watersnood

Door overstroming veroorzaakte noodtoestand. Ook nadat de Zaanstreek sinds de 13e eeuw beschermd was door een dijkenstelsel dat in toenemende mate veiligheid bood, is het gebied in de loop der volgende eeuwen door een reeks overstromingen getroffen. De oorzaak daarvan was vooral gelegen in het feit dat het Flevomeer of Almere aan het einde van de 12e eeuw zó sterk was uitgebreid dat het in open verbinding met de Noordzee kwam. Dit had ernstige gevolgen voor onder meer het Noorderkwartier: bij stormen uit noordelijke richtingen stuwde het Noordzeewater zich op in de ontstane Zuiderzee. Door dijkbreuken drong het zoute water meermalen Waterland en de Zaanlanden binnen.

Door deze en andere stormen verdwenen als gevolg van afkalving grote gedeelten van de veenbodem en ontstonden grote meren op de plaats van de eerdere veenstromen, in de Zaanstreek waren dat de Enge Wormer en het Zwet. Aan de oostelijke oever van de Zaan vormden zich grote inhammen, zoals de Poel, de Kuil en het Zaandijker Wijd. Mede door klink en oxydatie was het maaiveld steeds lager komen te liggen ten opzichte van de rijzende zeespiegel. De dijken die Waterland en de Zaanstreek beschermden zijn ettelijke malen doorgebroken, met als gevolg soms grote overstromingen.

Als vroege vermeldingen worden dijkdoorbraken genoemd in de jaren 1421, 1570, 1610 en 1625. In laatstgenoemd jaar liep bijvoorbeeld de toen juist drooggemalen Wijde Wormer vol. Op 5 december 1665 brak de dijk bij Durgerdam tijdens een zware noordwester storm, waardoor in Waterland en de Zaanstreek grote schade ontstond. Het dagboek van Claes Ariszoon Caescoper uit Koog vermeldt: 'In `t selve jaer warde in ons buert de diksloot gedempt overrnits de dyk door de hooge watervloet geruiveneert was en de vaert aghterom de huyse gemaekt' (1666). Als gevolg van genoemde overstroming was zo dus de Dubbele Buurt in Koog ontstaan.

Op 25 en 26 december 1717 werd vooral de noordelijke Zaanstreek getroffen door een watersnood. De Assendelverdijk brak op zes plaatsen door; één van deze gaten was zelfs 400 meter breed. Een aantal inwoners van Krommenie was gedwongen 14 weken op zolders te wonen door het hoge water. Er ontstond grote armoede, mede doordat 500 zeildoekwevers die winter zonder werk waren. Voorts verdronk er veel vee en gingen veel koopmansgoederen verloren.

1825

Watersnood 1825, de Oostzijderkerk te Zaandam was ingericht voor vee uit de polder Oostzaan. Ook in de Westzijderkerk was vee ondergebracht. Naar een schilderij van J.D. Rijks. 1830.

Op 4, 5 en 6 februari 1825 veroorzaakten stormen opnieuw een zeer ernstige watersnood in het Noordhollands Noorderkwartier. De dijk bij Durgerdam bezweek en een woeste zee verschafte zich toegang tot 10.000 morgen ofwel 9000 hectare Waterlands poldergebied, waarin de laagliggende dorpen en verspreid liggende boerderijen en bedrijven het zwaar te verduren hadden. In de Wijde Wormer, waarvan de dijk doorbrak op de plaats waar in de 20e eeuw het Wormerbad werd aangelegd, verdronken vier inwoners en het grootste deel van het vee. De polder liep geheel onder, Oostzaan overstroomde geheel, met zeer ernstige schade als gevolg. Ook andere Zaandorpen overstroomden. In Koog, waar het water met enorme kracht bij molen De Reus over de dijk stroomde, moesten velen naar de zolders vluchten. Er ontstond gebrek aan water doordat de waterputten brak waren geworden.

Het Oostzijderveld vormde een onafzienbare zee. Bewoners van de laag gelegen paden aan de Oostzijde moesten hun huizen met grote haast verlaten. Op 6 februari steeg het water nog steeds. De Hervormde kerken aan Oost- en Westzijde van Zaandam stonden vol met vee. Er kwamen ook veel uit Oostzaan gevluchte inwoners in Zaandam aan, in pramen en andere vaartuigen, vaak ook geladen met vee en huisraad. De molens in het Oostzijderveld stonden met hun schuren diep in het water, waardoor veel voorraden verloren gingen. Het graan in de pakhuizen bedierf. De materiële schade was zeer ernstig en leidde tot hernieuwde armoede, juist toen men de gevolgen van de Franse overheersing enigszins te boven was gekomen.

