boerenbedrijf

Primaire bron van bestaan, in de Zaanstreek van oudsher beoefend. De belangrijkste landbouwtak in de Zaanstreek was en is de veehouderij; daarnaast worden op bescheidener schaal Akkerbouw en Tuinbouw bedreven. Een bijzondere, met name in Oostzaan zeer belangrijke, agrarische sector was de pluimveehouderij. Het in de onmiddellijke omgeving gelegen agrarische gebied van de Wijde Wormer is hier buiten beschouwing gelaten.

Algemeen

Landbouw is een bedrijvigheid die wereldwijd wordt uitgevoerd zodra mogelijkheden daartoe aanwezig zijn. Landbouw, visserij en jacht, de eerste vormen van menselijke bedrijvigheid, om primair te overleven. Wanneer een land tot ontwikkeling komt, ontstaan andere takken van bedrijf, die ondersteuning betekenen van deze elementaire beroepen. Hoe hoger de graad van ontwikkeling van een land, hoe minder binding met de landbouw men heeft. Hoog-geïndustrialiseerde samenlevingen kunnen onder de bevolking het idee postvatten dat landbouwproducten fabrieksmatig worden vervaardigd. Mensen ervaren dan nauwelijks dat landbouwproducten door aarde of dieren zijn gegeven.

Zaanstreek, historisch overzicht

In de Zaanstreek zijn al sinds eeuwen landerijen aanwezig en wordt ook al sinds eeuwen landbouw beoefend. Ook sinds de tijd waarin de Zaanstreek kan worden aangemerkt als industriegebied was steeds een boerenbevolking aanwezig. Reeds in de 13e eeuw werd hier en daar in de Zaanstreek akkerbouw uitgeoefend. Op hoog gelegen percelen werden granen verbouwd. Voor dat doel werden ook stroken grond gebruikt, die naast een sloot of vaart lagen en met bagger uit die sloot of vaart waren opgehoogd. Toch is de akkerbouw in de Zaanstreek nooit van grote betekenis geweest. Tijdelijk was het gebied geheel verloren voor de akkerbouw, door vervening en verhoging van het waterpeil. Halverwege de 19e eeuw werd de akkerbouw weer hervat in het Zaanse deel van de IJ-polders, die in 1872 droog vielen. Dat waren de Zaandammer-, Westzaner- en de Nauernasche polder. De Achtersluispolder, ofschoon een kleipolder, bleef grasland.

Meer dan veeteelt

De Zaanstreek was vooral een gebied waar veeteelt bedreven werd. Het eerste doel was de melkwinning, het tweede doel de vleesproductie. Runderen vormden de hoofdmoot, maar de schapenhouderij werd als welkome aanvulling gezien. In sommige delen van de Zaanstreek, met name in Oostzaan, aansluitend op de buurgemeenten Landsmeer en Den Ilp, was de pluimveehouderij een belangrijke bron van inkomsten. Pluimvee, kippen en aanvankelijk ook eenden, werd vooral gehouden voor de eieren; er was hoogstwaarschijnlijk een relatie met de beschuitbakkerijen van Jisp en Wormer. De pluimveehouderij was manifest aanwezig in Oostzaan: talrijke kippenschuren en eendenhokken stonden in het dorp. De lucht vaak vergeven van de penetrante geur van het visafval dat het pluimvee voorgeschoteld kreeg. Inmiddels heeft de pluimveehouderij geen betekenis meer, maar aanverwante sectoren als kippenslachterij en eierhandel bleven. Machinefabriek Meyn Machinefabriek bv in Oostzaan maakt unieke machines en installaties voor kippenslachterijen, die in de hele wereld worden gebruikt.

