jisp

Tot 1991 zelfstandige gemeente, ten oosten van de Zaan, op de grens van Zaanstreek en Waterland. Het dorp is, gezien zijn verleden, te beschouwen als behorend bij de Zaanstreek. Jisp is met nog geen duizend inwoners verreweg het kleinste dorp binnen deze Zaanstreek. De buurtschap Spijkerboor behoorde bij de gemeente Jisp. Vóór 1940 was een groot deel van de inwoners voor wat hun inkopen betreft op Purmerend aangewezen. Dit kwam vooral door het ontbreken van voorzieningen in de eigen plaats en in het nabijgelegen Wormer.

Nadat het aantal winkels in Wormer toenam, richt een groot deel van de bevolking van Jisp zich op deze gemeente, mede gestimuleerd doordat Jisp en Wormer vrijwel onmerkbaar in elkaar overlopen. Bovendien gaat een groot deel van de jeugd van Jisp naar het mavo in Wormer. Ook uit de dagbladen die de bevolking van Jisp leest blijkt dat bewoners van de gemeente voornamelijk op de Zaanstreek zijn gericht. Een onderzoekje in augustus 1989 wees uit dat de Zaanse Typhoon tweemaal zoveel wordt gelezen als de Waterlandse Nieuwe Noordhollandse Courant. De lezers van de NNC bleken bovendien vooral in Spijkerboor te wonen.

De verwarring over de vraag of Jisp al dan niet bij de Zaanstreek moet worden gerekend is al oud. Loosjes nam het dorp niet op in zijn 'Beschrijving van de Zaanlandsche Dorpen' (1794), maar ruim vijftig jaar later betrok Jacob Honig Jansz. Jr. het dorp in zijn 'Geschiedenis der Zaanlanden' nadrukkelijk wel bij de Zaanstreek. Kruijt, Van Braam en Van der Woude erkennen dat het dorp aan de periferie van de streek ligt en wezenlijk afwijkt van de geïndustrialiseerde kern, maar rekenen Jisp desalniettemin tot de Zaanstreek.

Desondanks was het beleid van de provinciale en de rijksoverheid er sedert 1980 op gericht Jisp op te laten gaan in een Waterland-gemeente, die Wormerland ging heten. Naast Jisp zouden ook Wormer en Wijde Wormer tot deze gemeente gaan behoren. Men meende dat deze samenvoeging noodzakelijk was aangezien het lokale bestuur van kleine gemeenten zo versterkt kan worden, voorzieningen gehandhaafd konden blijven en beter tegenspel aan grote buurgemeenten en hogere overheden kon worden geboden. Gedeputeerde Staten kwamen tot de conclusie dat gemeenten minimaal 6000 inwoners moesten tellen om een minimum aan taken zelfstandig uit te kunnen voeren.

Wormerland zou 13.500 inwoners hebben. Tegen de voorgenomen samenvoeging is uit de drie gemeenten fel protest gekomen. Vooral uit Jisp werd verscheidene malen geprobeerd 'Haarlem' en 'Den Haag` van hun voornemen af te brengen. In februari 1988 zei tijdens een telefonische enquête 61,4 % van de in de drie dorpen ondervraagden 'nee' tegen de samenvoeging; in Jisp was dat percentage 94,2 %. De samenvoeging kreeg reeds per 1991 zijn beslag.

Naam

De oorsprong van de naam 'Jisp' is onduidelijk. De meeste auteurs verwijzen naar een water dat nabij de laat-middeleeuwse nederzetting moet hebben gestroomd. Soeteboom stelde (in 1658) dat hij dit riviertje nog heeft aanschouwd, maar het is zeker dat dat onmogelijk waar kan zijn. De naam van het dorp is op verschillende manieren gespeld: Gispe (1328), Gyspe (1344), Jhispe (1438), Jhisp (1505), Gijsp (1561), Ysp (1593), Jesp (1658), Isp (1658) en Gisp (1658). Volgens Soeteboom leerde 'meester Pieter Kas' zijn leerlingen de huidige spelling Jisp. Eén onderzoeker stelde dat de naam Gispe een verwijzing zou inhouden naar 'gistend water'. De letter 'e' aan het einde van de naam zou dan een verkorting zijn van 'apa' (water).

