werkgeversverenigingen

Belangenorganisaties van werkgevers de feitelijke tegenhangers van werknemersverenigingen of vakbonden. Tengevolge van centralisatie waren er rond 1990 zeven landelijke werkgeversorganisaties overgebleven. Daarvan hebben het Verbond van Ned. Ondernemingen (VNO) en het Koninklijk Nederlands Ondernemers Verbond (KNOV) in de Zaanstreek een aanzienlijk aantal leden. Alle andere hierna te bespreken organisaties zijn in voornoemde organisaties opgegaan, danwel opgeheven.

1 Landelijke organisaties

De zeven centrale werkgeversorganisaties zijn:

  • Nederlands Christelijk Ondernemers Verbond (NCOV) en
  • het KNOV voor het midden- en kleinbedrijf;
  • het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW) en
  • het VNO voor de grote werkgevers;
  • het Koninklijk Nederlands Landbouw Comité (KNLC);
  • de Katholieke Nederlandse Boerenen Tuindersbond (KNBTB) en
  • de Nederlandse Christelijke Boeren- en Tuindersbond (NCBTB) in de agrarische sector.
  • NCOV en KNOV voeren geregeld informeel overleg.
  • VNO en NCW werken samen in de Raad van Nederlandse Werkgevers Verbonden (RNWV).
  • KNLC, KNBTB en NCBTB vormen het Overlegorgaan Centrale Landbouworganisaties.

De drie overlegorganen komen samen in de Raad van de Centrale Ondememersorganisaties (RCO), van waaruit afgevaardigden naar de Stichting van de Arbeid en Sociaal Economische Raad worden gestuurd. NCOV, KN LC, KN BTB en NCBTB hebben geen aparte afdeling binnen de Zaanstreek, en worden hier verder niet behandeld.

Het NCW heeft een afdeling West, waaronder de Zaanstreek valt, en heeft daardoor een zetel in de Kamer van Koophandel. VNO en KNOV vertegenwoordigen het grootste deel van de bijna 6000 in het handelsregister ingeschreven Zaanse bedrijven.

2. Ontstaan werkgeversorganisaties

Zaanse ondernemers onderhielden van oudsher onderling informele contacten; zij participeerden in elkaars ondernemingen en waren ook vaak door familiebanden met elkaar verbonden. Maar vóór 1875 waren er geen officiële samenwerkingsverbanden tussen Zaanse ondernemers in de zin van de huidige werkgeversorganisaties. Wel werden door ondernemers gezamenlijk bijvoorbeeld verzekeringsfondsen opgebouwd, terwijl soms ook samenwerking ontstond om export-belangen te verdedigen. Bijvoorbeeld de bakkers van Wormer, de stijfselmakers van Oostzaan en de scheepsbouwers van Zaandam verenigden zich tijdelijk in op gilden gelijkende organisaties, volgens Van Braam 'veel meer als reactie op de protectionistische maatregelen van de Amsterdamse gilden, dan uit lokaal-economische noodzakelijkheid of omstandigheden'. Pas toen werknemers zich in vakverenigingen organiseerden ontstonden ook werkgeversorganisaties in de meer moderne zin van het woord. Deze waren aanvankelijk vooral defensief van karakter, sommige ontstonden ten tijde van arbeidsonrust of stakingen. De arbeidsenquête liet aan het eind van de 19e eeuw zien hoe slecht de Arbeidsomstandigheden waren; de Arbeidsverhoudingen kwamen ten gevolge daarvan onder druk te staan.

De eerste arbeidsconflicten waren kleinschalig en de werknemers konden individueel nog genoeg weerstand bieden aan hun personeel. Sigarenmaker J. Baars te Krommenie kon bijvoorbeeld in novemberdecember 1889 zijn stakende arbeiders van werk uitsluiten en vervolgens het door de ontslagen sigarenmakers opgerichte bedrijf wegconcurreren. Maar toen de organisatiegraad van de arbeiders steeg, werd het ook voor werkgevers noodzakelijk zich te organiseren. In dat licht verwondert het niet dat de werkgevers in het houtbedrijf als eersten in de Zaanstreek een bond oprichtten.