Veevoer uit de Zaanse industrie

(Pluim)veehouders waren altijd afnemers van diverse afvalproducten uit de Zaanse industrie. Zij kochten lijnkoeken of meel van fabrieken als Duyvis, Zwaardemaker en Kaars Sijpesteijn en maisglutenmeel van Honig. Ook afval van de stijfselmakerijen en bierbrouwerijen, laatstgenoemde waren in de Zaanstreek overigens nauwelijks aanwezig, werd gebruikt, onder andere als spoeling en bostel. De suikerfabriek in Halfweg leverde de veeboeren natte suikerbietenpulp, die per schip naar de Zaanstreek werd vervoerd. Later werd deze pulp gedroogd en in pellets geperst, waardoor het makkelijker vervoerbaar werd en het hele jaar door beschikbaar was. Door veranderingen in het voerpatroon, de overgang van enkelvoudige naar samengestelde voeders, werd de productie van veevoer een gespecialiseerde bedrijfstak.

Seizoenarbeid

Reeds vroeg werd in de landbouw gewerkt met arbeiders van buiten de streek. In de oogst-, maai- en hooitijd kwamen boeren arbeidskrachten te kort en verbleven landarbeiders uit bijvoorbeeld Gelderland en Drenthe, tijdelijk zes tot acht weken bij de boeren. Thuis hielden vrouwen en kinderen hun kleine boerenbedrijfjes draaiende. Dikwijls kwamen de arbeiders bij de boer terug en ontstonden hechte relaties die vaak uitliepen in wederzijdse bezoeken. Een grote groep seizoenarbeiders kwam uit Putten. Na de Tweede Wereldoorlog, waarin een groot deel van de mannelijke bevolking van Putten werd vermoord, werd de landbouw sterk gemechaniseerd en kwam een einde aan de seizoenarbeid.

Weinig bekend van voor 1880

Over de geschiedenis van de landbouw tot 1800 zijn weinig feitelijkheden bekend, overheden interesseerden zich er nauwelijks voor. In 1800 werd door agent van de nationale economie Johannes Goldberg en commissaris van landbouwzaken Jan Kops een uitgebreid onderzoek ingesteld naar het boerenbedrijf en werd er op nationaal niveau geïnventariseerd.

Vele plagen troffen de Zaanse boeren. Gezien de vele braken aan de Zuiderzeedijken, kan worden aangenomen dat deze overstromingen een ramp betekenden voor de betrokken boeren. De beschrijving van de watersnood van 1916 is het meest uitgebreid. In de Zaanstreek overstroomden Oostzaan en Oostzaandam. Een commissie zocht plaats voor het geëvacueerde vee, dat op het terrein van de gemeentereiniging te Zaandam werd gestald. Tevens werd geld ingezameld voor veevoer en hooi. Zie voorts: Watersnood.

Ups en downs

In de jaren 1714-1720 en 1744-1754 heersten in Nederland epidemieën als Veepest waaraan 70 tot 80% van de veestapel teniet ging. De Zaanstreek werd daarbij niet gespaard. Sommige landerijen staan bekend als het Kerkhof(je) waar vermoedelijk afgemaakte of gestorven runderen werden begraven. Door de eeuwen heen werd ook de landbouw geregeld geconfronteerd met het feit dat vraag en aanbod niet op elkaar waren afgestemd. Herhaaldelijk moesten boeren overstappen naar andere activiteiten. Dan lag de nadruk op de melkwinning, dan weer op de vleesproductie, een situatie die tot heden nooit veranderde. Boeren overleefden door een sobere levenswijze en hard werken. Tijdens de Franse overheersing was het met alle bedrijfstakken slecht gesteld; landbouw vormde daar geen uitzondering op. Na 1810 werd de situatie beter. Een deputatie van het Engelse parlement, op bezoek in Nederland, constateerde dat Nederlandse landlieden waren behangen met zilveren en gouden sieraden, duidelijke statussymbolen.

Tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870 liepen de kaasprijzen sterk op. Ook stegen de prijzen van het land. Voor de Heren waren dergelijke ontwikkelingen aanleiding land te verkopen aan de boeren. In 1860 brak een landbouwcrisis uit en werden boeren door nood gedwongen goedkoop land van de hand doen. De heren kochten het land dan weer terug, een spel dat zich herhaalde malen zo afspeelde.

