Voormalige zelfstandige gemeente ten westen van de Zaan, ten noorden van Zaandam, ten zuiden van Zaandijk, sinds 1 januari 1974 deel uitmakend van Zaanstad. Tot in de Franse tijd was Koog bestuurlijk deel van de Banne van Westzaan; de invloed van Koog daarin was gering. Ofschoon niet geheel zeker, wordt aangenomen dat de gemeente Koog aan de Zaan per 1 augustus 1811 zelfstandig werd (zie: Bestuur en rechtspraak 2.1.8.).

Koog wordt tot in onze tijd dikwijls in één adem genoemd met de noordelijke buurgemeente Zaandijk. Deze band dateert al van het ontstaan; het dorp werd gesticht vanuit het oudere Zaandijk. Nadien waren in de 16e, 17e en 18e eeuw kortere of langere tijd school, kerk, kerkhof, armen- en weeszorg gemeenschappelijk. Moeilijkheden over de afrekening daarvan zorgden uiteindelijk in 1721 voor een scheiding; nadien richtten beide dorpen zich alleen op de verzorging van de eigen inwoners. Maar een band tussen de dorpen bleef bestaan. De perioden van economische bloei en verval van Koog en Zaandijk liepen gelijk, de Vermaning te Koog werd bijvoorbeeld ook door de Doopsgezinden van Zaandijk bezocht, beide dorpen liepen als het ware naadloos in elkaar over. In de 19e eeuw werd de band verstevigd: de gemeenten kregen een gezamenlijk spoorwegstation en één postkantoor. Het verenigingsleven uit beide gemeenten overlapte elkaar en kwam tenslotte samen in Hollands Vlag, terwijl na de samenvoeging tot Zaanstad, Koog en Zaandijk in hetzelfde wijkraadsgebied kwamen.

Naam

Koog aan de Zaan werd vernoemd naar de Koog, ook: Koger Hem en Grote Koogven. Een koog is een onbedijkt stuk land, hier de landtong buiten de lage dijk, tegenover de Kuil. Zeer waarschijnlijk hebben de eerste bewoners van het dorp zich op of nabij dit koogland gevestigd, ook al doordat aan de noordzijde van deze hem de belangrijke Kogersluis lag. De naam Koog aan de Zaan wordt in het spraakgebruik en ook in deze encyclopedie meestal verkort tot 'Koog'. Vóór de 20e eeuw werden ook de namen 'Koog aan de Zaankant, of 'De Coogh' gebruikt. Zaankanters spreken nog altijd wel van 'De Koog'.

Wapen

Het wapen van Koog bestond uit vier vlakken, met boven twee naar elkaar gekeerde zilveren leeuwen op een rood veld en onder twee naar elkaar gekeerde rode leeuwen op een zilveren veld. Dit wapen is afgeleid van het wapen van de Banne van Westzaan. Zie voorts: Gemeentewapens.

Bijnamen

Destijds gebruikelijke bijnamen voor Kogers waren: koeketers, koekvreters en zeurore, later ook: staifselkneters. Over Kogers was het volgende spotversje gemaakt:

Op de Koog, daar benne ze droog, daar ete ze rijst met krente. Maar als de melkboer komt, dan hebbe ze geen cente.

Omvang, oppervlakte

Koog werd ten noorden begrensd door de Bagijnsloot bij Zaandijk, ten oosten door de Zaan bij Zaandam-Oost, ten zuiden door de Mallegatsloot bij Zaandam-West en ten westen door de De Gouw bij Westzaan. Met een oppervlakte van iets minder dan 320 hectare is Koog één der kleinste deelgemeenten van Zaanstad. Doordat het gebied van de gemeente vrijwel volledig is bebouwd, is de bevolkingsdichtheid hoog.