Wapen

Gemeentewapen Jisp. Bron: wikimedia

Het wapen van Jisp bestaat uit een gouden lepelaar op een blauw (azuur of lazuur) veld. De lepelaar moet oorspronkelijk wit zijn geweest, terwijl het veld geen vaste kleur had. Het wapen, dat al in 1570 bestond, werd in 1816 door de Hoge Raad van Adel in de rijkskleuren bevestigd. De afbeelding op het wapen is in het verleden op twee manieren verklaard. Volgens de oudere schrijvers hielden de Jispers in het verleden zelf lepelaars, vanaf het midden van de 19e eeuw houdt men het erop dat de polder Jisp jaarlijks bezoek kreeg van een grote kolonie van deze vogels.

De lepelaar in het wapen van Jisp is door Soeteboom verklaard als 'afkomstig te wesen van de Leepelaren, die se veel te Jisp, en voornamelijk in het Oosteynde plachten te houden (… ) Tot verval van kleyne Aal, Spiering, Pos, Bley, Gruntel en diergelijk, hielden se de Leepelaren tot hen heden vermaak, geschiedt op de Markten, dewijle dat die Vogelen na het aas zeer begeerig zijn (enz)'. De ornitoloog Fr. Haverschmidt kwam tot de conclusie dat in de 16e eeuw de vissers uit de omgeving van Jisp halfwas jonge lepelaars uit een kolonie dicht bij het dorp moeten hebben gehaald. Het blijkt dat lepelaars zeer tam en aanhankelijk kunnen worden.

Vermoedelijk hielden de Jisper vissers de lepelaars niet enkel 'voor vermaak', maar ook omdat het vlees van de vetgemeste jonge vogels zeer smakelijk heette te zijn.

Bijnamen

Destijds gebruikelijke bijnamen voor Jispers waren: Jisper Moppen, Orebijters en Jisper Uilen. De laatste bijnaam werd vooral door inwoners van Wormer gebruikt, die op hun beurt juist weer Uilen werden genoemd door de Jispers. De scheldnaam Moppen tekende Boekenoogen op uit de mond van een inwoner van de Wijde Wormer. De scheldnaam Orebijter ontstond volgens de overlevering nadat tijdens een vechtpartij een Jisper een stuk uit het oor van een inwoner van Neck had gebeten.

Omvang, oppervlakte

De gemeente Jisp is een onderdeel van de polder Wormer Jisp en Neck. Voorts hoort een klein deel van de Starnmeerpolder tot het grondgebied. Daardoor grenst Jisp in het westen aan Wormer, in het noordwesten aan Graft-De Rijp, in het noorden aan Beemster, in het oosten aan Neck en in het zuiden weer aan Wormer. Het kruispunt van het Noordhollands Kanaal met de Knollendammer Vaart/ Beemster Ringvaart behoort bij Jisp, inclusief de aldaar gelegen buurtschap Spijkerboor. Het voormalig fort Spijkerboor ligt juist binnen de gemeentegrenzen van Beemster. Het Noordhollands Kanaal behoort vrijwel over de volledige breedte bij Jisp.

In het verleden behoorde Jisp, zoals de gehele Zaanstreek (en ook Neck), tot Kennemerland. Over de oudste grenzen van de banne Jisp bestaat geen adequate informatie. Volgens oude vermeldingen liepen Jisp en Neck in het verleden in elkaar over; het zich door zuidwester stormen uitbreidende meer de Wormer maakte daar een einde aan. Het is niet te schatten hoeveel grondgebied van Jisp toen is weggeslagen. Vóór het graven van het Noordhollands Kanaal (1820-1824) had Jisp een bebouwde lengte van ruim 1500 meter en bedroeg het grondgebied 623 hectare (waarvan 421 hectare land). Nadien kreeg het dorp er in het westen gebied bij.