3.1. Bond voor Werkgevers in het Houtbedrijf

In 1900 kwamen de Zaanse houthandelaren voor het eerst bijeen, om te spreken over de steeds toenemende sterkte van de bootwerkersbond Eensgezindheid. De 28 bedrijven besloten tot oprichting van een bond, met als doel 'het behartigen van de belangen der leden bij en in hun bedrijf, inzonderheid de gevallen waarin deze door gehele of gedeeltelijke werkstaking worden geschaad of bedreigd en het bevorderen van de belangen van den houthandel'. Deze Bond (opgericht 1 mei 1901) werd 29 juli 1901 koninklijk goedgekeurd. Negen van de 28 Zaanse houthandelaren besloten geen lid te worden. De bond trachtte haar doel te bereiken door onder meer: 'het nemen van maatregelen ter voorkoming van werkstakingen; de leden bij te staan en te steunen bij intimidatie van de zijde van de werklieden en corporatiën en gehele of gedeeltelijke werkstaking; het beramen en nemen van maatregelen die in zodanige gevallen wenselijk zijn, inzonderheid het voorschrijven van een eenvormige gedragslijn.'

Afgesproken werd dat wanneer een staking bij een van de leden zou uitbreken, de ondernemer zijn beslissingsbevoegdheid in het conflict overdroeg aan de bond. Tot de opheffing (officieel in 1964, maar de boekhouding liep tot 1967 door) werd aan de eerste statuten weinig veranderd. De bond was en bleef dus voornamelijk defensief van karakter. De Bond van Werkgevers in het Houtbedrijf speelde een prominente rol bij de Houtwerkersstakingen van 1914 en 1929. Bij de staking van 1914 brandde de bond daarbij haar vingers. Een der houtwerkgevers werd op het station van Amsterdam gearresteerd omdat hij al te enthousiast de Duitse stakingbrekers verwelkomde, die vervolgens te Zaandam door de kersverse 'rode burgemeester' K. ter Laan terug naar huis werden gestuurd.

In 1929 en bij volgende conflicten had de bond meer succes, vooral dankzij de hoge mate van onderlinge overeenstemming. Maar ook de houtwerkers waren zeer sterk georganiseerd. Onder die omstandigheden bleken beide partijen elkaar bij voorkeur aan de onderhandelingstafel te treffen. Reeds in 1903 werden er afspraken gemaakt over minimum-jeugdlonen en tussen 1920 en 1964 kwamen er verschillende CAO's tot stand. In 1939 werd de bond omgezet in `Bond van werkgevers in het Houtbedrijf en voor de Havenbelangen te Zaandam'. Waarschijnlijk was de bond toen al langere tijd gesprekspartner van de gemeente over de Zaandamse (zee)haven. Hout was dan ook een van de belangrijkste producten die daar werden aangevoerd. Het kasboek van de bond loopt tot maart 1967; in februari van dat jaar werd de laatste contributie gestort. Er waren toen 18 bedrijven aangesloten. Binnen het VNO en het KNOV is thans geen aparte organisatie voor de houthandel actief.

3.2. De Algemeene Werkgevers Vereeniging (AWV)

De latere AWV ontstond in 1919 als Zaansche Werkgevers Vereeniging. Bij de oprichtingsvergadering sloten zich 14 fabrikanten (uit negen verschillende bedrijfstakken) aan bij de vereniging, die zich op behartiging van de sociale belangen richtte. Het eerste bestuur bestond uit E. Honig, J .W. Dekker en W.F. Bloemendaal. Bij het eerste overleg met vakorganisaties bleken onmiddellijk de verschillen in uitgangspunten; waar de werkgevers meenden dat de loonhoogte bepaald moest worden door de wet van vraag en aanbod, meenden de werknemers dat lonen in ieder geval zo hoog moesten zijn dat een menswaardig bestaan voor werknemers mogelijk was. In deze periode na de Eerste Wereldoorlog stegen de kosten van levensonderhoud snel. Om de arbeidsrust te handhaven verhoogden de werkgevers aanvankelijk de lonen, maar dit beleid kon door de zich wijzigende economische omstandigheden niet gecontinueerd worden.