Bevolking

Koog kent de grootste bevolkingsdichtheid van de Zaanstreek. Dat was vermoedelijk al het geval aan het begin van de 18e eeuw en mogelijk nog eerder. In 1939 woonden er in Koog bijna 2100 personen per vierkante kilometer, begin 1988 was dit meer dan verdubbeld: 4245 mensen per vierkante kilometer. Ondanks de hoge bevolkingsdichtheid is het inwonertal van Koog, in vergelijking met de andere Zaandorpen, nooit hoog geweest; ook daarbij speelt de betrekkelijk geringe oppervlakte van het dorp een belangrijke rol. Koog is een van de jongste dorpen in de Zaanstreek. In 1543 woonden er naar schatting nog slechts 30 personen, veertig jaar later 70. De volgende bekende gegevens dateren pas uit 1742; het dorp had toen inmiddels 1563 inwoners. Vanaf 1795 is er een duidelijk overzicht van het verloop van de bevolkingsgroei.

jaaraantaljaaraantal
1795162619304407
1809174719406375
1815164719507386
1840209619607384
1869235119706148
18993031198813540

Opvallend is de groei van het inwonertal tussen 1795 en 1809; in het grootste deel van de Zaanstreek was er in deze periode een afname van de bevolkingsomvang; deze deed zich in Koog eerst tussen 1809 en 1815 voor. Na 1815 zette zich een bevolkingsgroei in die voortduurde tot de jaren `50 van de 20e eeuw. Tussen 1950 en 1960 - een periode van landelijke bevolkingsgroei - trad in Koog een stabilisatie op. Veel Kogers trokken weg naar plaatsen met minder industrie en meer ruimte. Tussen 1960 en 1970 was er sprake van bevolkingsterugloop. Daarna verdubbelde de bevolking in minder dan 20 jaar. Deze groei is volledig toe te schrijven aan de bouw van de wijk Westerkoog. Per 1 januari 1988 woonden 8480 mensen in Westerkoog, terwijl oud-Koog slechts 5060 inwoners had.

Kerkelijke gezindheid

Koog had relatief een groot aantal Doopsgezinde inwoners. De eerst bekende gegevens over de kerkelijke binding van de inwoners dateren uit 1742, het jaar van de personele quotisatie. Daaruit is het volgende overzicht samen te stellen:

n.h.dopersr.k.luth.
absoluut767 661 101 34
percentueel49 42 6 2

Adriaan Loosjes noemde terloops het aantal Doopsgezinde inwoners van Koog tijdens de bouw van de Vermaning in 1680, namelijk 250. In 62 jaar was hun aantal dus sterk toegenomen. In 1811 waren de verhoudingen weer ingrijpend veranderd:

n.h. dopers r.k. luth.
absoluut 1110 379 145 93
percentueel64 22 8 6

Voorts waren drie personen het Joodse geloof toegedaan. De bevolkingsgroei na de Franse tijd kwam alle kerkgenootschappen in absolute zin ten goede. De percentuele veranderingen waren marginaal. De volgende cijfers zijn uit 1845.

De 20e-eeuwse ontkerkelijking zette in Koog vroeger in dan waar ook. Dit was overigens een algemeen beeld in plaatsen waar Doopsgezinden sterk waren vertegenwoordigd. Bovendien was in Koog de Hervormde kerk sterk vrijzinnig van karakter; ook daar ontstond al vroeg terugloop. Na vergelijking van volkstellingen werd Koog in de jaren '30 de meest onkerkelijke gemeente van Europa genoemd. In 1947 gaf in Koog nog slechts 46,5 procent van de bevolking een kerkelijke gezindheid op (Zaanstreek: 54,7 %), in 1960 nog maar 42,8 procent (Zaanstreek: 52 %). Het aantal Doopsgezinden was zo ver afgenomen dat er geen aparte gegevens meer over werden vergaard; zij werden ondergebracht bij overige godsdiensten. Ditzelfde gold voor de Lutheranen. Daarna is het percentage onkerkelijken verder toegenomen; dit ging ten koste van alle kerkgenootschappen. Precieze cijfers van na 1947 ontbreken.