In 1845 bestond de gemeente kadastraal uit ruim 1014 hectare land en water. Nadien deden zich slechts kleine wijzigingen voor. In 1988 was Jisp 1018 hectare groot (waarvan 201 hectare water).

Samenvoegingen

De samenvoeging tot Wormerland, die in 1980 voor het eerst ter sprake kwam, was niet de eerste samenvoeging waar Jisp bij was betrokken. In 1518 werden Jisp en Wormer samengevoegd. Deze samenvoeging werd in 1611 door de Staten van Holland en Westfriesland op verzoek van Jisp weer ongedaan gemaakt. Zie: Bestuur en rechtspraak 1.2.7.

Tijdens de Franse overheersing werd per Keizerlijk decreet van 21 oktober 1811 Jisp met Wijde Wormer tot één gemeente verenigd. Dit samengaan was van korte duur. Bij Koninklijk Besluit werd de Franse maatregel op 13 december 1815 ontbonden. Eind jaren '30 van de 20e eeuw ontstonden er opnieuw ideeën over samenvoeging, nu van Jisp, Wormer en Wijde Wormer. Het wetenschappelijk rapport over deze en andere Zaanse samenvoegingen, samengesteld onder leiding van prof. dr. H.N. ter Veen, verscheen in 1941 en bleef zonder gevolgen. Pas bij de samenvoeging van een aantal Zaanse gemeenten tot Zaanstad kwam Jisp weer ter sprake (in het oorspronkelijke plan), maar al snel werd duidelijk dat het dorp buiten deze samenvoeging zou blijven.

Bevolking

Jisp is wat betreft het aantal inwoners verreweg de kleinste gemeente binnen de Zaanstreek. Ook wat betreft de bevolkingsdichtheid is Jisp onvergelijkbaar met de andere (voormalige) dorpen. Per vierkante kilometer woonden er in 1988 117 personen. Dit is zelfs aanzienlijk minder dan in de (zeer grote) voormalige gemeente Assendelft (290). Het gemiddeld aantal inwoners per vierkante kilometer van Zaanstad was per augustus 1989: 1590.

Afgezien van de economische bloeiperiode eind 16e/begin 17e eeuw heeft Jisp nooit meer dan ongeveer 1000 inwoners gehad. Door reconstructies en tellingen is het volgende overzicht samengesteld:

jaaraantaljaaraantal
15145381899764
162218431930776
17428811950766
17956211960793
181150419701032
18406101980974
18697071989953

De (meer dan) verdrievoudiging van het inwonertal tussen 1514 en 1622 was te danken aan de flinke economische voorspoed die het dorp toen kende (zie: Middelen van bestaan). Mogelijk heeft het dorp in de decennia na 1622 zelfs meer dan 2000 inwoners gekend; cijfers ontbreken. De kentering zette zich in na de zware brand van 1664 (waarbij meer dan 150 huizen verloren gingen) en duurde voort tot na de Franse tijd.

In de 20e eeuw werd het uitgangspunt van de gemeentebestuurders om Jisp het Zaanse landelijke karakter te laten behouden. Alleen achter de kerk legde men een klein wijkje aan om tegemoet te komen aan de grote vraag naar huizen op het platteland. Sindsdien heeft het aantal inwoners zich iets onder de duizend gestabiliseerd.

Kerkelijke gezindheid

De ontkerkelijking in Jisp verliep veel geleidelijker dan in de rest van de Zaanstreek, die reeds vóór 1940 bekend stond als de meest onkerkelijke streek van Nederland. Wellicht doordat Jisp buiten de industriële kern van de streek ligt en doordat het deels agrarische karakter behouden bleef, heeft met name de Nederlands Hervormde Kerk lang veel lidmaten behouden. Van der Aa vermeldde in 1849 een bevolkingsomvang van 620, waarvan 500 personen Nederlands Hervormd waren, 70 personen Rooms-Katholiek en 50 Doopsgezind. De tabel laat over de jaren 1947 en 1960 de aantallen lidmaten van de verschillende kerken (Nederlands Hervormd. Rooms-Katholiek. Gereformeerd, overige en geen) zien, absoluut en percentueel, en daaronder het percentage dat gold voor de gehele Zaanstreek.

