Thans een breed water binnen de stad Amsterdam, met daarmee verbonden een aantal deels gegraven havens, aan de oostkant begrensd door een afdamming met de Oranjesluizen ter hoogte van Schellingwoude, aan de westkant overgaande in het Noordzeekanaal.

Het IJ stond vóór de afdamming tussen 1865 en 1872 in open verbinding met de Zuiderzee en strekte zich uit van Durgerdam tot aan de duinen. Bij Beverwijk was het nog door een strook van slechts 8 km van de Noordzee gescheiden; men sprak terecht van Holland op z'n smalst. Tot de inpoldering en de daarmee samenhangende aanleg van het Noordzeekanaal tussen 1861 en 1876 liep het IJ langs Oostzaan, Zaandam en Westzaan. Een noordwestelijke uitloper werd gevormd door het voormalige Wijkermeer, dat in het IJ was opgenomen en langs Nauerna en Assendelft tot aan het Kromme IJ doorliep.

Totdat in het jaar 1358 het Kromme IJ met de Nieuwendam werd afgesloten, stond het IJ via het Wijkermeer in open verbinding met de Schermer en de overige Noordhollandse meren. Stormvloeden vormden toen een voortdurende bedreiging voor grote delen van het Noorderkwartier.

Etymologisch is de naam IJ volgens sommigen verwant aan Aa, Ae en Ee als namen van waterlopen elders. Anderen, onder wie mr. Dirk Vis, wezen er echter op dat de oude naam Tye, Thije of Tij luidde1). Volgens Soeteboom in d'Zaanlandz Arkadia 1658, was het IJ in de 12e eeuw nog een smal watertje, dat in de duinen ontsprong en even benoorden Polanen, de smalle strook land tussen IJ en Haarlemmermeer bij Halfweg, in de Zaan uitmondde. Dit stroompje zou zich sindsdien door afslag hebben uitgebreid tot een binnenzee, waarbij op grote delen van de bodem een kleilaag bezonk van 1 tot 3 meter dikte. Wat de naam het IJ betreft merkte Soeteboom nog op: na myns bedenckens komt het van `t eb en vloejen, dat wy gemeenlyck tye noemen'.

Over het ontstaan van het IJ bestaan verschillende theorieën. Werd hiervoor reeds de mededeling van Soeteboom genoemd, volgens dr. Simon Hart is het Oer-IJ gevormd tijdens het Atlanticum tussen 5000 en 2000 voor Christus. Na een doorbraak van de zee bij Castricum, die ruim vóór het begin van onze jaartelling moet hebben plaatsgehad, kreeg dit Oer-IJ het karakter van een getijdengeul, dus met eb en vloed.

De kronkelende loop doet echter ook vermoeden dat het een riviermond geweest kan zijn, die met noordelijke uitlopers van de Rijn in verbinding stond. Als gevolg van een zeespiegeldaling of dichtslibbing van de monding werd het Oer-IJ daarna een besloten veenwater, een meer. Door overstromingen hiervan vormden zich nieuwe geulen en door de aanvoer van water ontstond bij Castricum omstreeks het jaar 300 een tweede doorbraak.

In deze fase van de ontwikkeling zou bijvoorbeeld ook het voormalige eiland Ruigoord, dat tot de Zaanstreek werd gerekend, zijn ontstaan. Sinds het ontstaan van de Zuiderzee tussen 1170 en 1395 werd het nog smalle IJ door landafslag steeds breder. Het voormalige eiland Den Hoorn werd in deze fase losgeslagen van de Hemlanden.

In de Zaanstreek werd rond 1300 aan verdere overstromingsdreiging een eind gemaakt door de aanleg van de Zaan-dam en de hoge IJ- en zeedijken. Sindsdien werd bewoning van de Zaanoevers mogelijk. Alleen de buitendijkse landen overstroomden nog regelmatig, maar bij hevige stormen zijn ook de aangelegde hoge en lage dijken meermalen doorgebroken. Kronkels in de voormalige IJ-dijken en de daarbij dikwijls nog aanwezige wielen of meertjes geven de plaatsen van deze dijkdoorbraken nog aan.

