Hennepklopperij

De laatste hennepklopper stond aan het noordeinde van de dijk langs de Nauernasche Vaart in Krommenie. Het was De Blauwe Arend, gesloopt in 1913.

Tak van vroegere molenindustrie, waarbij de stengels van hennepplanten onder stampers werden vervezeld. Na verdere bewerking (zie: Hekelaars en Spinhuizen) kon het product in de Lijnbanen tot touw of door wevers tot zeildoek (zie: Zeildoekweverij) worden verwerkt. De molens werden hennepkloppers en soms ook beukmolens genoemd.

Nadat aanvankelijk Graft en De Rijp belangrijke centra van de hennepklopperij waren geweest, concentreerde van omstreeks 1650 af de verwerking van hennep zich in de Zaanstreek. Door de grote vlucht van zeildoekweverij in Krommenie, ontstonden in dit dorp de meeste beukmolens. In 1589 vroeg Albert de Veer, poorter van Amsterdam, octrooi aan op een werktuig waarmee met behulp van wind-, water- of paardekracht hennep kon worden vervezeld. Voordien werd alle hennep met handkracht gebeukt. De uitvinding vond betrekkelijk weinig toepassing: tot 1800 zijn er in Holland niet meer dan zestig hennepkloppers gebouwd. De helft ervan heeft in de Zaanstreek gestaan. Krommenie had tenminste 13 beukmolens, Assendelft minstens vier, Wormer en Westzaan elk minstens vijf.

De Zaanse hennepkloppers waren achtkante bovenkruiers, die met hun gaandewerk zes tot tien van massief hout gemaakte stampers op en neer bewogen. Deze stampers zijn enigszins vergelijkbaar met de heien in een oliemolen. De hennepstengels (hennepstro) werden eenvoudigweg in een soort kommen onder de stampers gelegd. Elke stamper had vier kleine uitsteeksels, waarmee de stengels steeds werden opgelicht en gekeerd. Door het gedurig beuken ontstonden dunne, lange en vooral sterke vezels.

Het proces was eenvoudig en vergde niet meer dan twee man die de molen gaande hielden en de kommen vulden en leegden. Dat laatste was riskant, er gebeurden veel ongelukken doordat men de handen niet tijdig onder de vallende stampers wegtrok. In het laatste kwart van de 19e eeuw werd daarom het vastzetten, schorten, van de stampers verplicht gesteld. Het werk was bovendien ongezond. Naast doofheid door het voortdurende gedreun kwamen dikwijls longaandoeningen voor als gevolg van het ronddwarrelende hennepstof. De hennep was ook licht ontvlambaar, open vuur en licht in de molens was verboden.

Aanvankelijk waren de hennepklopperijen in bezit van één of twee eigenaren, die doorgaans zelf in de molen werkten. Zij verdienden de kost met de opdrachten van de rolreders. Voor de zeildoekfabrikanten was het aantrekkelijker de molens zelf te exploiteren. Zij verenigden zich in partenrederijen en kochten geleidelijk alle hennepkloppers op. Hierdoor waren de aanvankelijke eigenaars afhankelijke molenaars geworden, die in stukloon moesten werken. Was er geen werk, of geen wind, dan stonden de inkomsten stil.

Niet alleen de productie bepaalde hun inkomen, ook de kwaliteit van de geschoonde hennep speelde een rol. Zij waren echter niet betrokken bij de inkoop en het is bekend dat zij meermalen protesteerden tegen de slechte kwaliteit die zij moesten verwerken. De oorzaak daarvan was gelegen in Zuid-Holland, waar de hennep overwegend werd geteeld. De hennepkloppers in of nabij het teeltgebied werden bevoordeeld met de beste kwaliteit en voor de Zaanse beukmolens kwam soms alleen slecht hennepstro beschikbaar.

De exploitatie van de molens was ook voor de partenrederijen op den duur nauwelijks winstgevend. Dit trachtte men op te vangen door verlaging van het beukloon van acht tot vijf stuivers per honderd pond vervezelde hennep. Desondanks was het voor de aandeelhouders niet meer interessant om de partenrederij voort te zetten, het bleek zelfs haast onmogelijk zich van de parten te ontdoen. Na 1850 kwamen de overgebleven hennepkloppers de één na de ander in bezit van de afzonderlijke zeildoekweverijen. De wat betreft bouw en inrichting ook op volmolens gelijkende hennepkloppers hebben tussen 1640 en 1700 de grootste bloei gekend. Daarna nam hun aantal en betekenis geleidelijk af. In Krommenie bleven ze het langst in gebruik; in 1913 werd daar de laatste beukmolen gesloopt.

Zie ook: Economische geschiedenis 2.5.2.

Literatuur:

  • prof. dr Johan (Joop) Goudsblom, De hennepkloppers van Krommenie (in: De Zaende 1948 en 1949);
  • Klaas Woudt, Van Canefas tot Coral, de geschiedenis van een Krommenieër familieonderneming.