Tijdens de crisis 1929-1937 raakte veel land in bezit van industriëlen. Houthandels verwierven flinke stukken land, die tegen redelijke pachtprijzen aan Zaanse boeren werden verhuurd. De verhouding tussen heer en boer was veelal hecht. Indien de boer hout nodig had voor hekken of stallen verzocht hij zijn huurbaas, waar voor schappelijke prijs materialen beschikbaar werden gesteld. Personeel van houtwerven lette op grazend vee; zodra een schaap in onmacht lag, of een koe in de sloot, ondernamen zij actie of waarschuwden de boer.

Boerderijen in Zaandam verdreven

Boerderijen waren aanvankelijk gevestigd in stad of dorp. In Assendelft, Oostzaan en Westzaan is die situatie nog grotendeels ongewijzigd. In Zaandam weken boeren uit voor stadsuitbreiding. Boerderijen in Oostzaandam waren gevestigd aan de Zuiddijk en zijpaden als Pantepad, Sluispad en aan de Oostzijde. Bekend stond Oostzijde 192, de Tuin der Nederlanden. Aan de Westzijde en zijpaden als het Mr. Cornelispad, Stuurmanspad en Bakkerspad stonden boerderijen. Bij de Dam, het centrum van Zaandam, stond tot 1950 een boerderij aan het Krimp, waar het PTT-gebouw staat. In Westzaandam lagen landerijen aan de westkant van de Westzijde tot aan de Vaart, van de Vaart tot aan de Watering en van de Watering tot aan de Gouw. In Oostzaandam was de situatie soortgelijk.

Vaarboeren

Thans is het onvoorstelbaar hoe boeren in vroeger jaren voor een matig inkomen hebben moeten ploeteren. Het hooi, het gras en de mest moesten varend, dat wil zeggen: met plat of praam en weinig diepgang in verband met de ondiepte van de sloten en een drijfvermogen van ongeveer vijf ton, van ver afgelegen landerijen naar boerderijen in de dorpen vervoerd worden. Ook vee werd per plat vervoerd. Met vijf tot zeven koeien aan boord lagen de boorden van de plat bijna in het water. Boeren hadden altijd een scherp mes paraat om koeien in noodgeval los te kunnen snijden. Aanvankelijk werden vaartuigen met behulp van een vaarboom voortbewogen. Met de komst van buitenboordmotoren werden ver afgelegen landerijen makkelijker bereikbaar.

Organisatie van de landbouw

Tot 1850 was landbouw niet georganiseerd. De eerste algemene vergadering van de Hollandse Maatschappij van Landbouw werd gehouden op 13 november 1847 in het Prinsenhof te Haarlem. Bij de vereniging hadden zich 700 leden aangesloten. Koninklijke goedkeuring werd verkregen op 21 januari 1848. De oprichters kwamen uit Noord- en Zuid-Holland; onder hen jonkheren, meesters in de rechten en een doctor. Kenmerk van de organisatie; een aantal hooggeplaatste heren, zich zorgen makend over de landbouw om uiteenlopende redenen. Zij probeerden boeren te scholen en kennis te vergroten, leiding te geven aan verbetering van runder-, paarden- en schapenfokkerij en epidemische veeziekten te bestrijden. Het optreden was autoritair en patriarchaal; de gewone boer kwam er niet aan te pas. De eerste echte landman in het gezelschap was Jacob Bouman uit de Beemster, geboren in 1799 en werkzaam vanuit zijn hoeve Het Rijper Wapen aan de Purmerenderweg. Hij werd hoofdbestuurder van de Hollandse Maatschappij van Landbouw, waarvan Koning Willem II zich als beschermheer uit gaf.

