel verloren en werd besloten DS'70 op te heffen.

4. Het socialisme in de Zaanstreek

4.1. De opkomst van de arbeidersbeweging en de SDB

De opkomst van de arbeidersbeweging volgde op de 19e-eeuwse industrialisatie. Doordat Nederland relatief laat tot industrialisatie kwam, waarbij de Zaanstreek niet vooraan ging, was pas aan het einde van de 19e eeuw sprake van politieke arbeiders-organisatie. De invloed hiervan moet, wat de beginperiode betreft, niet worden overschat. Hoewel er soms sprake was van grote activiteit waren daarbij betrekkelijk weinigen betrokken. Niettemin kreeg de eerste socialistische partij SDB in Nederland, juist in de Zaanstreek haar grootste aanhang. Het socialisme vond hier een goede voedingsbodem.

Ter verklaring is meermalen gedacht aan de vrijzinnig-protestantse en doopsgezinde achtergrond van de 19e-eeuwse bevolking en aan de bedrijfscultuur in de streek, met vele kleine eenheden, die aan de werknemers een relatief grote zelfstandigheid boden waardoor zelfbewustzijn in de hand zou zijn gewerkt. Hoe dat zij, de Zaanse arbeiders kregen na enkele eeuwen met een betrekkelijk gunstige positie aan het einde van de 19e eeuw te maken met een verslechterende situatie.

Door de mechanisatie veranderde het karakter van de meeste hier bestaande bedrijfstakken. In niet meer dan drie hiervan waren de arbeiders al eerder georganiseerd, te weten in de graanpellerij, de olieslagerij en het houtbedrijf. Het al bestaande gemeenschapsgevoel bevorderde uitbreiding van de arbeidersorganisatie. Niet in de laatste plaats is echter ook de nabijheid van Amsterdam van belang geweest; vanuit de hoofdstad ontstond theorievorming en werd daadwerkelijk steun verleend.

Te beginnen in 1882 werd in de streek een groot aantal openbare vergaderingen gehouden, waartoe in Amsterdam het initiatief was genomen. Waarschijnlijk organiseerden de SDB en de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht tegelijkertijd bijeenkomsten. Eén van de eerste, zo niet de allereerste socialistische sprekers in de Zaanstreek was Domela Nieuwenhuis. Binnen enkele maanden sprak hij tweemaal in Zaandam en voorts in Krommenie, Assendelft en Westzaan. In Krommenie, waar 200 belangstellenden naar hem luisterden, ging hij in debat met ds. Tenthoff. Het gevolg van deze spreekbeurten was dat nog in 1882 de afdeling Zaanstreek, als zesde afdeling van de SDB, werd opgericht. De streek bleek een bijzonder vruchtbaar gebied voor het socialistische gedachtegoed. Onder leiding van de meubelmaker Pieter van der Stad, een uitstekend redenaar, kreeg de SDB grote aanhang.

In 1886 was de Zaanstreek met 1000 leden de grootste SDB-afdeling. De meeste leden kwamen uit de noordelijke Zaanstreek. In Zaandam wilde het, wellicht door tegenwerking, propaganda en colportage werden niet toegestaan, minder goed vlotten. Burgemeester Versteeg deelde in 1891 desgevraagd aan de Arbeidsenquête-commissie mee dat er naar zijn mening geen ontwikkeld verenigingsleven onder de arbeiders bestond. Hoewel het elders al woelige jaren waren, was er in de Zaanstreek nog geen sprake van grote stakingen of demonstraties. Het verloop van de Zaanse SDB liep parallel aan dat van de landelijke bond (zie 3.1.). Dat het hierna besproken vrije socialisme zoveel aanhang kreeg hangt ongetwijfeld samen met het eerdere succes van de SDB.

4.2. De vrije socialisten

Het vrije socialisme maakte aan het eind van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw inderdaad veel school in de Zaanstreek. Kenmerken waren het nastreven van een revolutionair-socialistisch ideaal en de absolute afkeer van autoriteit, ook die binnen de eigen beweging. Een verschil met het anarchisme is, dat dit laatste niet per definitie socialistisch behoeft te zijn; in de Zaanstreek werd de term anarchisme dan ook niet gebruikt. Het aantal aanhangers en sympathisanten is mede door het individualistische karakter van de leer niet bekend. In 1899 is in Zaandam een Vrije Socialistische Vereeniging opgericht, waarna ook in de andere Zaanse dorpen afdelingen ontstonden.

