belasting

Verplichte bijdrage tot de openbare geldmiddelen. Belastingen kunnen worden verdeeld in directe en indirecte belastingen. Directe belastingen (op grond, vermogen, inkomsten of personeel) kunnen niet worden afgewenteld. Indirecte belastingen (registratie-, zegel- en hypotheekrechten,successierecht, accijnzen) worden niet rechtstreeks door de belastingplichtige aan de fiscus betaald. In het hierna volgende artikel wordt de historische ontwikkeling van de belastingheffingen in de Zaanstreek geschetst. De huidige situatie is niet behandeld, aangezien deze geen specifieke Zaanse elementen bevat.

De middeleeuwse voorganger van onze belasting was de schot of jaarbede. De bede werd door de territoriale vorst gevraagd aan de onder zijn jurisdictie vallende onderdanen. De vorst was verplicht voor elke belastingheffing een verzoek (= bede) te richten tot de Staten, het college dat als representatief voor de bevolking van zijn gebied doorging. Boeren en burgers waren schotplichtig, de welgestelden (feodale adel) bleven buiten schot. De beden maakten het de vorsten mogelijk hun buitenlandse politiek te voeren. Andere belastingvormen waren de schiltale en riemtale. Met schiltale, ook wel schildtaele, werd bedoeld: het belastbaar vermogen van steden en dorpen naar het aantal schilden, de meest gebruikte grove munt. Men stelde de plaatsen op schildtaelen en daarnaar sloeg men de bijdrage over hen om. Deze belasting werd later verponding genoemd.

Met riemtale werd het aantal riemen bedoeld dat ieder dorp aan de vorst moest leveren om in tijden van oorlog op de koggen te dienen. Later werd dit een belasting voor boeren en landeigenaren tot onderhoud van bruggen, wegen, paden en vaarten. De oudste verponding, belasting op vaste goederen, dateert van 1436. In de banne Westzaanden werd het bezit van ieder gezin getaxeerd en vervolgens werd vastgesteld hoeveel in de bans- of dorpslasten moest worden bijgedragen. De personen die de belasting vaststelden en inden werden ponders genoemd. Wie zich over zijn ponding wilde beklagen (doleren) kon dit doen bij het rechthuis van Westzaan. In 1748 hield dit langs de huizen gaan op.

In Wormer en Jisp geschiedde de schatting veel omslachtiger. Zij was verdeeld in oogen, hikken en prikken. Wie voor f 1.200 aan waarde bezat werd op een oog gesteld. Een oog kwam overeen met acht prikken. Twee prikken waren een hik. f 600 kwam overeen met een half oog of vier prikken, f 1.050 was een half oog, een hik en een prik. De belasting op verbruiksgoederen heette impost. Impost (Accijns) werd onder meer geheven op zout, zeep, koffie en thee. Wie volgens vermogen of inkomen tot de welgestelden kon worden gerekend werd voor een vast bedrag in zake de consumptie van zout, zeep, koffie en thee aangeslagen of gequotiseerd. De impost op de koffie en de thee moest volgens de ordonnantie van 1699 betaald worden door degene in wier huizen, tuinen, kamers of andere plaatsen koffie, thee, chocolade, serbeth1), bronwater, limonade of enig ander van dergelijke dranken werden geconsumeerd. De impost bedroeg f4, f6, f12 of f15 naar gelang de personen in de kohieren van de 200e penning (vermogensbelasting) aangeslagen werden.

Het redemptiegeld, ingesteld bij de ordonnantie in 1683, was eigenlijk een opgeld voor degenen die in de kohieren van de 200e penning bekend stonden. De gequotiseerden werden in vier klassen ingedeeld. De eerste klasse werd gevormd door de 'hele kapitalisten'. Dit waren degenen die f 10.000 of meer bezaten. De tweede klasse werd gevormd door de 'driekwart kapitalisten'. Hun bezit of gekapitaliseerd inkomen bedroeg f 7.500-f 10.000. De aangeslagenen in de derde klasse heetten 'halve kapitalisten'. Hun bezit of gekapitaliseerd inkomen bedroeg f 5.000-f 7.500. De vierde klasse bestond uit de kleine getaxeerden. Hiertoe behoorden zij, die van f 800 tot f 5.000 bezaten of zij wier inkomens boven de f 250 en beneden de f 500 bleven. Hiervan waren echter uitgezonderd degenen die moesten bestaan van hun eigen handenarbeid of handwerk zonder knechten, meiden of leerlingen in dienst te hebben.