Organisatie in de Zaanstreek

Spoedig werd in de Zaanstreek een afdeling van de Maatschappij opgericht. Tijdens de tweede algemene vergadering van de Maatschappij werd duidelijk dat er reeds een afdeling Zaanlandsche Dorpen gevestigd was. De naam van deze afdeling werd in 1850 gewijzigd in Zaanlandsche Gemeenten. Het eerst bekende bestuur bestond uit Corn. Avis Czn, koopman te Westzaan; voorzitter D. Vis, lid van Provinciale Staten uit Zaandijk; tweede voorzitter D. Donker, notaris te Zaandijk; penningmeester P. van Gelder, burgemeester van Wormerveer.

Ook hier geen boeren die deel uit maakten van het bestuur. Uit een geschrift van J. Schortinghuis en J. Brinkman blijkt eveneens dat de organisatie van de boeren te wensen overliet. De landbouworganisatie telde te veel mensen als meesters in de rechten en notarissen die volstrekt geen affiniteit met het boerenbedrijf toonden. Boeren waren ondervertegenwoordigd in de organisatie, toonden een lauwe houding waarop de ledentallen van weer terug liepen. In 1875 telde de maatschappij 11.717 leden, in 1895 9500 leden en in 1902 8400 leden.

Boeren in het bestuur

Allengs wijzigde de situatie, boeren traden toe als bestuurders van hun organisatie, mede mogelijk gemaakt doordat de Hollandse Maatschappij een hoge prioriteit gaf aan scholing. Assendelft richtte een lagere landbouwschool op waaruit weer andere verenigingen ontstonden als fok- en controle-verenigingen, die ten doel hadden de productie per koe te verhogen en het eiwit- en vetgehalte te verbeteren. Op het gebied van de landbouw waren ook andere organisaties en verenigingen actief zoals een vereniging tot bevordering van jaarmarkten en veetentoonstellingen, die in Zaandam de Paasvee-tentoonstelling op de Gedempte Gracht organiseerde. Verder hield men een najaarstentoonstelling van vet vee en organiseerde zij daarbij jaarlijks een verloting van een paar vette koeien. Voorts was er de Harddraverij-vereniging, die jaarlijks tijdens de kermis een kortebaandraverij organiseerde die veel toeschouwers trok. In de tweede helft van de jaren '80 van de 20e eeuw werden pogingen ondernomen dit festijn nieuw leven in te blazen.

Bond van Melkveehouders en CMC

In de Zaanstreek was een Bond van Melkveehouders actief, nodig geacht als organisatie die specifieke belangen van melkveehouders behartigde, ofschoon ook in de Hollandse Maatschappij van Landbouw alle takken van het boerenbedrijf, akkerbouw, tuinbouw en veehouderij, waren georganiseerd. De Bond van Melkveehouders trachtte door prijsafspraken met particuliere fabrieken tot een bevredigende melkprijs te komen. Dat lukte niet altijd. Dikwijls gingen de melkfabrieken de boer op om tot zaken te komen. In april/mei begon het nieuwe melkprijsjaar en gezien het feit dat melk een bederfelijk product is, stonden boeren met de rug tegen de muur.

De Bond van Melkveehouders werd in 1944/'45 omgezet in de Coöperatieve Melkcentrale (CMC). Doel hiervan was de machtsposities van particuliere fabrieken tot aanvaardbaar niveau terug te dringen. De CMC schafte een melkbussenpark aan en sloot contracten af met vervoerders. Boeren waren via een contract aan de coöperatie gebonden. Circa 11.000 veehouders sloten zich aan bij de CMC, een machtsfactor van betekenis, die nog toenam toen zij eigen fabrieken exploiteerde. Onder de bedrijven die zij daarvoor opkocht waren De Zaanstreek te Wormerveer en De Hoop te Assendelft. Later werd de melkdivisie van Albert Heijn, Sterovita, overgenomen. Na een fusie met de Coöperatieve Vereniging Noord-Holland werd de naam Melkunie Holland ingevoerd.