Voordien waren al veel vrije socialisten in de SDB en het PAS verenigd. Juist de decentraal georganiseerde Plaatselijke Arbeids Secretariaten waren uitermate geschikt voor het voeren van actie. Toen de invloed van het PAS na de spoorwegstaking van 1903 verminderde, nam ook die van de vrije socialisten af, hoewel er na 1910 weer een korte opleving was. Omdat de SDB-aanhangers en vrije socialisten vooral volks- en zelfontwikkeling nastreefden, richtten zij bijvoorbeeld muziek-, zang- en toneelverenigingen op, terwijl bij hen ook het ontstaan van de geheelonthouders-beweging moet worden gezocht. Deze organisaties waren in zekere zin een kenmerk van de Zaanse arbeidersbeweging. Door de SDB en de vrije socialisten was er in de streek aanvankelijk ook weinig belangstelling voor de SDAP als scheurpartij en voor het NVV.

Pas na 1912, toen mr Jan Eliza Wilhelm (Jan) Duijs in Zaandam 's lands eerste socialistische wethouder werd, kreeg de SDAP gaandeweg meer invloed. De mentaliteit van de vrije socialisten heeft echter nog lang in de Zaanse arbeidersbeweging, socialistisch dan wel communistisch, doorgewerkt. Nog in 1927 en 1931 wist de vrije socialist Antonie Cornelis (Toon) Seijmour in Koog een raadszetel voor zijn Anti-Stemdwangpartij te verwerven. Hij trok vooral stemmen van voormalige aanhangers van Domela Nieuwenhuis. Met zijn zetel in 1931 voorkwam Toon Seymour overigens dat de CPH en RSP (zie 4.4.) invloed in de Koogse raad konden uitoefenen. In 1935 ging de zetel van zijn eenmansfractie verloren.

4.3. De SDAP

De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij en - na de Tweede Wereldoorlog - de Partij van de Arbeid zijn vanaf ongeveer 1910 de belangrijkste politieke factor in de Zaanstreek geweest. Hoewel de partij slechts zelden een absolute meerderheid in één of meer van de tien Zaanse gemeenteraden, Zaandam 1913, Wormerveer 1919, Zaandijk 1919, 1927 en 1935 behaalde, had zij in vrijwel al deze raden tussen 1910 en 1940 de grootste fractie. Alleen in de randgemeenten Assendelft, Jisp, Westzaan en Wormer waren andere partijen soms groter of van gelijke grootte.

In Assendelft was de r.k.-raadsfractie altijd het grootst, terwijl in Jisp het links georiënteerd Gemeentebelangen de meeste raadszetels bezette. In tegenstelling tot de gevestigde mening is de Zaanstreek in de beginjaren van de SDAP geen steunpunt van deze partij geweest. De vrije socialisten behielden de overhand en de eerste poging tot oprichting van een SDAP-afdeling in Zaandam mislukte. Met hulp van buiten de streek is die afdeling tenslotte in 1899 toch tot stand gekomen.

Die hulp of invloed kwam uit Delft. In de laatste jaren voor de eeuwwisseling werden de Artillerie Inrichtingen AI uit die gemeente naar Zaandam verplaatst. De uit Delft meegekomen arbeiders werden in de voor hen gebouwde Russische Buurt gehuisvest en vormden voor en na de oprichting van de SDAP in Zaandam de kern daarvan. Zoals dat ook elders gebeurde, was een onderwijzer, A. Klaver, de eerste jaren de stuwende kracht. Omdat de landelijke SDAP de streek electoraal belangrijk vond, stuurde men in 1902 een partijfunctionaris als propagandist naar Zaandam, mr. Maurits Mendels. Doordat de partij niet kapitaalkrachtig genoeg was om hem te betalen, sprong de dichter Herman Gorter bij. Daarnaast begon Mendels een advocatenpraktijk in Zaandam, min of meer als bijverdienste. Het grootste deel van zijn tijd wijdde hij aan de partij. Mendels' invloed werd snel duidelijk.

In september 1902 verscheen onder zijn redactie het eerste nummer van De Voorpost, arbeiders-weekblad voor de Zaan en omstreken. Het bestaande Volksblad had in zijn ogen geen propagandistische waarde, omdat het teveel polemieken bevatte. Hij stimuleerde scholing en de oprichting van tal van organisaties, zoals de socialistische zang- en muziekverenigingen Morgenrood en Excelsior, toneelverenigingen, rijwielclubs, coöperaties, vrouwen- en geheelonthoudersverenigingen. Socialistische politiek was echter zijn eerste doel. In 1901 werd hij kandidaat gesteld voor de Tweede Kamer en in 1903 voor de Zaandamse gemeenteraad, beide malen nog vergeefs.