Mr. Dirk Vis kwam in 1990 met een verrassende stelling, die hij baseerde op een bodemkundig onderzoek van dr. ir. A.R. Güray. Deze laatste, een Turkse onderzoeker die ook de term Oer-IJ introduceerde, bracht de sporen aan het licht van een oude, brede en sterk kronkelende stroom, waarvan de bodem later met klei overdekt werd. De oorspronkelijke loop was vrij nauwkeurig aan te wijzen door de bij de boringen aangetoonde oeverwallen. Mr. Vis concludeerde op grond hiervan dat men het zogenoemde Oer-IJ beter de naam Oer-Zaan kon geven, omdat naar zijn oordeel de oude Zaanstroom deel uitmaakte van dit door Güray aangetoonde estuarium. Het verdwenen deel van de Zaanbedding zou hebben gelopen van de Voorzaan af langs de Hemlanden, dan oostelijk langs het voormalige eiland Den Hoorn en vervolgens in ruime kronkels westwaarts tot in het Wijkermeer. Het voormalige eiland Ruigoord zou ten noorden van deze meanderende vroegere Zaanbedding hebben gelegen.

Vormde het IJ eeuwenlang een bedreiging door het overstromingsgevaar, voor Amsterdam en de Zaanstreek was het als open vaarwater van grote economische betekenis. Amsterdam had dan ook zeer veel geld over voor het bevaarbaar houden. De op de stapelmarkt Amsterdam georiënteerde Zaanstreek profiteerde daarvan. Toen de Voorzaan door de vorming van bodemslib van de 17e eeuw af te ondiep werd voor de toenmalige grote zeilvaart, vormde de Holle- of Hornsloot in het IJ een losplaats voor goederen zoals Scandinavische balken met bestemming Zaandam. Hier werd de voor de Zaanstreek bestemde vracht overgeladen op kleinere schepen. Deze situatie bleef tot ver in de 19e eeuw gehandhaafd.

De aanleg van de Oranjesluizen, begonnen in 1865, maakte een eind aan de open verbinding met de Zuiderzee, die steeds van uitermate groot belang voor zowel Amsterdam als de Zaanstreek is geweest. De hoofdstad heeft zich aanvankelijk heftig tegen de plannen voor deze afsluiting verzet alsook tegen de inpoldering van het IJ. Pas in 1861 schaarde ook Amsterdam zich achter deze plannen, in de overtuiging dat het aan te leggen Noordzeekanaal als kortere en diepere verbinding met de wereldzeeën te verkiezen was boven de oude vaarroute via de Zuiderzee.

In de Zaanstreek had men al eerder gunstig gereageerd op de voornemens tot inpoldering van het IJ en doorgraving van Holland op z'n smalst. Niet alleen zou de Zaan op die manier beter bevaarbaar worden, dat was namelijk in de plannen voorzien, maar ook ontstond hierdoor eindelijk het uitzicht op een directe spoorverbinding naar het zuiden. Het IJ was immers steeds te breed gebleken voor de overspanning door een spoorbrug. Gesteund door de gemeenten en de Kamer van Koophandel bedong het Hoogheemraadschap der Uitwaterende Sluizen het graven van de zijkanalen D en G, respectievelijk naar de Nauernasche Vaart en de Zaan vanaf het Noordzeekanaal. De Zaanstreek kreeg door de uiteindelijke inpoldering van het IJ in feite zowel een betere spoorverbinding als een betere vaarweg naar het zuiden.

Zie ook: IJpolders.

Literatuur:

  • A. van Braam, De Zaan, Zaandam 1948;
  • S. Hart. De bevaarbaarheid van de Voorzaan. in: De Zaende. Wormerveer 1951;
  • M.A. Verkade, Handel. nijverheid en verkeer. in: Zaandam 150 jaar stad. Zaandam 1962;
  • D. Vis. Oer-Zaan of Oer-IJ?. in: Anno 1961. Zaanstad 1990.

  • ij.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/16 21:17
  • door 40.77.167.205