Bevolking naar politieke gezindheid

In de tabel is de samenstelling van de gemeenteraad vanaf 1923 vermeld. Daarbij moet worden opgemerkt dat de protocollen van de jaren 1935, 1939, 1946, 1949 en 1974 ontbreken; voor zover mogelijk is de zetelverdeling in die jaren ontleend aan de in kranten gepubliceerde uitslagen. De lokale politiek in de raad is dus, zoals de zetelverdeling toont, jarenlang in belangrijke mate door de plaatselijke partijen bepaald. Begrippen als '1inks' en 'rechts' zijn op deze partijen nauwelijks van toepassing. Jisper Belangen, dat ontstond uit onvrede met Gemeente Belangen, was iets progressiever. Deze groepering hield het evenwel niet lang vol en verdween, na acht jaar met twee zetels in de raad te zijn vertegenwoordigd.

Met name het lokaal sterke verbond van de CPN en de PPR profiteerde van deze 'aardverschuiving' in de Jisper raad. Opmerkelijk is het ontbreken van protestants-christelijke partijen in de gemeente-politiek. Noch de ARP, noch de CHU, noch een combinatie van deze twee nam zelfs maar ooit deel aan de verkiezingen. 1n 1987, bij de verkiezingen voor Provinciale Staten, bracht meer dan 75 % van de bevolking van Jisp geen stem uit, als protest tegen de voorgenomen vorming van de gemeente Wormerland.

Burgemeesters

Jisp had tussen 1811 en 1989 dertien burgemeesters. Vijf van hen waren afkomstig uit het geslacht Wildschut. Van de laatste vijf burgemeesters waren er vier slechts als waarnemend burgemeester benoemd. Een nog groter aantal was tegelijk ook burgemeester van een andere gemeente. Notaris Cornelis van Maenen wordt genoemd als de eerste maire van de gemeente Jisp. Hij was al in 1775 benoemd tot schout en secretaris en werd in 1811 benoemd als eerste burgemeester van de samengevoegde gemeente Jisp-Wijde Wormer. Hij bleef dat tot zijn overlijden op 18 november 1814. Zijn taak werd overgenomen door C. Boom, die burgemeester bleef tot Jisp en Wijde Wormer in 1817 weer werden gesplitst. Johannes Wildschut werd toen de eerste van de 'Wildschutdynastie', die Jisp ruim een eeuw zou besturen. In 1840 gaf hij volmacht aan zijn zoon Adrianus, die hem na zijn dood in 1845 opvolgde. Cornelis (broer van Adrianus), die al in 1856 burgemeester van Wormer was geworden, werd burgemeester van Jisp (en Wijde Wormer) in 1859 en bleef dat tot in 1902. Na zijn overlijden werd hij opgevolgd door zijn neef Johannes Adr.zn., die ook lid was van onder meer Provinciale Staten en het Heemraadschap van Uitwaterende Sluizen en van de Hondsbossche Zeewering.

Zijn zoon Cornelis werd in 1918 burgemeester. In 1923 verhuisde hij uit de gemeente. Inmiddels was het burgemeestersambt 'gepolitiseerd', waardoor het niet langer mogelijk was opnieuw een Wildschut te benoemen. In plaats daarvan werd de in Wormer geboren W. Voster eerste burger van Jisp, die dat tot 1951 zou blijven. In dat jaar kreeg Jisp voor het eerst te maken met een burgemeester van buiten de streek, toen de commies eerste klas op de secretarie van Bloemendaal J.H. Bergh deze functie aanvaardde. In 1955 werd hij opgevolgd door waarnemer A. Loggers, die al burgemeester van Wormer was. Van 1961 tot 1967 was Jonkheer J. Albeda van Eekenstein de laatste niet-waarnemend burgemeester van Jisp. Waarnemers E.C. Tjaden (1967-1972), J.D. Post (1973-1983) en K. Kerkhoven (van 1983 tot december 1990) waren tevens burgemeester van respectievelijk Wijdewonner, Wijdewormer en Ilpendam.