In 1904 kwam hij bij een tussentijdse verkiezing toch als eerste sociaal-democraat in de Zaandamse raad. Mendels was niet de eerste socialist die een Zaanse raadszetel veroverde. Paul Leguit was al in 1891, onder veel tumult, in Koog gekozen. Hij had een eigen smederij, maar verloor door zijn lidmaatschap van de Sociaal Demcratische Bond veel klanten. De fabrieksbazen wilden niet meer met hem samenwerken. Leguit werd later ook wethouder na een scherp conflict met burgemeester f. Th Roeters van Lennep. Tijdens een raadsvergadering in 1896 had Jan Dekker, medestrijder van Leguit, de nieuwe politieverordening een 'judas-evangelie' genoemd. De burgemeester ging daarna zo heftig tekeer tegen beide socialisten dat zij hun functie neerlegden. Nieuwe verkiezingen waren nodig, waarna het tweetal werd herkozen. Toen Leguit bovendien wethouder werd besloot Roeters van Lennep te vertrekken. In 1900 sloot Leguit zich bij de toen opgerichte SDAP-afdeling in zijn woonplaats aan, waarna hij voor deze partij in 1905 opnieuw een raadszetel bekleedde. De invloed van de eerste sociaal-democraten in de Zaanse gemeenteraden was gering. Mendels concentreerde zich, als eenling, met weinig succes op de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van het gemeentepersoneel en het stimuleren van volkswoningbouw.

Buiten de raad boekte hij meer resultaat: de partij-aanhang groeide en de verhouding met de vakbeweging verbeterde. Zijn opvolger mr. Jan Duijs, kreeg in 1906 toen Mendels naar Den Haag vertrokken dan ook meteen de steun van een bloeiende partij-afdeling. Als geen ander drukte Duijs een persoonlijk stempel op de politiek in de Zaanstreek. Hij was een begaafd spreker die demagogie niet schuwde en had ook een bijtende pen. Hij kreeg in korte tijd een grote populariteit. Mede of vooral door zijn optreden kreeg de streek de naam de rooie Zaan. Sprak hij op een propaganda-avond, dan puilde de zaal uit. Onder zijn redactie steeg de oplage van De Voorpost zienderogen. In de raad overdonderde hij zijn politieke tegenstanders, ook al waren zijn toespraken niet steeds ter zake. Hij liet zich vaak in de andere Zaanse dorpen zien waar hij colporteerde met De Voorpost. Ook buiten de streek kreeg hij bekendheid, zeker nadat hij in 1909 tot lid van de Tweede Kamer was benoemd; illustratief is dat de in de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerde Zaankanters de jongens van Duys werden genoemd. Zijn invloed is groot geweest, maar werd veel later miskend en liefst verzwegen doordat hij zich voor de Tweede Wereldoorlog tot de NSB bekeerde.

In 1907 waren Duijs en Leguit niet meer de enige socialistische raadsleden. In Wormerveer trad de lithograaf Bernardus Willem Binnendijk (geb.1880) in de raad, in Assendelft onderwijzer Maarten Sikkes. Binnendijk werd als gevolg van zijn benoeming ontslagen door zijn werkgever, de nv Verwer's Vernis- en Metaaldrukkerij in Krommenie. Duys' optreden jegens de andere Zaandamse raadsleden had tot gevolg dat hij uit raadscommissies werd geweerd. Tot de commissie van toezicht op het lager onderwijs werd de SDAP zelfs jaren later nog niet toegelaten, onder de drogreden dat er geen socialistische variant van het bijzonder onderwijs bestond.

Als tweede SDAP-er deed in 1908 Klaas Prins zijn intrede in de Zaandamse gemeenteraad. In 1913 werd reeds ongeveer een kwart van alle Zaanse raadszetels door sociaal-democraten bezet. Door het sluiten van een verbond hadden anti-revolutionairen, katholieken en liberalen vergeefs getracht de politieke invloed van de socialisten te beteugelen. Vooral in Zaandam, waar 10 van de 19 zetels aan socialisten toevielen, ging de SDAP de plaatselijke politiek beheersen. Duys had in 1912 al de wethouderspost van de liberaal Gerrit van Holk (1867-1927) overgenomen en werd daarmee de eerste socialistische wethouder van ons land. Dat bracht in de landelijke SDAP een discussie teweeg. Mocht men bestuursverantwoordelijkheid aanvaarden zolang er in de raad geen socialistische meerderheid was? Men moest dan immers meewerken aan niet door de SDAP gesteunde besluiten? Het partijbestuur hakte die knoop eenvoudig door: het was Duys wel toevertrouwd zich kritisch te blijven opstellen. Het probleem was, wat Zaandam betreft, trouwens een jaar later achterhaald, doordat de SDAP inderdaad een raadsmeerderheid kreeg.

Dirk Donia werd toen de tweede sociaal-democratische wethouder. Wel diende zich nu meteen een volgend probleem aan: de twee socialistische wethouders stonden in B&W tegenover een niet-socialistische burgemeester en een dito wethouder en de stemmen staakten keer op keer. 0m dit op te lossen eiste de SDAP een vierde wethouderspost voor zich op. Jhr. mr. dr. Carl Adolph Elias zag hierin aanleiding om voor het burgemeesterschap te bedanken. Zo kwam opeens, in 1914, de weg vrij voor de benoeming van de eerste socialistische burgemeester in Nederland, het kamerlid Kornelis ter Laan.