Bevolking naar politieke gezindheid

Koog was een van de gemeenten die de Zaanstreek de naam gaven 'rood' te zijn; een verband met de snelle ontkerkelijking lijkt voor de hand te liggen. In 1891 was Paul Leguit, namens de Vrije Kiesvereniging, de eerste socialist in een Zaanse gemeenteraad. Vanaf 1913 was de SDAP, na de oorlog: PvdA, steeds de grootste partij in de raad. In de periode 1927-1931 en 1953-1973 was er een linkse raadsmeerderheid. Een andere, steeds sterk in de Koger raad vertegenwoordigde partij, was de liberale Vrijzinnig Democratische Bond (VDB), die opging in de PvdA (1946) en de VVD (1948), maar in Koog nog in 1949 als zelfstandige partij aan de raadsverkiezingen deelnam. De PvdV is de Partij van de Vrijheid, die in 1948 opging in de VVD.

De tabel op deze pagina geeft een overzicht van de verdeling van raadszetels van 1913 tot en met 1970. Daarbij moet worden opgemerkt dat de raad voor de oorlog elf zetels telde en vanaf 1946 dertien zetels.

De tabel is links onderaan geplaatst.

Bij de verkiezingen voor de gemeenteraad van Zaanstad in 1990 behaalde de PvdA 26.1 procent van de stemmen in Koog, de VVD 16,8 %, het CDA 16,7 %, D '66 16,9 %. Groen Links 12,8 %, GPV/RPF 2,2 % en de Zaanse Onafhankelijke Groepering 8,3 %.

Burgemeesters

Koog telde tussen 1811 en 1974 vijftien burgemeesters. De eerste was:

  • Evert Smit. Deze koopman, olieslager, scheepsreder en eigenaar van een plantage te Suriname was in 1804 lid van het gemeentebestuur geworden en vanaf 1 augustus 1811 maire. In 1817 werd deze titel veranderd in schout en in 1825 in burgemeester. Hij bleef burgemeester en secretaris tot zijn dood in 1843. Zijn opvolger werd peller
  • Simon Dekker Pz. die al vanaf 1819 in de raad zat. In 1858 bedankte hij voor het ambt, waarna drie telgen uit het geslacht Duyvis hem opvolgden:
  • Jan Spekham Duyvis (1859-1862) en diens zonen
  • Jacob Duyvis (1862-1866) en
  • mr. Jan Spekham Duyvis (1866-1874). In 1874 opgevolgd door
  • mr. Frederik Willem Smit koopman, oliefabrikant en zoon van de burgemeester van Zaandam die op zijn beurt in 1880 werd opgevolgd door
  • Petrus B.J. Ferf (1880-1888), de secretaris van Wormerveer, burgemeester van Westzaan en lid van Provinciale Staten. De volgende was
  • jonkheer Frederik T. Roeters van Lennep (1888-1898). Hij nam min of meer gedwongen ontslag toen het socialistische raadslid P. Leguit en het vrijzinnige raadslid J. Dekker wethouder werden. Gedurende hun raadslidmaatschap was Roeters van Lennep meermalen hevig in conflict met hen gekomen, zo ernstig dat hij in 1894 door de commissaris van de koningin al een maand op verlof was gestuurd.
  • Toen Dekker en Leguit in 1897 tot wethouder waren gekozen, solliciteerde Roeters van Lennep als penningmeester bij de Haarlemmermeerpolder, in welke functie hij werd aangenomen. Hij werd opgevolgd door de voormalige
  • gemeente-secretaris Oncko Egberdinus Cleveringa, die in 1908 vertrok, toen hij werd benoemd tot burgemeester van Weesp. Ook zijn opvolger
  • Cornelis Maarschalk bleef tien jaar in Koog en werd daarna in Haarlem benoemd. De volgende was
  • Willem F.G.L. Driessen (1919-1928), opgevolgd door oud-marineman
  • Alexander G.A. Verstegen (1929-1935). De Koger zakenman
  • Willem F. Allan kreeg vervolgens als burgemeester een zeer moeilijke tijd. De vooroorlogse regering Colijn had de wazige aanbeveling gedaan dat burgemeesters moesten aanblijven zolang de bevolking meer nut van hen had dan de bezetters. Allan bleef lang op zijn post, tot het einde van 1944. Na de bevrijding mocht hij niet terugkomen en in 1946 werd hij ontslagen. In 1949 werd dit ontslag veranderd in eervol ontslag. Op dat moment was
  • Leendert A. Ankum al drie jaar burgemeester van Koog. In 1960 werd hij opgevolgd door
  • Rindert van Zinderen Bakker, die eerder burgemeester van Westzaan was en tot de samenvoeging in 1974 burgemeester van Koog bleef.