Bewoningsgeschíedenis

Het dorp Jisp omstreeks 1655 naar een tekening van (vermoedelijk) J. Beerstraten

Over het ontstaan van Jisp is vrijwel niets bekend. Alle auteurs zijn het erover eens dat het dorp (met Wormer, Assendelft en Oostzaan) tot de oudste nog bestaande Zaanse nederzettingen behoort. Een definitief bewijs voor het vermoeden dat het dorp reeds in de 12e/13e eeuw bestond is echter nooit geleverd. De oudste schriftelijke vermelding van het dorp Gispe dateert uit 1321, in welk jaar Jan van Zaanden de helft van een reeds langere tijd bestaande meelmolen in zijn bezit kreeg. Jisp lag nabij de meren de Beemster en de Wormer, die in open verbinding met de Zuiderzee stonden. Dit bracht het dorp zowel voor- als tegenspoed. Hiervoor (oppervlakte, omvang) is verteld dat een deel van het dorp is weggespoeld. Maar anderzijds was er het voordeel dat vanuit Jisp schepen ter haringvangst of walvisvaart konden worden uitgerust.

In de 17e eeuw werden de grote Noordhollandse meren drooggelegd, respectievelijk de Beemster (1612), de - achter de Wormer gelegen - Purmer in 1622 en de Wormer in 1626.

Middelen van bestaan

Het is opmerkelijk dat de economische bloeiperiode van Jisp (en Wormer) gelijkvalt met die van het gewest Holland. Voor zover uit de beschikbare gegevens kan worden opgemaakt, kende Jisp de grootste welvaart in de zogenoemde 'Gouden Eeuw', die volgens de economisch-historici omstreeks 1660 eindigde. Dat was dus ook de tijd waarin Jisp een omslag kende. Nadien kwijnde de Jisper economie ruim anderhalve eeuw. Daarmee ligt de periode van bloei voor Jisp ruim vóór die van de overige Zaanstreek, waar de bloeiperiode later begon en langer voortduurde. De eerste berichten over de middelen van bestaan van Jisp stammen uit het einde van de 15e eeuw.

In 1494 verklaarde een aantal mannen uit de dorpen Wormer en Jisp, dat de bewoners van die plaatsen zich bezig hielden met de haringvisserij. Zij deden dat- gedwongen - niet als reders van de schepen maar als schepeling in dienst van anderen. In genoemd jaar 1494 had namelijk Jonker Frans van Brederode de gehele vloot van Wormer en Jisp op de Maasrede verbrand, en de dorpen hadden geen middelen om een nieuwe vloot op te bouwen. Sedertdien meldden zij, als het seizoen was geopend, zich aan de Maasmonding om op andere schepen aan te monsteren.

De haringvaart was niet de enige bron van bestaan. Er werd in het dorp tevens aan veehouderij en akkerbouw gedaan. De akkerbouw was primitief en kleinschalig. Het land was vochtig en bevatte onvoldoende voedingsstoffen. Om dit te verbeteren baggerde men wel slib uit sloten, op de verspreide modder verbouwde men dan granen. De oorzaken van de bloei die Wormer en Jisp vervolgens doormaakten zijn niet te achterhalen, maar zeker is dat de dorpen in 1514 weer eigen haringbuizen uitmonsterden. Tot het begin van de Tachtigjarige Oorlog waren Wormer en Jisp daarmee de enige dorpen in Noord-Holland met een eigen vloot. In 1614 verklaarde men dat vóór 'den trubbel' 31 Jisper haringbuizen de Maasmonding als basis hadden. Een groot deel van deze schepen was vermoedelijk in het eigen dorp gebouwd.