De ZWV onderzocht in haar beginperiode de wijze waarop lonen en andere arbeidsvoorwaarden in verschillende ondernemingen werden vastgesteld. Men kwam tot de conclusie dat de organisatie zich niet moest beperken tot de Zaanstreek en er werd contact gezocht met andere werkgeversverenigingen zoals de Metaalbond, de Enschedesche Fabrikanten Vereeniging, en de Vereeniging van Nederlandsche Cacao- en Chocolade Fabrikanten. Een overkoepelend orgaan voor de diverse werkgeversorganisaties werd noodzakelijk geacht, in verband hiermee werd nog in 1919 de naam gewijzigd in Algemeene Werkgevers Vereeniging (AWV), terwijl in 1920 werd besloten tot de oprichting van de vereniging Centraal Overleg in Arbeidszaken voor Werkgeversbonden (COAW). In 1921 werd in Haarlem het gemeenschappelijk secretariaat van AWV en COAW gevestigd.

De AWV stond afwijzend tegenover het afsluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten, aangezien deze in de metaalindustrie tot steeds terugkerende strijd met vakbonden leidden; dit standpunt handhaafde men tot de Tweede Wereldoorlog. De vakverenigingen werden door een groeiend ledental steeds sterker en kwamen met nieuwe looneisen. Nadat het minimumloon f 30 per week was geworden, kwam er een algemene looneis dit naar f 32 te verhogen, gekoppeld aan het afschaffen van overwerk en doorbetaling van het volledige loon bij ziekte gedurende een periode van 26 weken. Deze eis werd door de AWV afgewezen, hetgeen leidde tot een conflict bij een van de leden, de Cacao- en Chocoladefabriek H. Pette J. zn. te Wormerveer. In verband met de drukte voor Sint Nicolaas werd in deze industrietak vanaf augustus overgewerkt. De arbeiders weigerden en stelden daarnaast een looneis van f 35 per week. Na afwijzing volgde een staking, die door de AWV als een principiële krachtproef werd beschouwd. Na een periode van vijf weken moesten de werknemers de staking opgeven en werd het werk hervat. De statuten van de AWV werden naar aanleiding van dit conflict uitgebreid met de bepaling dat het dagelijks bestuur van de AWV bij een wijziging in de algemene loonen arbeidsvoorwaarden ingeschakeld moest worden en dat door individuele fabrikanten geen onderhandelingen met de besturen van vakverenigingen gevoerd mochten worden.

De AWV groeide snel; in 1922 waren reeds 93 ondernemingen met een totaal arbeidsbestand van 11.000 bij de vereniging aangesloten. Maar de organisatie van werkgevers was nog niet algemeen. Bij een omvangrijk arbeidsconflict in 1924 werd de positie van de AWV verzwakt, doordat een niet bij de vereniging aangesloten bedrijf de eis tot verhoging van het minimumloon met f 2 per week honoreerde. Daarna werd bij meerdere fabrieken deze looneis gesteld, die door de AWV echter werd afgewezen. Hierdoor brak op 10 september 1924 een staking uit bij de nv Koninklijke Pellerij v/h Gebr. Laan te Wormerveer en op 15 oktober bij de fa. Jan Dekker (bedrijven van respectievelijk de voorzitter en de vice-voorzitter van de AWV). De staking werd met steun van de vakorganisaties krachtig voortgezet; pas in februari 1925 bleek er enige stakingsmoeheid bij de werknemers op te treden.

Een vertegenwoordiger van het College van Rijksbemiddelaars bemiddelde, waarbij de onderhandelingen niet meer zozeer over de verlangde loonsverhogingen gingen, maar meer over het voorkomen van consequenties (ontslag) voor de stakers. De uitkomst van dit conflict was voor de AWV van groot belang. De betrouwbaarheid van de vereniging bij de leden had op het spel gestaan. Ook was duidelijk geworden dat bij een langdurig arbeidsconflict geldelijke steun voor het bedrijf in kwestie onontbeerlijk was. In 1926 werd daartoe een steunfonds ingesteld; alle bij de AWV aangesloten bedrijven verplichtten zich hier aan bij te dragen.

De crisis van de jaren '30 deed zich ook in de Zaanse industrie zwaar voelen. De AWV nam het standpunt in dat alleen over wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden met de vakbonden overlegd moest worden en niet over loonsverlagingen, aangezien de vakbonden zich daar toch stelselmatig tegen keerden. In 1934 volgde een nieuwe loonsverlaging, tot onder het niveau van 1919.


Lonen Zaanstreek 1919-1934:
1919: van f25 naar f27,
1920: van f27 naar f30,
1923: van f30 naar f27,
1924: van f27 naar f25,
1934: van f25 naar f22,50.


