(Zaandam, 29 juni 1885 – Amsterdam, 15 november 1932)

Dirk Hermanus Witte werd op 29 juni 1885 geboren op het Bouwmanspad in Zaandam. Al op heel jonge leeftijd was duidelijk dat hij een bijzondere aanleg had voor muziek. Voor zijn vierde verjaardag kreeg hij daarom van zijn ouders een simpel fluitje, waarop hij al snel veel melodietjes kon spelen.

Dirk groeide op in een onderwijzersfamilie. Vader Jacob Witte werd na enkele jaren op een school aan de Westzijde benoemd tot hoofdonderwijzer van een nieuwe school in de Russische Buurt. Het gezin verhuisde toen naar het Rustenburg. Witte sr. was een serieuze man, die jarenlang een belangrijke rol speelde in het maatschappelijk leven. In tegenstelling tot de andere leden van het gezin (hij had drie zussen) zag Dirk niets in een carrière als onderwijzer. Hij koos op 14-jarige leeftijd heel bewust voor een baan als jongste bediende op het kantoor van houthandel William Pont in de Stationsstraat, vlak bij de ouderlijke woning. Bij Pont maakte hij supersnel carrière. Dat hij in korte tijd een groot aantal studies kon afronden was mede te ‘danken’ aan de ernstige vorm van slapeloosheid waaraan hij zijn leven lang zou lijden. Zo kon hij zich ook in de nachtelijke uren aan de studie wijden.

Eind augustus 1899 leerde de 14-jarige Dirk op de Zaandamse kermis de 13-jarige Gonnie Happe kennen op wie hij op slag verliefd werd. Onder sterke druk van zijn standsbewuste vader maakte Dirk na bijna twee jaar (!) een eind aan de relatie met smidsdochter Gonnie. Op zijn achttiende ontmoette hij zijn volgende grote liefde, Grietje Gorter uit Koog aan de Zaan. Met haar reisde hij vaak per trein naar Amsterdam voor het bezoeken van voorstellingen. Dirk gaf zijn ogen en oren in het Amsterdamse uitgaansleven goed de kost. En tijdens de buitenlandse reizen die hij voor Pont maakte, liet hij al gauw geen gelegenheid onbenut om cabaretvoorstellingen te bezoeken. Zo ontstond het idee voor de oprichting van soiréevereniging ‘Willem van Zuylen’. Daar kon hij zijn kunstzinnige talenten volop ontwikkelen. Hij schreef, zong, speelde piano en regisseerde. Zo werd Dirk Witte na 1905 in Zaandam allengs een populaire figuur, vooral in vrijzinnig liberale kring. Naast zijn leidende rol bij ‘Willem van Zuylen’ was hij secretaris van de plaatselijke afdeling van de Liberale Unie. In beide hoedanigheden bond hij de strijd aan met de roemruchte socialistische voorman Jan Duijs. De successen die hij met ’Willem van Zuylen’ behaalde bleven niet onopgemerkt. Zo vroeg toneelvereniging 'Hierna Beter' in Koog aan de Zaan hem als spelleider. Van najaar 1908 tot en met voorjaar 1910 regisseerde hij er vier stukken. Eind 1911 werd Witte gevraagd om met, onder anderen, Albert Heijn en orgelbouwer Flentrop, toe te treden tot een breed comité dat voorbereidingen ging treffen voor de viering van het honderdjarig bestaan van Zaandam. De ambitieuze plannen zouden echter nooit verwezenlijkt worden, bij gebrek aan voldoende draagvlak onder de bevolking.