1916

De watersnood van 1916 had ernstige gevolgen voor grote delen van de provincie. In de nacht van 13 op 14 januari bezweken bij zware storm de dijken bij Durgerdam en Anna Paulowna. In zeer korte tijd stroomden de polders bij Edam en Monnickendam onder. Veel vee verdronk. Op 16 januari werd de toestand voor de oostelijke Zaanstreek uiterst benard.

's Morgens vroeg verbreedden de sloten in het Oostzijderveld zich snel, om 8 uur overstroomde het Weerpad bij Oostzaan en enkele uren later was al het land in de polder Oostzaan veranderd in een grote watervlakte. In aller ijl werden de woningen in Oostzaan en in het veld ontruimd. Het dorp liep geheel onder, veel bewoners vluchtten naar Zaandam. Om de noodtoestand, niet alleen in de Zaanstreek en Waterland, effectief het hoofd te bieden is gebruik gemaakt van militairen die als gevolg van de mobilisatie 1914-1918 direct beschikbaar waren.

Binnen enkele dagen werd door hen met man en macht gewerkt aan de aanleg van kistdammen. Tot in Wormerveer, dat overigens geen wateroverlast had, werden kistdammen aangelegd. Koningin Wilhelmina bezocht het getroffen gebied al op 16 januari; zij bezocht in Zaandam bijvoorbeeld de schoolgebouwen waarin vluchtelingen waren ondergebracht en de Doopsgezinde kerk die als ziekenhuis was ingericht. Ook de toenmalige minister van Waterstaat, Cornelis Lely (1854-1929), bleek bij een bezoek diep onder de indruk. Het bracht hem tot latere voorstellen om zodanige maatregelen te nemen dat een ramp van dergelijke omvang niet meer zou kunnen plaatsvinden. Het wetsvoorstel tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee werd op zijn initiatief voorbereid en werd in 1918 aangenomen. Op 18 maart 1916 werd het stroomgat in de Waterlandse dijk bij Uitdam met zinkstukken voorlopig gedicht. Door intensieve bemaling en door te spuien via de sluizen naar de Zaan viel daarna het overstroomde gebied geleidelijk droog.

Op 't Kalf en aan de Oostzijde van Zaandam konden velen hun huizen weer betrekken. De aangerichte schade was enorm. Er ontstond een vloed van kritiek op het waterschapswezen, kritiek die tot in de Staten Generaal doorklonk. Als tekortkomingen stelde men onder meer vast dat:

  • bij de samenstelling van de waterschapsbesturen minder op bekwaamheid dan op de omvang van het grondbezit was gelet;
  • de waterschappen te veel belast waren met belangen buiten hun gebied;
  • er gebrek was aan technisch geschoold personeel
  • de waterschappen een te geringe financiële draagkracht hadden:
  • keuren onvoldoende waren gehandhaafd;
  • de dijkconstructie veelal niet voldeed en te licht was onder extreme omstandigheden;
  • een behoorlijke dijkwacht, een waarschuwingsdienst en een dijkleger-organisatie hadden ontbroken.

Dit leidde tot conclusies die niet alleen de zorg voor de zeewering betroffen, maar ook de waterstaatkundige organisatie. De Zaanlandse Kamer van Koophandel drong in 1917 aan op de instelling van een centraal toezicht op het stelsel van zee- en polderdijken onder leiding van Rijkswaterstaat; het beheer van dit stelsel zou bij de provincie moeten berusten. De overheid bleek hier niet voor te voelen. In de loop van 1918 maakte de provincie Noord-Holland echter plannen openbaar voor een nieuwe waterstaatkundige organisatie. Daarbij zou een nieuw hoogheemraadschap, het Noordhollands Noorderkwartier, moeten ontstaan dat vervolgens de taken van een aantal kleine waterschappen diende over te nemen.

Ondanks de protesten van de besturen van deze waterschappen namen Provinciale Staten in 1919 het besluit tot de instelling van dit hoogheemraadschap. Vooral echter de inmiddels aangenomen wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee bood de inwoners van Noord-Holland het uitzicht dat een ramp van deze omvang zich niet meer zou herhalen.

Dick Kerssens

Literatuur

  • J.C. Beyer, Gedenkboek van Neerlands Watersnood in Februari 1825, 's-Gravenhage 1826;
  • G. Grandiek en Cees van Dalsem, artikel De Watersnood van 1916, in De Typhoon 3-12-1965;
  • Dick Kerssens en Klaas Woudt, Cronyck, in magazine Noord-Holland 1987 nr. 4;
  • JR. Mulder, M.K.N.M. Helmich en J.A. van der Hurk, Ruilverkaveling Waterland-West, de Wijde Wormer en het Wormer- en Jisperveld, Wageningen 1978.
  • watersnood.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/07 18:47
  • door 145.133.78.91