De devaluatie van de gulden in 1936 gaf de economie een impuls; omzetten en winsten stegen en de bonden kwamen met nieuwe looneisen. De activiteiten van de AWV namen weer toe.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de vakbonden al snel ingelijfd bij het Nederlands Arbeids Front (NAF). De AWV bleef voorlopig functioneren en werkte aanvankelijk mee met het College van Rijksbemiddelaars, dat op last van de Duitse bezetter de taak had gekregen landelijke loonregelingen te ontwerpen. Vanaf 1942 werd het duidelijker dat de Duitse bezetter er naar streefde het bestaan van de werkgeversorganisaties onmogelijk te maken. Op 1 mei 1942 ontving de AWV de mededeling dat de vereniging beschouwd werd haar werkzaamheden beëindigd te hebben en dat de bezittingen overgedragen moesten worden aan de Hoofdgroep Industrie. De AWV had toen al het Steunfonds geliquideerd om te voorkomen dat enige miljoenen via het NAF in handen van de Duitse bezetter zouden vallen. Onder een andere naam ('kantoor mrs. de Graaf en Haveman') werden de activiteiten van de AWV in bescheiden opzet voortgezet, ook met het oogmerk in een na-oorlogse situatie meteen weer volledig van start te kunnen gaan, hetgeen in 1945 ook gebeurde.

De na-oorlogse situatie was economisch gezien zeer slecht: gebrek aan grondstoffen, een gehavend productie-apparaat, grote woningnood, een klein aanbod van goederen en diensten, een grote inhaalvraag en een onevenwichtige situatie op de arbeidsmarkt. Overheidsbemoeienis werd ook door de AWV als noodzakelijk gezien. Dit alles leidde tot een andere taakstelling van de AWV. Aangezien de AWV zich snel ontwikkelde tot een der belangrijkste werkgeversverenigingen van Nederland, werd zij meer en meer betrokken bij algemeen sociaal-politieke vraagstukken, zoals die op het terrein van de sociale verzekeringen en de verplichte bedrijfsverenigingen. Reeds vóór 1940 had de AWV haar bezwaren tegen collectieve arbeidsovereenkomsten laten varen. In 1940 was met de vakbonden al overeenstemming bereikt over de mogelijkheid model-cao's te formuleren. Na de bevrijding stelden de vakbonden dit weer aan de orde. Aangezien er in ondernemerskringen groeiende waardering was voor de constructieve opstelling van de meeste bonden (de werkgevers beschouwden de Eenheidvakcentrale - EVC - als malafide en onderhandelden daar niet mee), werden deze hierin positief benaderd. Het door de bonden aangevoerde motief dat cao's de bedrijfsvrede zouden bevorderen, werd door de werkgevers als minder juist ervaren. Zij zagen een cao meer als een vorm van wapenstilstand, die gebruikt kon worden om zich op een nieuwe strijd voor te bereiden. Volgens het AWV-bestuur zouden cao's eerder de klassetegenstellingen vergroten. De AWV concludeerde dat het al dan niet afsluiten van een cao per geval apart bekeken diende te worden en dat de AWV niet de competentie had voor haar leden te beslissen.

Dit standpunt werd gaandeweg door de realiteit achterhaald: in 1959 waren bij de leden van de AWV 103 ondernemings-cao's, 17 bedrijfstak-cao's, en 5 regionale cao's afgesloten, waarbij ruim 150.000 werknemers betrokken waren. De periode na de Tweede Wereldoorlog werd gekarakteriseerd door 'harmonie-denken'; later ging het 'conflict-denken' de boventoon voeren. Steeds vaker kwamen werkgevers en werknemers openlijk met elkaar in botsing, vanaf de jaren '60 leidde dit tot loonstijgingen. Begin jaren '70 stagneerde de economische groei en werden de werkgevers tengevolge van automatisering minder afhankelijk van menselijke arbeidskracht. De AWV groeide in deze periode door. Al vóór de oorlog was de AWV nog maar ten dele een Zaanse organisatie, na de oorlog uiteindelijk geheel niet meer. Allengs vertrokken Zaanse ondernemers uit het bestuur en verdween ook de speciale interesse in de streek.