Aan het begin van de 17e eeuw waren de bakkers van Wormer en Jisp beroemd om hun beschuit. De beschuit werd in het hele land verkocht en zelfs ver daarbuiten. Amsterdam was een belangrijke afzetmarkt. Belasting protesten van de Amsterdamse bakkers volgden. Een van hun grieven was dat zij een stedelijke belasting moesten betalen terwijl hun concurrenten daarvan bleven gevrijwaard. Zij bepleitten een extra belasting voor beschuit die van buiten de stad werd ingevoerd. In 1604 werd bepaald dat op ingevoerde beschuit 4-6 stuivers belasting moest worden betaald. Dit leidde er toe dat de Amsterdamse markt voor de bakkers uit Wormer en Jisp tenslotte verloren ging.

In 1680 protesteerden burgemeester en vroedschappen van Wormer tegen de verhoging van de impost op het gemaal met 50 procent. De impost bracht Wormer al meer dan f 100.000 op. Door de impostverhoging zou iedere zak tarwe vijf gulden duurder worden. Het grootste deel van de gebakken beschuit werd in andere provincies geconsumeerd. Wormer vond gehoor bij de Staten. De impostverhoging zou niet gelden bij de uitvoer van fijne beschuit naar de andere provincies.

In de tweede helft van de 18e eeuw was de beschuitbakkerij in Wormer en Jisp vrijwel geheel verdwenen. Hoofdzakelijk als gevolg van de belastingdruk. Meermalen dreigden bakkers hun bedrijf naar elders over te plaatsen. Omstreeks 1640 voerde een aantal van hen dit dreigement uit. Zij namen de wijk naar Utrecht waar zij een beter belastingklimaat aantroffen dan in Holland. Zij konden daardoor hun producten goedkoper op de markt brengen. Dit leidde er weer toe dat zij zowel nationaal als internationaal geduchte concurrenten van de in Wormer en Jisp achtergebleven bakkers werden. Vrijstelling van belastingbetaling kwam ook voor. In 1717 zorgde een zware storm voor dijkdoorbraken. Als gevolg daarvan kwam Assendelft met een gedeelte van het Noordhollands Noorderkwartier onder water te staan. De herstelkosten werden op het voor die tijd enorme bedrag van f 200.000 geschat. De Staten begrepen dat Assendelft dit bedrag niet zou kunnen opbrengen en verleenden het dorp voor zeven jaar vrijstelling van belasting. De belastingvrijdom eindigde in 1725, maar Assendelft kon niet betalen. Schepenen werden in Den Haag gegijzeld. Assendelft kreeg tenslotte nog drie jaar vrijstelling van belasting.

In 1733 kwamen Wormerveer, Zaandijk en Koog overeen dat heffingen bij verkopen van molens terecht zouden komen bij de dorpen waarin de eigenaren van de molens woonden. Bij verkoop van land zou de geheven belasting echter ten goede komen aan het dorp waarin het land lag.

Personele quotisatie

In 1742 deed in de Zaanstreek de personele quotisatie of personele belasting haar intrede. De inning van de aanslag moest in 1745 geschieden. De belasting was bedoeld om het verwaarloosde defensie-apparaat weer op peil te brengen. Het inkomen van de belastingplichtigen, die in klassen werden ingedeeld, werd door taxateurs geschat. Vanaf een inkomen van f 600 per jaar werd belasting geheven. De minimale aanslag bedroeg f 6 bij een bezit van f 600-700 oplopend tot een aanslag van f 200 bij een bezit van f 9.000-10.000 en vervolgens klimmend met f 2.000 met f 50 belasting voor iedere f 2.000 meer. Waar onzekerheid over de inkomsten bestond werd de taxatie verricht naar de uiterlijke staat en welstand der personen. Tot de uiterlijke kenmerken van welstand behoorden onder meer een huis, koets en boeier. Het bewonen van een huis met een huurwaarde van f 400-600 gaf een aanslag van minstens f 50. Bij het bezit van een koets of ander overdekt speelrijtuig met vier wielen en twee paarden oftewel van een speeljacht of bedekte boeier met een waarde van meer dan f 2.000 was de aanslag minstens f 60. Het bezit van een koets met een paard of een bedekte boeier ter waarde van f 1.000 of meer of het houden van meer dan twee dienstboden (niet tot de nering nodig zijnde) leidde tot een aanslag van minstens f 40. Pas na ontvangst van de aanslag kon worden geprotesteerd of gedoleerd.