Na 1912 hield Witte zich ook intensief bezig met een soort vakbond, de Zaanlandsche Vereeniging van Kantoor- en Handelsbedienden. Aan zijn politieke loopbaan kwam in augustus 1914 echter abrupt een einde, omdat het Nederlandse leger gemobiliseerd werd en hij als ‘ziekendrager’ moest opkomen. Juist op dat moment was ook op een andere manier een nieuwe fase in zijn leven begonnen. Met een lied dat hij had gemaakt voor een benefietavond van het Zaandamse koor Euterpe had hij zoveel succes gehad dat hij besloot enkele van zijn liedjes aan te bieden aan de grote cabaretier Jean Louis Pisuisse. In april 1914 was het gelukt tot zijn idool door te dringen en hem wat voor te zingen. Nog voor het begin van de Eerste Wereldoorlog had de dankbare Pisuisse van ‘M’n eerste’ en ’Lente’ succesnummers gemaakt. Toen in augustus dat jaar het leger werd gemobiliseerd, leverde Witte al vrij snel drie ‘soldatenliedjes’ aan Pisuisse. Wellicht had hij die al geschreven toen hij als dienstplichtig soldaat op oefening was en nog volop in zijn vroeg-creatieve periode zat. Met ’Aspirine’, ’Soldatenliedje’ en ’De peren’ maakte Pisuisse opnieuw furore. Laatstgenoemd nummer veroorzaakte zelfs een grote rel. ‘Want’, zo schreef iemand, ‘het wekt de lachlust op omdat een vrouw, door de mannen als gebruiksvoorwerp beschouwd, tenslotte blijft zitten ‘met de gebakken peren van het hele bataljon’. Nog in 1964 werd het nummer door de KRO geboycot. In zijn mobilisatietijd trad Witte in zijn garnizoensplaats Eindhoven ook wel eens zelf op voor militairen en burgers. Van het muzikale groepje waarvan hij de leider was, maakte ook een mooie, levenslustige jonge vrouw deel uit. Deze Jet Looman was de dochter van een steenrijke commissionair-in-ruste uit Bussum, maar dat wist Dirk op dat moment nog niet. Net zo min als dat zij verloofd was met een jonkheer die niet veel later naar Nederlands-Indië zou vertrekken. Jet en Dirk werden verliefd, waarna Jet haar verloving met de jonkheer verbrak. Eind 1915 mocht Witte het leger verlaten en ging hij weer werken bij William Pont en op 26 juli 1917 werd in Bussum het huwelijk tussen Dirk en Jet voltrokken. Datzelfde jaar schreef hij ook zijn bekendste nummer 'Mens, durf te leven', dat werkt vertolkt door Jean-Louis Pisuisse. Later werd het nummer ook nog vertolkt door artiesten als Ramses Shaffy en The Amazing Stroopwafels. In 2013 werd een versie door Tim Knol gebruikt in een ING-reclame. Het jonge paar betrok in Zaandam een bovenwoning aan de Botenmakersstraat.

Omdat Dirk bij Pont op de hoogst bereikbare positie was terechtgekomen (net onder de directie) zonder uitzicht op verdere promotie, nam hij begin 1918, na lang aarzelen, het besluit om zakelijk leider te worden van het cabaretgezelschap van Pisuisse. Als mededirecteur ging hij toen ook zelf optreden. Hij trok korte tijd het hele land door, maar als uitvoerend artiest had hij toch weinig succes. Dat leidde ertoe dat hij al in september 1919 de zakelijke band met Pisuisse verbrak. Hij aanvaardde een betrekking bij de Hollandsche Zuid-Amerika Handel-Maatschappij. In datzelfde jaar gaven Jet en Dirk een Zaandamse aannemer opdracht tot het bouwen van een villa in Naarden. Al na een halfjaar werden Witte en zijn inmiddels zwangere echtgenote in Naarden ingeschreven. Witte was toen net opnieuw begonnen aan een nieuwe baan: een bevriende zakenman had hem aangeboden directeur te worden van kantoorinrichtingsbedrijf Prakta. Ook die betrekking zou hij overigens al snel voor gezien houden.

Op 28 juni 1921 werd dochter Doralisa geboren. In augustus van het jaar daarop verhuisde het gezin naar een bestaande villa in Bussum. Op dat moment was Witte door Jet’s broer Jan al geïntroduceerd bij de directie van de Nederlandsche Staatsmijnen. Looman werkte zelf als verkoopdirecteur van het mijnbedrijf en wist van de problemen die het hoofdkantoor vaak had met de diverse inkopers van het mijnhout. En zwager Dirk wist alles van hout… Zo begon in maart 1922 de zeer succesvolle loopbaan van Witte als zelfstandig houthandelaar. Aanvankelijk hield hij kantoor aan de Herengracht, later vestigde hij zich op een verdieping van gebouw De Utrecht op het Damrak. Zijn werk voor de mijnen vergde al gauw zoveel tijd dat hij andere bezigheden moest afstoten. In 1923 besloot hij zijn bestuurslidmaatschap van auteursrechtenorganisatie Buma op te geven. Als een heuse actievoerder had hij namens de organisatie diverse rechtszaken gevoerd tegen theaterdirecteuren die het met de afdracht van auteursrechten niet zo nauw namen. Op 23 augustus 1924 werd zoon Jacob geboren. In die jaren, toen Witte het dus voornamelijk druk had met heel andere zaken dan het schrijven van liedjes, raakte het cabaret min of meer op dood spoor. Andere, vluchtiger vormen van vermaak, zoals dansen, raakten mede dankzij radio en grammofoon in zwang. Ook de film werd een belangrijke concurrent van het traditionele theater.