Ter Laan kwam niet in een opgemaakt bed. Nog afgezien van de aanvankelijke discussie binnen de SDAP of een socialist wel burgemeester mocht worden, bleef hij steeds de ogen van zijn partij in de rug voelen. Ook was het duidelijk dat Den Haag met meer dan gewone aandacht zijn optreden in Zaandam volgde: liberaal en confessioneel Nederland wachtte in spanning op de van hem verwachte blunders. Gezegd mag worden dat Ter Laan ze steeds met veel inventiviteit wist te vermijden. Nog vóór jhr. Elias vertrok, voerde Zaandam de achturige werkdag voor het gemeentepersoneel in. Daardoor en door een gul salarisbeleid kon de gemeentebegroting slechts moeizaam sluitend worden gemaakt. Kritiek was er ook op het besluit niet te vlaggen op de verjaardagen van leden van het koninklijk huis.

Een en ander viel echter in het niet bij de onrust tengevolge van de houtwerkersstaking in 1914. Ter Laan manoeuvreerde voorzichtig en slim; hoewel de landelijke pers felle kritiek uitte, kon de minister van Binnenlandse Zaken Cort van der Linden niet anders dan constateren dat de Zaandamse burgemeester binnen de ruimte van de wet opereerde. De jaren van de Eerste Wereldoorlog beproefden de overwegend socialistische raad in niet geringe mate.

Impopulaire maatregelen waren nodig om begrotingstekorten te vermijden. Een brief van de geheelonthoudersbeweging tegen de kermis werd niet door de SDAP gesteund omdat men de kermisgelden niet kon missen. Dat kostte de stemmen van de (vele) geheelonthouders. Toen Duijs bovendien de door Troelstra verkondigde revolutie verdedigde in een toespraak vanaf het balkon van Ons Huis, viel ook de steun van de meer gematigde socialisten weg.
Bij de verkiezingen van 1919 verloor de SDAP in Zaandam twee zetels, waarmee de raadsmeerderheid verloren ging. Opmerkelijk is dat Ter Laan's burgemeesterschap toen niet ter discussie is gesteld, hij was er kennelijk in geslaagd, ook landelijk, door de andere partijen te worden geaccepteerd.

Sinds het begin van de jaren '20 werd de SDAP steeds meer als gevestigde partij erkend. Het radicale karakter, zo dat er nog was, verdween, zodat er zelfs een bescheiden politieke aanhang kon ontstaan van zich ontwikkelende of afsplitsende partijtjes ter linkerzijde. In Oostzaan werd de SDAP in de jaren '30 de grootste partij. In Jisp daarentegen kwakkelde het democratisch socialisme. Hier kon het zich pas na de Tweede Wereldoorlog in de PvdA beter organiseren. Maar in alle andere Zaangemeenten gingen SDAP- vertegenwoordigers mede-verantwoordelijkheid voor het bestuur dragen. In de crisis van de jaren '30 was dat overigens niet eenvoudig: overal moest de tering naar de nering worden gezet. De socialisten streefden naar werkverruiming, invoering en/of behoud van de CAO-lonen en goede steunregelingen voor werklozen, maar de gemeenten kregen weinig speelruimte van de landsregering.

In het socialistische Zaandam werd geprobeerd de gemeentelijke tarieven te verlagen, althans zo laag mogelijk te houden. Ook weigerde de SDAP hier medewerking aan de uitzending van werklozen naar de polders in de kop van Noord-Holland en zelfs Overijssel, in het kader van de werkverschaffing. Dreigementen en inhouding van subsidie op de steunverlening door de regering Colijn brachten daarin pas na veel gemeentelijke tegenstand verandering; er werden toch werklozen naar Giethoorn gestuurd. Ter Laan en zijn opvolger burgemeester mr. dr. Joris in 't Veld, zagen vanaf 1937 met lede ogen dat de autonomie van hun bestuur steeds verder ingeperkt werd en er geen ruimte overbleef voor het in de praktijk brengen van hun socialistische ideeën. Een van de weinige mogelijkheden was de beschikbaarstelling van gemeentegrond voor de zogenaamde werklozentuintjes. Afgezien daarvan kreeg de gemeente nauwelijks kans voor eigen initiatieven.