De belasting werd geïnd door de gaarder die hiervoor twee procent collecteloon mocht berekenen. Hij droeg de ontvangen gelden af aan het gerecht van de banne Westzaan die het op haar beurt weer afdroeg aan de ontvanger op het comptoir generaal. Een bekend verschijnsel was dat de opbrengst achter bleef bij de raming, omdat de autoriteiten weinig of geen medewerking vertoonden bij het handhaven der ordonnantiën waarnaar de belastingen geheven werden. De vraag rijst in hoever de taxaties van het inkomen overeenkwamen met de werkelijke toestand. De taxaties waren in vele gevallen te laag. Degenen die te hoog waren getaxeerd protesteerden wel. Omdat de opbrengsten achterbleven bij de schattingen besloten de Staten op 12 september 1747 dat een ieder die meer dan f 2.000 bezat twee procent zou moeten betalen van de zuivere waarde van zijn vorderingen, obligaties, goederen en bezittingen. Degenen die f 1.000 tot f 2.000 gegoed waren, zouden een procent van de waarde van hun bezit betalen. De minder gegoeden moesten een bijdrage naar eigen goeddunken betalen.

Ieder moest dus een staat van zijn bezit opmaken. Men kon betalen in specie of werk, goud of zilver of met zogenoemde recepissen, bewijzen van storting in een lening ten laste van het land. Opdat niet openbaar zou worden wat iemand bezat, deponeerde men zijn bijdrage in een gesloten kist met een gleuf. De aanslag in de personele quotisatie heeft vier maal plaats gehad; in 1745, 1746, 1747 en 1748. In alle gevallen bleven de opbrengsten achter bij de ramingen.

Aan het einde van de 18e eeuw bestonden de inkomsten van Zaandam hoofdzakelijk uit de prikschot. Dit was een belasting, gebaseerd op een geschat inkomen of bezit of op een aanslag in de belasting op onroerend goed. De hoogte van de prik moest geregeld vastgesteld worden. In de Franse tijd ging de prik regelmatig omhoog. In 1797 kwam de prik in Oostzaandam van f 8 op f 11. De inkwartiering der Franse troepen in 1795 en de inval der Engelsen en Russen in 1799 hebben bijzondere uitgaven van Westzaandam gevraagd. De inkwartiering in 1795 kostte ruim f 5.500. De dorpen kregen toestemming opcenten te heffen op de landelijke imposten. Dat waren accijnzen op wijn, bier, turf en meel, op het schoorsteengeld en op de transportkosten van onroerende goederen. De indirecte belastingen, waaraan iedereen mee moest betalen werden verhoogd. In Westzaandam verschafte men zich geld door leningen. Dit had weer tot gevolg dat de rentelast - meestal vier procent - voor de dorpskas een te zware belasting werd. Er waren jaarlijks tekorten. In 1805 waren de inkomsten f 18.310. De belangrijkste inkomsten waren de personele omslag, d.w.z. het prikkeschot groot 1.300 prikken = f 13.000. Opcenten op de accijns van wijn, bier en turff 2.880. Opcenten bij het transport van onroerende goederen f 1.600.

Daartegenover bedroegen de uitgaven f 24.190. De belangrijkste lasten waren: subsidie aan het dorps-. wees- en armenhuis f 12.500, aflossingen en intrest f 4.237. In 1805 was er dus een tekort van f 5.880. In 1810 waren de inkomsten en uitgaven resp. f 28.806 en f 31.371. Oostzaan wist het klaar te spelen het evenwicht tussen inkomsten en uitgaven te bewaren. Nadat in 1804 de schuldenlast in Oostzaandam opgelopen was tot bijna f 22.000 heeft men een plan goedgekeurd om 5/8 procent te heffen van de bezittingen van ieder die meer dan f 500 bezat. Deze heffing leverde f 23.909 op. Het bezit waarop geheven werd had dus een waarde van f 3.825.000. Hiermee was het hele tekort verdwenen. Ook de volgende jaren had men geen tekorten.

De financiën van Oostzaandam stonden er veel gunstiger voor dan die van Westzaandam. De prikkel om met Westzaandam samen te gaan was in Oostzaandam dan ook niet groot. Een eerste voorstel in die richting werd resoluut afgewezen. In 1811 smolten Oost- en Westzaandam niettemin samen. In 1817 was de voornaamste bron van inkomsten van Zaandam de plaatselijke belasting op het gemaal, geslacht, dranken en turf. Deze indirecte belasting bracht 20 x zo veel op als de directe. Nu werden behalve voor de laatste nog tal van andere lasten, meestal voortvloeiende uit diensten (bijvoorbeeld brandweer, onderhoud wegen en verlichting) hoofdelijk omgeslagen. Een eerste levensbehoefte als brood werd relatief zeer zwaar belast want er drukte ook een zware rijksbelasting op. Belasting op turf gold alleen voor de haardbrand. Die voor industriële doeleinden was vrij van accijns. De inning van en de controle op de accijnsheffing geschiedde volgens een vastgesteld reglement door de gemeentelijke ontvanger der accijnzen en zijn rechercheurs.