Bewoningsgeschiedenis

De eerste bewoners van Koog zullen zich volgens dr. Margaretha Verkade eerst tegen het eind van de 16e eeuw in de omgeving van de Koger Hem en -sluis hebben gevestigd. De eerste vermelding dateert uit 1543, toen 'op die Kogh' vijf haardsteden waren, circa 30 inwoners; een volgende vermelding stamt uit 1561 en luidt 'een kamp an Dirick Gerritsz huys upte Koech'. Toen woonden er enkele tientallen personen in de omgeving van de sluis. Nadien breidde het aantal inwoners zich gestadig uit; zie het overzicht, hiervóór bij 'Bevolking'.

Vermeld is al dat Koog, evenals Zaandijk en Wormerveer, aan het einde van de 18e eeuw een doorgaande bevolkingsgroei kende; de rest van de Zaanstreek had in die periode een forse bevolkingsterugval. Eerst in de tweede helft van de Franse bezetting daalde ook de omvang van de bevolking van Koog, zij het gering. Ad van der Woude verklaart de voortgaande bevolkingsgroei van de drie dorpen door te wijzen op de arbeidsintensieve papiernijverheid die in deze dorpen omvangrijk was en relatief laat tot bloei kwam.

Tot omstreeks de laatste eeuwwisseling bleef Koog een typisch Zaans dorp, met de lage dijk langs de Zaan, een binnendijkse wegsloot en haaks op de dijk doodlopende paden het land in. Door de demping van de wegsloot, de afbraak van historische panden ten behoeve van de industrie, de aanleg van nieuwe wijken zoals Koog-Bloemwijk en de bouw van het Coentunnelviaduct werd in de 20e eeuw het uiterlijk van het dorp sterk veranderd. Van belang hierbij was ook dat in de jaren '70 de sprong over de spoorlijn werd gemaakt, ten gevolge waarvan de wijk Westerkoog kon worden gebouwd. In deze nieuwbouwwijk wonen meer mensen dan in oud-Koog.

Middelen van bestaan

De hiervóór al weergegeven indruk dat Koog ook aan het einde van de 18e eeuw nog een periode van relatieve bloei doormaakte is voornamelijk gebaseerd op de bevolkingscijfers. Ofschoon stijging van de bevolking niet per definitie wijst op economische groei, lijkt dat verband hier te bestaan. Arbeiders trokken in de pre-industriële periode naar de plaatsen waar werk was. De eerste bewoners van Koog hielden zich vermoedelijk bezig met binnenvisserij, binnenvaart en de verzorging van reizigers in herbergen. De binnenvaart bleef tot ver in de 19e eeuw aan Kogers werk verschaffen. In het Aardrijkskundig Woordenboek vermeldde Van der Aa dat er oudtijds vele schippers op de Koog woonden. Zij dreven voor eigen risico handel op bijvoorbeeld Brabant, Vlaanderen, Overijssel en Friesland. In 1811 stonden er 22 personen als schipper geregistreerd; in 1845 waren er nog slechts enkelen die als schipper de kost verdienden.