Bestrijding van veeziekten

Op gebied van bestrijding van veeziekten waren diverse verenigingen werkzaam. Een belangrijke landelijke vereniging met een Zaanse afdeling was de VBRA, met als doel TBC en de abortus bang-bacil uit te bannen, hetgeen dankzij financiële offers door boeren en met steun van overheden ook is gelukt. Bestrijding van de runderhorzel werd eveneens ter hand genomen. De runderhorzel veroorzaakt bulten met larven op de huid, die door een gaatje in de huid naar buiten kruipen. Hierdoor vertoonden runderen een geperforeerde huid, die bij slachting minder waard was. Runderhorzels veroorzaakten bij broeierig weer paniek onder het vee. Dit was makkelijk herkenbaar, de koeien sloegen dan massaal met de staarten recht omhoog op de vlucht.

Ooit was miltvuur een gevreesde veeziekte die veel slachtoffers eiste. Een in de 19e eeuw opgericht miltvuurfonds trachtte via een omslagstelsel de financiële gevolgen voor betrokken veehouders te verzachten. Later, toen de ziekte nauwelijks meer voorkwam, werd het fonds omgezet in een onderling verzekeringsfonds.

Plattelandsvrouwen

Als laatste organisatie kan de Bond voor Plattelandsvrouwen worden genoemd die in de Zaanstreek werkzaam is. De Bond werd aanvankelijk opgericht als vereniging voor boerinnen. Later kreeg de bond een meer algemeen karakter en werden ook vrouwen lid, die niets met de landbouw hadden te maken.

Modern boerenbedrijf in de Zaanstreek

In de Zaanstreek bedrijven boeren op twee verschillende wijzen landbouw. De eerste manier is het zogenoemde economisch boeren, dat wil zeggen: op eigen kracht een bedrijfsresultaat verwerven dat voldoende is om van te leven en de nodige investeringen in het bedrijf te doen. Om dit mogelijk te maken voert de overheid een voorwaardenscheppend beleid.

In Assendelft heeft daartoe ruilverkaveling plaatsgevonden. In 1988 was men bezig met landinrichting in Krommenie. Het verschil tussen ruilverkaveling en landinrichting is dat ruilverkaveling uitsluitend was gericht op de boerenbelangen, terwijl landinrichting meer gericht is op een afweging van verschillende belangen (boeren, natuur en recreatie). In Assendelft zijn bedrijven gesticht van ca. 35 ha., met het land om de boerderij heen. Daartoe zijn nieuwe kavelwegen aangelegd, en waar nodig boerderijen uit het dorp verplaatst. Zo zijn moderne bedrijven ontstaan, die het geluk hadden al een behoorlijke hoeveelheid melk te produceren toen de superheffing werd ingevoerd, behorend bij de melkquotering die de Europese Unie in 1984 invoerde en in 2015 beëindigde.

De hoeveelheid melk die een veehouder volgens deze superheffing kreeg toegewezen werd bepaald op grond van het in 1983 aan de zuivelfabriek afgeleverde aantal kilogrammen melk. De meeste Assendelver boeren hadden de aanpassingsmoeilijkheden na de ruilverkaveling toen al achter de rug. In Krommenie en omstreken moest met de overheid onderhandeld worden om tot een bevredigende regeling te komen.

Melkproductie

De investeringen die boeren doen, moeten door een bepaalde melkproductie worden gedragen. Er zijn bedrijven in deze gebieden die 500.000 tot 800.000 kg produceren. De productie per koe is ook enorm toegenomen. In de jaren 1950-1960 was een koe die 5000 tot 6000 kg per jaar produceerde nog een topper. Rond 1990 komen jaarproducties van 8000 tot 10.000 kg voor. De Melkunie Holland reikt bij een levensproductie van 100.000 kg een zilveren koe uit. Hiervan is een groot aantal in Assendelft uitgereikt. De spectaculaire verhoging van de productie is een gevolg van het feit dat de Nederlandse veehouder een andere richting met het fokken is ingeslagen. Zij zijn gaan kruisen met de Amerikaanse Friesian-Holsteiner. Samenvattend kan gezegd worden dat de economische boeren in de Zaanstreek de toekomst met vertrouwen tegemoet kunnen zien. Zij zijn goed toegerust om de competitie met andere gebieden aan te gaan.