4.4 RSP, RSAP en OSP

Deze kleine partijen hebben incidenteel in Zaandam, Koog-Zaandijk, Wormerveer en Krommenie aan de gemeenteraadsverkiezingen deelgenomen. Alleen in Zaandam had dat resultaat en dan nog uitsluitend voor de RSAP: twee zetels in 1935, één in 1939. De reden kan gezocht worden bij de eerdere arrestatie van partijleider Henk Sneevliet (zie 3.3), die propagandistisch werd uitgebuit en bij de meer radicale socialisten verontwaardiging wekte. Binnen de Zaanse, feitelijk Zaandamse RSP en latere RSAP stond Fokke Bosman centraal. Hij kwam uit de CPI-I en was daarin zelfs lid geweest van het landelijk bestuur, maar verliet de communistische partij uit onvrede met wat hij de Komintern-directieven noemde. Bij de raadsverkiezingen van 1931 was hij kandidaat voor de RSP; hij behaalde geen zetel doordat een communistische actie twijfel aan zijn betrouwbaarheid zaaide. De RSP kreeg in dat jaar evenmin een zetel in Wormerveer en Zaandijk, ondanks kandidaatstelling. Terwijl er toch tamelijk intensief propaganda is gevoerd heeft de OSP in de Zaanstreek geen succes gehad. De enige raadszetel in Zaandam, bezet door Stan Poppe was in feite een SDAP-zetel. Poppe was namelijk voor de SDAP in de gemeenteraad gekomen, maar ging bij de vorming van de OSP in 1932 naar deze nieuwe partij over en weigerde zijn zetel op te geven.

Dit in tegenstelling tot het Zaandijkse raadslid Joseph Burgerjon (geb.1899), die eveneens OSP-er werd, maar zijn SDAP-zetel in de raad beschikbaar stelde. De fusie van RSP en OSP tot RSAP in 1935 wekte aanvankelijk wel enige geestdrift in de Zaanstreek. Bosman en Poppe werden in de Zaandamse raad gekozen en ook elders in de streek werden meer stemmen behaald dan tevoren. Toch werd al snel duidelijk dat het huwelijk tussen de meer radicale splinterpartijen niet erg harmonisch was. In de ogen van de eerdere RSP-aanhang waren de OSPers te burgerlijk. Het gebrek aan eenheid werkte door bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1939; het aantal stemmen liep fors terug. Ook dat RSAP-voorman Fokke Bosman regelmatig conflicteerde met de landelijke partijleider Henk Sneevliet speelde een rol. In Zaandam kon nog juist een raadszetel worden behaald. Zoals eerder vermeld is de RSAP na de Tweede Wereldoorlog niet in het politieke krachtenveld teruggekeerd.

4.5. De PvdA

De Partij van de Arbeid (zie 3.4.) trad na de oorlog bijna geruisloos in de voetsporen van de SDAP. Bij de verkiezingen van 1946 werd de PvdA, die overigens pas een jaar later een eerste partijprogramma formuleerde, in vrijwel alle Zaangemeenten meteen de grootste partij. Alleen Assendelft, met van oudsher een sterke KVP, en Krommenie vormden een uitzondering. In Krommenie was de CPN-aanhang groter. In de eerste naoorlogse jaren was er weinig politieke strijd. Door de wederopbouw bleven de tegenstellingen op de achtergrond. Toch stelde de PvdA zich meteen ook al tot doel de in 1946 aan de CPN verloren stemmen terug te winnen. De communisten ageerden heftig en in de Zaanstreek met opmerkelijk succes tegen wat zij noemden de wederopbouw van het land over de ruggen van de arbeiders. Zij kritiseerden ook de rol van de PvdA in het dekolonisatie-beleid, de politieke opstelling in het conflict met Nederlands-Indië/Indonesië en de daaruit voortvloeiende politionele acties. Naar communistische opvatting werd vooral door dat laatste de kans op een toenadering tussen beide partijen gemist.

De inmiddels ontstane koude oorlog kostte de CPN echter veel stemmen, terwijl de PvdA mede door de bewondering voor vader Drees juist groeide. Dat werd al duidelijk bij de raadsverkiezingen van 1949. In Koog, Oostzaan en Westzaan viel de CPN terug van l naar 3 zetels, in Krommenie van 5 naar 4, in Wormer van 3 naar 2 en in Zaandam van 8 naar 6. De PvdA won daarentegen in alle gemeenten gezamenlijk 5 zetels. Sindsdien kreeg de partij, met slechts enkele uitzonderingen, steeds zoveel stemmen dat in vrijwel alle gemeenten de grootste raadsfractie die van de PvdA was. Die uitzonderingen vinden we in:

  • Assendelft, waar de KVP, later het CDA, steeds de grootste partij bleef;
  • Jisp (1957, 1962, 1966) door toedoen van de plaatselijke partij Gemeentebelangen;
  • Krommenie, toen in 1970 KVP en ARP onder de gelegenheidsnaam PCG met een gezamenlijke lijst succes hadden;
  • Oostzaan, waar in 1970 de CPN juist één zetel meer veroverde en in 1990 Groen Links de PvdA overvleugelde;
  • Westzaan, waar Gemeentebelangen in 1970 maar liefst vier van de elf zetels won.