In 1567 voeren drie schepen uit Jisp als eerste uit de Zaanstreek door de Sont om aan de Oostzeehandel deel te nemen. De oorlog tegen de Spaanse troepen betekende in menig opzicht een ramp voor Jisp. De haringvangst leed zware schade, niet alleen doordat er schepen verloren gingen maar vooral doordat de dichtbevolkte afzetgebieden in de Zuidelijke Nederlanden en het Duitse Rijngebied onbereikbaar werden. De reders uit Wormer en Jisp gingen zich met andere zaken bezighouden; hun dominante positie werd later overgenomen door De Rijp. Ook de scheepsbouw van Wormer en Jisp kwam ten einde.

In tegenstelling tot de andere Zaandorpen bleven Wormer en Jisp tussen 1572 en 1576 grotendeels gespaard voor het oorlogsgeweld. Waarschijnlijk doordat een deel van deze beide dorpen bezit was van poorters uit het aan Spaanse zijde staande Amsterdam, werd er niet of nauwelijks geplunderd of platgebrand. Doordat ze gespaard waren konden Wormer en Jisp na het wegtrekken van de Spaanse troepen snel tot bloei komen. De oorzaak van deze bloei was een geheel nieuwe tak van nijverheid: de Beschuitbakkerij.

Over de oorsprong van de beschuitbakkerij kan men slechts gissen. Mogelijk moet die al in het begin van de 16e eeuw worden gezocht, maar het hoogtepunt lag in het begin van de 17e eeuw. De productie bestond overwegend uit hard, lang houdbaar scheepsbeschuit. Daarvan werd (door de houdbaarheid) ook veel aan particulieren verkocht. Hiervoor trok men vooral naar de twee speciaal daarvoor ingerichte markten te Amsterdam. In 1638 verkochten blijkens Amsterdamse gegevens 135 'backers ende beschuytverkoopers' uit Wormer en Jisp hun beschuit op de markt. Sommige auteurs veronderstellen overigens dat het aantal bakkers aanzienlijk lager moet hebben gelegen dan de meestal genoemde 130 tot 150. De neergang van de beschuitbakkerij moet zich reeds vóór 1650 hebben ingezet. In 1712 waren er mogelijk nog maar twee beschuitbakkers in het dorp.

Ook de toeleveringsbedrijven voor de beschuitbakkerij brachten welvaart; er stonden vier korenmolens in Jisp (acht in Wormer) en in de hoogtijjaren voeren wekelijks meer dan 80 schepen uit Wormer en Jisp naar Amsterdam (zie: Beschuitvaart). Ondanks de enorme en snelle terugval van de beschuitbakkerij wist de Jisper bevolking zich enigszins staande te houden. Dat kwam enerzijds door de Walvisvaart en anderzijds door de Zeilenmakerij. In 1637 was Cornelis Cornelisz Ploeg de eerste Commandeur uit Jisp die ter walvisvaart voer. In 1640 vertrokken er al vier schepen. Drie commandeurs hadden toen ook hun eigen traankokerij en zorgden dus ook aan wal voor enige werkgelegenheid. In totaal waren er zeven traankokerijen in Jisp in bedrijf. De walvisvaart kende in Jisp tussen 1740 en 1750 de grootste omvang, toen jaarlijks zeven à acht walvisvaarders werden uitgereed. In de meeste andere jaren waren dat er drie à vier.

Over de omvang van de rolrederij en de zeilmakerij in Jisp zijn geen gegevens bekend. Deze bedrijfstak zal evenals de walvisvaart na 1750 gestadig zijn teruggelopen en in de Franse tijd geheel zijn beëindigd. Niet alleen de beschuitbakkerij bracht Jisp vermaardheid, ook de Jisper Ledezetters droegen bij tot de bekendheid van het dorp (zie ook: Gezondheidszorg 1.5.1.).