Boeren met beheersvergoeding

De andere manier van boeren is het boeren op basis van beheersvergoeding. Er zijn in de Zaanstreek gebieden die van natuurwetenschappelijke waarde zijn, zoals het Reefgebied, gedeeltelijk eigendom van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten; het Guisveld, gedeeltelijk eigendom van Staatsbosbeheer en het Westzijderveld, grotendeels eigendom van gemeente Zaanstad. Dit zijn gebieden met een rijke weidevogelstand en hier en daar bijzondere vegetatie. 0m deze gebieden in stand te houden kan niet worden gewerkt met moderne landbouwmethoden. Ook een verlaging van het grondwaterpeil is strijdig met de natuurdoeleinden, terwijl voor de landbouw deze verlaging juist wenselijk is om de productie en de kwaliteit van het grasland, en het draagvermogen, voor de steeds zwaarder wordende tractoren en werktuigen wenselijk, van de grond te verhogen. Natuurlandbouw en economische landbouw zijn dus strijdig met elkaar.

Een boer in een gebied waar Natuurlandbouw bedreven moet worden is daarom zwaar in het nadeel ten opzichte van collega's die in andere gebieden hun bedrijf uitoefenen. Feitelijk is het een boer in een natuurgebied niet mogelijk een volwaardig inkomen te verwerven.

Vergoedingenstelsel

De Rijksoverheid heeft dit ingezien en heeft daarom in gebieden die tot natuurgebied zijn aangewezen een stelsel van vergoedingen ontworpen, die het nadeel van de boeren in dergelijke gebieden moeten opheffen. Hoe zwaarder de beheerseisen zijn, hoe hoger de vergoedingen. Om de broednesten te sparen mag in de Zaanse natuurgebieden niet voor 15 juni worden gemaaid, terwijl na april niet meer mag worden gerold of met weidesleep worden gewerkt. Ook het aantal stuks vee dat per hectare geweid mag worden kan een eis zijn.

Zo worden er bepaalde pakketten samengesteld met diverse vergoedingen. De boer kan kiezen welk pakket het best past bij hem en het gebied waarin hij werkt. De beheersovereenkomsten berusten op vrijwillige basis, maar economische motieven zullen een boer meestal dwingen een dergelijke overeenkomst af te sluiten. Desondanks is er reden tot zorg over de toekomst van de natuurgebieden. De overheid zou uit bezuinigingsoogpunt kunnen besluiten kortingen toe te passen op de beheersvergoedingen, of deze zelfs volledig te beëindigen. De gebieden zijn dan af te schrijven en zullen verwilderen.

Op sommige plaatsen in de Zaanstreek doet deze ontwikkeling zich al voor. Ook de opvolging van de boerenstand in de beheersgebieden wekt zorgen. Jongeren uit deze gebieden worden op de Middelbare of Hogere Agrarische scholen onderwezen in de economische landbouw. Na voltooiing van hun studie trekt een deel van hen weg naar gebieden waar zij hun ondernemerschap kunnen bewijzen. Voor natuurgebieden zijn boeren nodig met een andere mentaliteit, waarin nauwelijks onderwezen wordt. Verwildering van de natuurgebieden heeft gevolgen voor de vegetatie en voor de stand van weidevogels.

Zie ook: Economische geschiedenis 1.1.1., 1.2.1.; 2.2.; 3.4.. Arbeidsplaatsen en bedrijfsgrootte, Landschappen en Natuur in de Zaanstreek in de Zaanstreek.

S. Dijkman

  • boerenbedrijf.txt
  • Laatst gewijzigd: 2018/04/17 10:20
  • door zaanlander