Het valt in dit lijstje op dat 1970 voor de Zaanse PvdA blijkbaar een moeilijk jaar was. Dat zou kunnen samenhangen met de voorgenomen samenvoeging van toen nog tien gemeenten tot Zaanstad, waarvan de partij zich als voorvechter leek op te werpen. Aannemelijker is echter dat de activiteit van Nieuw Links een aantal meer gematigde PvdA-ers ertoe bracht een andere keuze te maken. Na het naar de achtergrond verdwijnen van deze stroming keerde de verloren gegane aanhang trouwens weer grotendeels tot de PvdA terug.

De dominante positie van de PvdA in de gemeenteraden vond vanzelfsprekend een weerslag in de benoeming van Zaanse burgemeesters. Met uitzondering van Assendelft waar na de Tweede Wereldoorlog benoemde burgemeesters tot de KVP behoorden en Wormer waar Amelius Loggers, burgemeester van 1946 tot 1976, als partijloos gold waren alle benoemde eerste burgers PvdA-ers. De partij had vanaf de oprichting afdelingen in alle Zaanse gemeenten, Koog en Zaandijk vormden samen een afdeling.

Zes van de negen afdelingen moesten begin jaren '70 de samenvoeging tot Zaanstad mede voorbereiden. Ze werden daartoe met behoud van hun zelfstandigheid tot een federatie verenigd. De eerste taak was daarbij het opstellen van een programma en de samenstelling van een kandidatenlijst voor de in 1973 gehouden raadsverkiezing. Bij het laatste was, gezien plaatselijke chauvinistische gevoeligheden, een verdeelsleutel nodig; overeengekomen werd dat onder de eerste tien plaatsen een kandidaat uit elk van de zeven deelgemeenten moest voorkomen. Bij de verwachte verkiezingsuitslag moest dat ertoe leiden dat in de raad van Zaanstad elke deelgemeente door tenminste één socialist vertegenwoordigd zou zijn. Er werden 14 zetels behaald. Dit was minder dan sommigen hadden verwacht. De oorzaak was niet alleen dat er meer partijen aan deze verkiezingen deelnamen, er waren ongeveer twintig lijsten ingeleverd, maar vooral dat kleine partijen, die in de kleine gemeenten de kiesdrempel nooit hadden overschreden, in de grotere raad van Zaanstad wél een zetel konden behalen. Zaanstad kreeg in 1974 dan ook een gemeenteraad met niet minder dan acht fracties, waarvan de PvdA veruit de grootste was.

De verkiezingsuitslag van 1973 maakte het mogelijk een links program-college te vormen, bestaande uit wethouders van de PvdA, CPN en PPR/PSP. Landelijk gezien was dit vrij uniek. Na de verkiezingen van 1978 kon dit linkse program-college gehandhaafd blijven, maar na de verkiezingen van 1982 werd de linkse meerderheid in de raad te klein geacht en koos men voor wethouders uit PvdA, CDA en CPN. Ook dat was in landelijk opzicht een ongebruikelijke combinatie. In 1986 zakte de CPN van vijf naar twee raadszetels, terwijl de PvdA aan populariteit won. Er kwam een combinatie van alleen PvdA- en CDA-wethouders.

In 1990, toen het aantal socialistische stemmen was teruggelopen, werd deze formatie uitgebreid met een wethouder afkomstig uit D'66. Sinds het ontstaan van Zaanstad heeft de PvdA lange tijd drie of vier wethouders in het college van B&W gehad. Het werd al gauw niet meer van belang geacht uit welke deelgemeente de kandidaat-raadsleden afkomstig waren. Wel poogde de partij naarstig meer vrouwen bij het raadswerk te betrekken. In 1986 waren vier van de 18 PvdA-raadsleden vrouwen, in 1990 werd Margreet Horselenberg-Koomen, eerder al fractievoorzitter, de eerste vrouwelijke wethouder van Zaanstad. Een poging via wijkraden, feitelijk stadsdeelraden enige politieke inbreng namens de vroegere deelgemeenten tot stand te brengen, leed schipbreuk doordat de in deze raden gekozen afgevaardigden zich meenden te moeten schikken naar directieven van hun fracties in de raad van Zaanstad. Deze wijkraden vormden daardoor enigszins een schijnvertoning. Ook uit kostenoverwegingen, Zaanstad was in aanvang nog niet bijzonder kostenbewust, zijn ze na enkele jaren alweer opgeheven.

De raadsverkiezingen in 1990 brachten de PvdA een fors stemmenverlies. Niet alleen in de Zaanstreek, maar in het gehele land. In en buiten de partij is naar oorzaken gezocht. Aannemelijk lijkt de verklaring dat de samenleving zoveel vooruitgang boekte, dat de socialistische droom, althans materieel gezien, minder aansprak. Daarbij komt dat enerzijds de partijprogramma's van zowel liberalen als confessionelen inmiddels elementen bevatten die in vroeger jaren socialistisch heetten, terwijl anderzijds de PvdA zelf meer pragmatische in plaats van idealistische standpunten ging huldigen. Hoewel dat wordt bestreden nam bij vele voormalige socialisten de belangstelling ook af door opportunisme binnen de politieke praktijk.