Vanaf het einde van de 16e eeuw tot 1696 hielden telgen uit het geslacht 'Taems en Ploegh' zich in het dorp met de 'geneeskunst' bezig. Hun vermaardheid was zó groot dat patiënten van heinde en verre naar het dorp kwamen om zich daar onder behandeling van een der ledezetters te stellen. Hierdoor floreerden ook de plaatselijke herbergen, want de zieken verbleven dikwijls lange tijd in het dorp.

Zoals in alle Zaanse gemeenten, bood ook in Jisp de molenindustrie werkgelegenheid. In totaal stonden er een houtzaagmolen, een snuifmolen en zes oliemolens. De houtzaagmolen was in de eerste helft van de 17e eeuw in bedrijf; jaar en wijze van verdwijnen zijn onbekend. Van de snuifmolen is niet veel meer bekend dan dat de windbrief werd verkregen in 1696. Van de oliemolens waren er maximaal vijf tegelijkertijd in bedrijf. In 1849 functioneerden er nog drie; de laatste verdween in 1908.

Over het jaar 1811 is precies bekend hoeveel mannen van 21 jaar en ouder in welke bedrijfstak hun werk vonden:

sectoraantal
landbouw114
jacht/visserij3
bouw20
oliemolens12
overige arbeiders56
waterstaat17
handel9
overheid6
overige19
totaal256

Deze cijfers komen redelijk overeen met het beeld dat Van der Aa in 1849 schetste. In zijn Aardrijkskundig Woordenboek stelde hij dat een groot deel van de bevolking een bestaan vond in de kaasmakerij, de melkerij en de visserij. Naast de drie oliemolens was er (omstreeks 1840) ook een touwslagerij in het dorp. Bij de volkstelling van 1930 was nog 39 % van de beroepsbevolking van Jisp afhankelijk van de landbouw, een veel hoger percentage dan in de andere Zaanse dorpen. De industrie bood in 1930 inmiddels aan een gelijk percentage van de beroepsbevolking werk. Handel en verkeer lag met 10,3 % onder het streekgemiddelde. Thans vindt het grootste deel van de inwoners van Jisp het werk buiten de eigen gemeente. In mei 1989 was nog negen procent van de beroepsbevolking in de landbouw werkzaam.

Lees ook: Jisp, een schone Zaanse.

Literatuur
  • A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden deel 6, Gorinchem 1845;
  • J. Honig Jsz. Jr, Geschiedenis der Zaanlanden, Zaandijk 1849;
  • C. Mol, Uit de geschiedenis van Wormer, Amsterdam 1966;
  • H. Kapteijn, Het Schermerland, Bergen (NH) 1988;
  • A.M. van der Woude, Het Noorderkwartier, Utrecht 1983;
  • H.P. Moelker, Het dorp aan de rivier de Ghyspe, Purmerend 1976;
  • P. Boorsma, Duizend Zaanse Molens, Wormerveer 1950;
  • A. van Braam, De Zaan, Zaandam 1948;
  • J . Haller, 350 jaar Wijde Wormer, Wormerveer z.j. ;
  • Waterlandraad, Waterland in de kijker, Purmerend 1989;
  • L. van Ollefen, Stads- en Dorpsbeschrijver van Kennemerland, Amsterdam 1796;
  • D. Vis, De Zaanstreek, Leiden 1948;
  • G.J. Boekenoogen, De Zaanse Volkstaal, Zaandijk 1971;
  • C. Mol, Bijzonderheden over het voormalige en het tegenwoordige raadhuis te Wormer, In: De Zaende, Wormerveer 1948;
  • G.J. Honig: De Zaanse burgemeesters sedert 1814, In: De Zaende, Wormerveer 1951.



Zie ook: * Assendelft * Jisp * Knollendam * Koog (aan de Zaan) * Krommenie * Krommeniedijk * Westzaan * Wormer * Wormerveer * Oostzaan * Zaandam * Zaandijk

  • jisp.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/07 15:08
  • door jan