Nadat in 1959 de geleide loonpolitiek definitief werd afgeschaft, werd de AWV steeds vaker partij in cao-onderhandelingen. In 1959 was de vereniging betrokken bij 125 cao's, in 1969 bij 231 en in 1989 bij 280. De AWV, inmiddels een van de grotere brancheorganisaties binnen het VNO, was toen de grootste werkgeversvereniging op sociaaleconomisch gebied. Bij de vereniging werkten toen circa 200 personen, vanuit de standplaatsen Haarlem (hoofdkantoor), Haren, Zutphen en Tilburg. Vanuit de traditie was de Zaanstreek ook toen nog oververtegenwoordigd onder de leden.

3.3. Koninklijk Nederlands Ondernemers Verbond (KNOV)

In november 1976 fuseerden het Koninklijk Verbond van Ondernemers (KVO) en het Katholiek Nederlands Ondernemers Verbond (NKOV) tot het KNOV. Gelijktijdig ontstond een district Zaanstreek van dit verbond. Het KNOV stelt zich ten doel 'het creëren van een gunstig ondernemings- en ondernemersklimaat, gericht op het zodanig ruimte bieden aan het ondernemen in het midden- en kleinbedrijf dat de ondernemers, dankzij hun eigen capaciteiten en op basis van het stelsel van de vrije ondernemingsgewijze productie en distributie van goederen en diensten, voldoende winstcapaciteit en continuïteit kunnen realiseren en zich als specifieke ondernemersgroep kunnen profileren'. Het KNOV is sindsdien één van de belangrijkste ondernemersorganisaties in de Zaanstreek en Nederland; in de Kamer van Koophandel bezet het KNOV zeven van de tien zetels voor het midden- en kleinbedrijf.

Aangesloten zijn plaatselijke en branche-organisaties. Het totaal aangesloten ondernemingen (1100 in 1989) wordt gevormd door optelling van het totaal van de 78 aangesloten branche-organisaties en de 8 aangesloten plaatselijke organisaties. Deze zijn: Winkeliersvereniging Assendelft, Ondernemersvereniging 'Doka' Krommenie, Ondernemersvereniging 'Aktief' Wormer-Jisp, Ondernemersvereniging 'In de Zaanbocht' Wormerveer, Ondernemersvereniging 'City-Center' Zaandam, Winkeliersvereniging 'Gibraltar` Zaandam. Ondernemersvereniging 'Zuiddijk' Zaandam en KNOV-federatie Zaanstad.

Bij deze laatstgenoemde federatie aangesloten zijn de ondernemingen die geen lid willen of kunnen zijn van een der andere plaatselijke organisaties. Oostzaanse ondernemingen zijn aangesloten bij de Bedrijfsbelangenvereniging Landsmeer en omstreken en via deze organisatie bij het district Amsterdam van het KNOV. Van de bij het KNOV aangesloten brancheorganisaties die voor de Zaanstreek van belang zijn, kunnen worden genoemd: Nederlandse Vereniging van Makelaars in Onroerende Goederen (NVM). BOVAG, Algemene Nederlandse Kappers Organisatie ( ANKO), NVOB, Nederlands Verbond van Ondernemingen in de Bouwnijverheid, Metaalunie en Horeca Nederland.

3.4. Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO)

Het VNO is de belangrijkste Nederlandse grootwerkgeversorganisatie. Het verbond is opgebouwd uit 72 branche-organisaties voor grote en middelgrote ondernemingen; zo is de (hiervoor behandelde) AWV aangesloten als werkgeversorganisatie voor de industrie. Vanaf 1989 is het VNO provinciaal georganiseerd. Eerder was het verbond georganiseerd in regionale kringen. In de Zaanstreek was in 1966 op initiatief van W. Bruynzeel, de toenmalige voorzitter van het VNO, de Zaanse Kring van Ondernemingen opgericht, die in 1975 opging in de VNO-kring Zaanland. In de Zaanstreek gevestigde leden van het VNO waren automatisch lid van deze kring. Leden werden geworven door het landelijk bestuur, dat voor het overige slechts actief was bij dreigende loon- of andere conflicten. De kringstructuur van het VNO functioneerde daardoor matig.