4.6. PSP en PPR

Klein links was in de Zaanstreek traditioneel sterk vertegenwoordigd. Dat geldt niet alleen de CPN die in de Zaanse verhoudingen zelfs onmogelijk bij de kleinere partijen gerangschikt mocht worden, maar ook voor de PSP en de PPR. Opvallend is dat de PSP al in het jaar na zijn oprichting, bij de verkiezingen in 1958, een raadszetel in Krommenie, Westzaan en Wormer behaalde. In Zaandam en Wormerveer direct al twee. De stemmen kwamen van zowel de voormalige PvdA- als van de CPN-aanhang. De zeven Zaanse raadszetels in 1958 namen in 1962 toe tot zelfs 21, maar daalden daarna tot tien in 1966 en, voor de partij dramatisch, tot twee in 1970. Daarmee was de politieke rol vrijwel uitgespeeld.

De PPR had minder spectaculaire verkiezingsresultaten. In 1970 kreeg de partij twee zetels in Zaandam. Nadat Zaanstad in 1974 ontstond werden drie zetels in de gemeenteraad bezet. Het vooruitzicht dat deze verloren zouden gaan bracht de PPR tot een lijstverbinding met de PSP; in Zaanstad werden via een gezamenlijke lijst respectievelijk twee (1978), drie (1982) en twee (1986) zetels behaald. In Oostzaan behaalde de combinatie PPR/PSP in 1979 één zetel; bij de voorgaande verkiezingen in 1974 had een verbond tussen PvdA, PPR en PSP tot vier zetels geleid.

In Wormer gingen PPR, PSP en CPN als een soort Groen links avant la lettre in 1986 samen, met drie raadszetels als resultaat. In Jisp ging de PPR een lijstverbinding met de CPN aan, waardoor afwisselend één of twee zetels in de zevenmans-raad van dit dorp werden bezet. In Wormerveer, tenslotte, ging de PPR in 1970 samen met de PvdA in zee; mogelijk hierdoor werden vijf zetels behaald, in 1966 had de PvdA er vier.

De PSP had meteen na de oprichting in 1957 al een afdeling Zaandam. In de raad van Zaanstad was de partij een groot voorstander van de wijkraden, waaraan men naar het oordeel van de PSP grotere bevoegdheden had moeten toekennen. In 1974 en 1978 maakten de PPR en PSP gezamenlijk deel uit van het linkse program-college van Zaanstad, dat onder de leiding van de PvdA stond. In de raad maakte de PPR/PSP-fractie zich niet alleen sterk voor een krachtige aanpak van de milieu-problematiek, maar bijvoorbeeld ook voor een gemeenschappelijk standpunt tegen de apartheid in Zuid-Afrika, waarbij voor een boycot van olieproducent Shell werd gepleit. Met dat laatste leek het radicale socialisme van weleer voor even teruggekeerd. Hoewel de PPR en de PSP elkaar op gemeentelijk niveau blijkbaar gemakkelijk konden vinden, waren hun wortels toch wel zo verschillend dat zij vooralsnog zelfstandig wensten te blijven. In Zaanstad opteerde men in 1982 gezamenlijk voor voortzetting van het linkse program-college; toen de PvdA voor samenwerking met het CDA koos, reageerden PSP en PPR verbitterd.

4.7. D66 en DS'70

Het radicale liberalisme van D66 en het behoudende socialisme van DS'70 zijn in de Zaanstreek minder aangeslagen dan hier en daar elders het geval was. D66 is uitgebreider behandeld onder Liberalisme. DS'70 kan op weinig resultaat in de Zaanstreek bogen. Alleen in 1973 bij de samenvoeging werd een raadszetel bemachtigd. In 1978 diende de partij zelfs niet meer een kandidatenlijst in.

Nadat in augustus 1989 landelijk een vereniging was opgericht waarin de Evangelische Volks Partij EVP, de PPR, de PSP, de CPN en een aantal partijlozen samenkwamen, kwam snel ook in de Zaanstreek de samenwerking in Groen Links tot stand. PSP Zaanstad had grote moeite met het opgaan in de nieuwe partij; liefst drie ledenvergaderingen waren nodig voor de beslissing kon worden genomen; een aantal PSP-leden zegde het lidmaatschap op.

In januari 1990 werd de samenwerking in Groen Links voor de komende jaren bekrachtigd bij het aannemen van het verkiezingsprogramma en de kandidatenlijst. Bij de raadsverkiezingen in maart 1990 haalde Groen Links zes zetels, was in 1986 twee voor PSP/PPR en twee voor CPN).