Belastingtechnisch was het land verdeeld in een groot aantal kleine staatjes elk met een eigen stelsel van belastingheffing. De handel werd hierdoor ernstig belemmerd en smokkelen werd in de hand gewerkt. In 1816 hield de banne Westzaanden op te bestaan. De Zaangemeenten moesten op eigen benen staan. Voor de dekking van de kosten van de straatlantaarns en brandspuiten mocht Zaandijk een extra heffing doen van de belastingplichtigen. De personele belasting werd in die tijd belasting op het personeel genoemd. De belasting kende zes grondslagen:
1. de huurwaarde van woningen met een onzuivere huurwaarde van f 30 per jaar. Bedrijfsgebouwen, schuren, stallen, kerken en scholen waren uitgezonderd;
2. haardsteden. Deze kenden een oplopend tarief. Bijvoorbeeld één schoorsteen 40 cent, twee schoorstenen 2 maal 45 cent enz.
3. deuren en vensters (geheven werd 40 cent tot f 1,10 naar gelang de grootte van de gemeenten;
4. meubilair (één procent over de geschatte waarde);
5. dienstboden en ander huispersoneel (f 4 tot f 7 per jaar);
6. paarden (naar aantal en bestemming).

Aanvankelijk werd het totaal op te brengen bedrag over alle bewoners verdeeld en deze moesten maar zorgen dat het binnen kwam. Later werd overgegaan tot meer gelijke heffing naar vaste maatstaven. Er werden zetters, schatters aangesteld met daarnaast tegenschatters, die eveneens waren benoemd. Men kon in beroep gaan wanneer men meende te hoog te zijn aangeslagen.

In 1891 ontstond in Koog opwinding over het voorstel de belasting op vooral de lagere inkomens te verhogen. Het voorstel werd aangenomen. Bij f 500 inkomen werd 0,4 procent in plaats van 0,18 procent belasting geheven. Het percentage liep op tot 0,9 procent bij een inkomen van f 750. Er werd een adres aan Gedeputeerde Staten gezonden met het verzoek het raadsbesluit ongeldig te verklaren. De leden van de gemeenteraad zouden zich hebben laten leiden door eigen belang. Gedeputeerde Staten weigerden hun goedkeuring aan de verordening te geven.

De verordening op de zakelijke bedrijfsbelasting van 1921 ontmoette felle tegenstand. De belasting zou jarenlang een twistpunt blijven. In de Zaanstreek werden de bedrijven belast met een jaarlijks bedrag per werknemer. Waar vroeger de bedrijven, die veelal hun vertegenwoordiging in de gemeenteraad hadden, altijd werden ontzien, werd deze nieuwe belasting gezien als een revolutionaire ingreep. Twee jaar later werd een initiatiefvoorstel aangenomen waarbij de zakelijke bedrijfsbelasting werd ingetrokken. De zakelijke bedrijfsbelasting werd echter opnieuw ingevoerd na de verkiezingen van 1927, waarbij de socialisten een meerderheid verwierven. Toen kwam ook weer de in 1925 ingevoerde wegbelasting met een tolboom op de grens van Zaandijk en Wormerveer ter sprake. Protest van weggebruikers, onder leiding van de VVV, leidde er toe, dat de tol per 1 januari 1931 werd opgeheven.

R.H. van der Pol

Literatuur:

  • Assendelft, J. de Boer;
  • Tusschen Kil en Twiske, J. de Boer;
  • 350 jaar De Wijde Wormer, J. Haller;
  • Op naar het 't licht, J.J. 't Hoen;
  • Historische Studiën over de Zaanstreek, S. Lootsma;
  • Tussen Leven en Dood, Gosse Oosterbaan;
  • Vis a Saandyk, Dirk Vis en Jacob Vis Jzn.;
  • Zaandam 150 jaar stad;
  • Zaanlandsch Jaarboek 1932;
  • De Zaende 1947;
  • De Zaende 1950.

1)
ijsdrank, vgl sorbet, cerbette
  • belasting.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/04 10:04
  • door 82.75.181.182