Toen eind november 1927 Jean-Louis Pisuisse en zijn echtgenote Jenny op het Rembrandtplein in Amsterdam werden doodgeschoten, verdween ook nog eens de belangrijkste uitvoerder van Witte’s liedjes. Hoewel hij tijdens zijn werkzaamheden voor de Staatsmijnen dus nauwelijks nog liedjes schreef, bleef Witte toch actief op cultureel gebied.
Zo leverde hij min of meer regelmatig bijdragen aan tijdschriften en tweemaal vertaalde hij een avondvullend stuk voor het repertoiretoneel: ’De zeven sleutels van Baldpate’ en ‘De firma Adam en Eva’.
In oktober 1928 verhuisde het gezin Witte opnieuw, nu naar het adres Amersfoortschestraatweg 38.

In de tussentijd was Witte’s werk voor de Staatsmijnen niet zonder hindernissen verlopen. Dat kwam voornamelijk doordat niet duidelijk was wat nou precies de noodzaak was van die nv de Nederlandsche Mijnhouthandel.
Op regeringsniveau vroeg men zich daarom af of men dit bedrijf niet beter kon integreren met het hoofdkantoor in Heerlen. De directie van de Staatsmijnen speelde deze en andere vragen steeds door aan Witte en die slaagde er als een ware evenwichtskunstenaar telkens weer in om aan te tonen hoe nuttig het bedrijf was (dat hem een buitengewoon riant inkomen verschafte).
De Mijnhouthandel deed overigens méér dan mijnhout inkopen. In 1930 liet de directie van de Staatsmijnen de minister weten dat de vennootschap zich niet langer uitsluitend ten doel stelde het mijnhout te leveren, maar dat voortaan sprake zal zijn van 'de handel en commissiehandel in mijnhout en andere houtsoorten in de meest uitgebreide zin'. Waarmee de nv in feite een gewone houthandel was geworden en Witte een gewone houthandelaar. Hoogst zelden trad Witte nog eens op als zanger van cabaretliedjes. De allerlaatste keer gebeurde dat op 29 januari 1932, bij de Vereeniging Nationale Dierenzorg.

In datzelfde jaar, toen de economische vooruitzichten zeer somber waren, liet Witte het hoofdkantoor in Heerlen weten dat hij bereid was voorlopig tien procent salaris in te leveren. Hij was op dat moment overigens geen aandeelhouder meer. Hij had zijn stukken, als onderdeel van een gewijzigde bedrijfsopzet, moeten verkopen aan Havenbedrijf De Rietlanden in Amsterdam, een andere dochteronderneming van de Staatsmijnen.
In oktober 1932 verkocht De Rietlanden de ‘Witte-aandelen’ aan de staat, die daarmee enig aandeelhouder werd van de Nederlandsche Mijnhouthandel, waarvan Witte toen 'alleen nog maar' directeur was.

Op 15 november van dat jaar kwam Dirk Witte, na een avondje doorzakken in de Amsterdamse Schiller Bar, om het leven. Op weg naar huis kreeg hij een hartaanval, waarna hij met zijn auto de Weespertrekvaart in reed en verdronk. De weduwe Witte kreeg nog enkele maanden het salaris van haar overleden echtgenoot. Maar begin 1934 besloot de directie van de Staatsmijnen plotsklaps de N.V. te liquideren. De inkoop van mijnhout geschiedde voortaan vanuit Heerlen en alle andere door Witte ontplooide activiteiten werden beschouwd als voor de Staatsmijnen overbodig.
Over het waarom kan men slechts gissen, maar vlak voor zijn overlijden was Witte weer actief geworden als liedjesschrijver. Misschien voelde hij het onvermijdelijke einde van zijn N.V. aankomen. Daarbij kwam nog dat zijn echtgenote niet met geld kon omgaan en het véél te makkelijk uitgaf. Ondanks Witte’s riante salaris waren er daardoor hoge schulden ontstaan, die hem zeer zorgelijk stemden. Factoren genoeg dus die – denk ook aan zijn slapeloosheid – regelrecht aanstuurden op het hartinfarct dat hem tenslotte in de Weespertrekvaart deed belanden.
Witte werd niet ouder dan 47 jaar.

Co Rol

Liedjes van Dirk Witte

  • witte_dirk_herrmanus.txt
  • Laatst gewijzigd: 2018/10/29 21:03
  • door jan