In Oostzaan werden eveneens in januari 1990 het verkiezingsprogramma en de kandidatenlijst aangenomen. Bij de raadsverkiezingen van maart 1990 haalde de partij vijf zetels, 1986: twee voor de CPN; Groen Links kreeg hiermee de grootste raadsfractie. In de nieuw gevormde gemeente Wormerland haalde Groen Links bij de raadsverkiezingen in november '90 twee zetels.

5. Besluit

De ongeveer honderdjarige geschiedenis van het socialisme in de Zaanstreek is eigenlijk te boeiend om zo beperkt te worden samengevat. Voor een encyclopedie zijn feitelijke en cijfermatige gegevens van groter belang dan een poging de motivatie en het idealisme van de aanvankelijke socialisten te achterhalen.

Zelfs Jaap 't Hoen kwam met zijn overigens lofwaardige studies van samen meer dan 800 bladzijden niet boven het niveau van een opsomming uit. Toch lijkt het ons dienstig om tenslotte, zij het heel in het algemeen, juist de integere bedoelingen, het doorzettingsvermogen en de opofferingsgezindheid van de vroegere Zaanse socialisten te onderstrepen. Dat lijkt des te meer nodig omdat in het verleden de overigens door socialisten zelf nagestreefde klassenstrijd tot verharde standpunten leidde, waarbij voor een meer genuanceerd oordeel geen plaats was.

Stellig is het zo dat de opkomst van de arbeidersbeweging de Zaanstreek ten diepste heeft beïnvloed, niet in het minst in bestuurlijk opzicht. Even zeker kan achteraf worden vastgesteld dat het socialisme in hoge mate de volksontwikkeling heeft bevorderd. Het streefde die ook bewust na. Juist in een streek met een bevolking van, zoals dat langs de Zaan vroeger het geval was, overwegend in de industrie werkzame arbeiders mag niet worden ontkend dat belangrijke stimulansen tot deze ontwikkeling, of het nu studie of ontspanning, in welke vorm dan ook, betrof, ontleend waren aan socialistische idealen. In dat opzicht had de liberale 19e eeuw, ondanks loffelijke instellingen zoals de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, de minst bedeelden weinig of niets geboden.

En tenslotte is het niet eens gewaagd te veronderstellen dat onze tegenwoordige consumptiemaatschappij, waarmee grote economische belangen zijn verweven, niet zou zijn ontstaan zonder de door socialisten gevoerde strijd om lotsverbetering. Dat het elan van de beweging in de voortdurend veranderende samenleving op den duur aan erosie onderhevig is geraakt, zal als eindconclusie niet verbazen.

Ger Jan Onrust/Eindredactie

6. Literatuur en bronnen

  • J. van Putten, Politieke stromingen, Utrecht 1986;
  • G. Harmsen, Historisch overzicht van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland, l. Van de begintijd tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, z.p.z.j.;
  • E. Hueting, F. de Jong Edz. en R. Neij, Naar groter eenheid, Amsterdam 1983;
  • P. van Horssen en D. Rietveld, De Sociaal-Democratische Bond, in: 'Geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging in de 19e eeuw`. Den Haag 1978 en in 'Tijdschrift voor sociale Geschiedenis', 1977;
  • J.C.H. Blom, De Muiterij op de Zeven Provinciën, Utrecht 1983;
  • Jaap 't Hoen, De Rode Zaanstreek, Zaandam 1978;
  • F.M. Galesloot, Partijformaties in een tanend liberaal bolwerk, de opmars van confessionelen en socialisten in Zaandam in de periode 1880-1929, in 'Broeders sluit u aan', Den Haag 1985;
  • H. Winkel, De vrije socialisten in de Zaanstreek 1899-1914, scriptie, Krommenie 1981;
  • F. van der Putte en R. Hartmans, Zaandam in de crisis, scriptie, Amsterdam 1982;
  • F. van der Putte, Het geval Zaandam, ongepubliceerd, Amsterdam 1984;
  • N. Passchier, 75 jaar socialisten in Oostzaan, in 'de Heipaal'. jrg. 1984;
  • A. van Ginkel, Fokke Bosman, leven voor de beweging 1918-1940, scriptie, Krommenie 1987;
  • M. Bakker, De verhouding tussen sociaaldemocraten, toespraak Krommenie 1988;
  • Verkiezingsprotocollen Wormer, Jisp, Oostzaan, Assendelft, Koog aan de Zaan, Krommenie, Westzaan, Wormerveer, Zaandam en Zaandijk (in Streekarchief Waterland, Gemeente-archief Oostzaan, Gemeente-archief Zaanstad);
  • Persoonlijk archief W. Tip, Westzaan;
  • Archief Dagblad voor de Zaanstreek De Typhoon.
  • socialisme.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/06 19:31
  • door 213.127.55.218