In de Zaanstreek ontstond echter toch verzet tegen de gedachte van provinciale organisatie. Men meende dat de Zaanstreek van voldoende belang was voor een eigen actieve ondernemersvereniging. Uit dat idee ontstond de vereniging Ondernemerskring Zaanstreek (OZ) (zie 3.5.). In 1986 werd de VNO-kring Zaanland (met eind '85 115 leden) opgeheven. Het merendeel van de Zaanse VNO-leden is tevens OZ-lid; ongeveer de helft van de OZ-leden is eveneens bij het VNO aangesloten. Voor de Zaanstreek belangrijke branche-organisaties binnen het VNO zijn: AWV, NVVC (cacao en cacaoproducten), Nefarma (farmaceutische industrie), NVOB, Nederlands Verbond van Ondernemingen in de Bouwnijverheid, VNP (papier- en kartonfabrikanten) en VVVF (verf- en drukinktfabrikanten).

3.5. Vereniging Ondernemerskring Zaanstreek (OZ)

De OZ groeide sinds de oprichting in 1985 snel. In 1989 werd dat bekrachtigd, toen het aantal zetels in de Kamer van Koophandel naar negen verhoogd werd. De afgevaardigden zijn overigens in samenspraak met het VNO benoemd (NCW, zie 3.6., bekleedt de tiende zetel voor groot-werkgevers in de Kamer). Bij de oprichting had de OZ 115 leden; in 1989 waren dat er 220 (met te zamen circa 15.000 werknemers). Als officiële doelstelling geldt: 'Het behartigen van de gemeenschappelijke bedrijfs- en sociaal-economische belangen van de leden in de ruimste zin van het woord, in het bijzonder in de Zaanstreek'. Daartoe geeft OZ tweemaandelijks een Nieuwsbrief uit, organiseert men bijeenkomsten en bedrijfsbezoeken, neemt men deel in het Zaans Opleidingscentrum voor het bedrijfsleven en heeft men periodiek overleg met afvaardigingen van de gemeentebesturen van Zaanstad en Wormerland.

3.6. Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW)

Het NCW was nooit een sterke organisatie in de Zaanstreek. Het verbond kwam tot stand in 1970, door fusie van het Nederlands Katholiek Werkgeversverbond en het Verbond van Protestants-Christelijke Werkgevers in Nederland. Sinds de fusie maakt de Zaanstreek deel uit van de Kring Noord-Holland Noord van regio West. Deze Kring heeft in totaal 45 leden (1988). Deze werkgevers zijn op persoonlijke titel lid. Voorts zijn bij het NCW onder meer 97 werkgeversbranche-organisaties aangesloten. met duizenden 'indirecte leden'; 300 ondernemingen zijn direct aangesloten. Het NCW heeft één zetel in de Kamer van Koophandel.

4. Samenvatting/afronding

Organisatie van werkgevers in de Zaanstreek kwam - enige 'gilde-achtige' organisaties in het verleden buiten beschouwing gelaten - eerst op gang nadat er sprake was van werknemersorganisatie, vanaf het begin van de 20e eeuw. Nadat aanvankelijk deze organisatie voornamelijk lokaal tot stand kwam, waarbij de thans landelijke opererende AWV een Zaanse oorsprong had, kwamen nadien steeds meer Zaanse, danwel provinciale afdelingen van landelijke verenigingen en verbonden tot stand. Daaruit volgde de oprichting van deels anderssoortige werkgeversorganisaties, waarvan de Vereniging Ondernemerskring Zaanstad een exponent is. Onbesproken in dit artikel blijven de organisaties die zich eerder op voorlichting dan op belangenbehartiging richten. In de Zaanstreek zijn op dat gebied van belang: Ondernemerssociëteit De Corner en de Maatschappij voor Nijverheid en Handel.

Literatuur

  • NVOB afdeling Zaanstreek, 1976- 1986:
  • A. van Braam. Bloei en verval van het economisch-sociale leven aan de Zaan in de 17de en 18de eeuw. Wormerveer z.j.:
  • Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zaanland, jaarverslag 1988;
  • Gemeentearchief Zaanstad, brochures 02.618 en 02.809 en particulier archief 117;
  • Vereniging Ondernemerskring Zaanstreek, Jaarverslag 1987-1988.

Voorts vraaggesprekken met D. Boon, E.G. Duyvis Jr (AWV), C. van der Vliet (OZ/VNO) en T.R. Vermij (KNOV).

  • werkgeversverenigingen.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/06 21:07
  • door 82.94.44.133