Koog was één van de dorpen met een zeer omvangrijke molenindustrie. De eerste molens werden er reeds vroeg in de 17e eeuw gebouwd; omstreeks 1630 waren er al zes molens in Koog in bedrijf. Speciale vermelding verdient de Pelikaan, De, Pellecaan, of Oude Pelmolen, de eerste pelmolen in de Zaanstreek en mogelijk in Nederland. De windbrief werd gegeven in 1639; de punt van de Koger Hem waar de molen stond werd ook wel Pelikaanshoek genoemd. In totaal kwamen er elf pelmolens in Koog. In 1731 werden er zeven pelmolens in Koog geregistreerd, in 1795 en 1845 nog zes. De meeste bleven tot rond de laatste eeuwwisseling produceren.

Uit de tabel kan een aantal conclusies worden getrokken. De houtzagerij beleefde het hoogtepunt al vroeg in de 18e eeuw, daarna was er teruggang. Olieslagerij, pellerij en verfmalerij wisten zich van het begin van de 18e eeuw tot halverwege de 19e eeuw sterk te handhaven. De papiermakerij liep vanaf het einde van de 18e eeuw snel terug. Het belang van de papiermakerij mag echter niet onderschat worden. In een papiermolen werkten menigmaal 50 personen. Dat betekent dat in 1795 de papiermakerij Koog 250 arbeidsplaatsen kan hebben geboden. Een andere bedrijfstak die voor Koog vanaf het begin van de 18e eeuw en mogelijk eerder belang had, was de stijfselmakerij. Koog had in 1731 vier stijfselmakerijen, waarvan er in 1845 nog twee over waren. Van het jaar 1811 zijn zeer exacte gegevens bekend over de samenstelling van de beroepsbevolking van mannen boven de 21 jaar, samengevat in de volgende tabel: TABEL INVOEGEN

Het aantal werknemers in de papiernijverheid kan verwarren. Eerder werd gezegd dat op een papiermolen soms vijftig personen werkten. Dat waren evenwel voor een belangrijk deel vrouwen en jongeren, de goedkope arbeidskrachten. Van der Aa somde in 1845 de in Koog gevestigde bedrijven op. Hij noemde naast de 25 molens en twee stijfselmakerijen de volgende bedrijven op: 1 scheepstimmerwerf, 1 loodwitmakerij, 1 oliekokerij, 1 chocolademalerij en 1 machinale rijstpellerij.

Uit het voorafgaande blijkt duidelijk dat Koog steeds in hoge mate geïndustrialiseerd was. Dat bleef ook in de 20e eeuw het geval. Het dagelijks leven in het dorp werd lange tijd gedomineerd door de grote fabrieken van Honig en Duyvis. Honig werd later opgesplitst in Honig Merkartikelen en Zetmeelbedrijven De Bijenkorf (ZBB), terwijl Duyvis-Recter een nieuwe fabriek bouwde te Zaandam-Oost en Koog kon verlaten.

Voorts waren en zijn er in Koog vrij veel kleinere bedrijven gevestigd, zoals Koekfabriek Van Delft, Machinefabriek P.M. Duyvis, Evenblij Vaten en de Zaanlandse Zakkenhandel. Andere Koogse bedrijven zijn Garage Gesink, De Waakzaamheid en Zaanlandia Leesmappen.

Een overzicht van de werkzame beroepsbevolking (absoluut en percentueel) in 1930 en 1973

Literatuur:

  • Ad van der Woude, Het Noorderkwartier, Utrecht 1983;
  • Gerrit Jacob Boekenoogen, De Zaanse Volkstaal, Zaandijk 1971;
  • Margaretha Verkade, Den derden dagh, Alkmaar 1982;
  • Dirk Vis, De Zaanstreek, Leiden 1948;
  • Adriaan Loosjes, Beschrijving van de Zaanlandsche dorpen, Haarlem 1794;
  • Henri Nicolaas ter Veen, Problemen der samenvoeging van Zaangemeenten, Haarlem 1941;
  • Gerrit Jan Honig, De Zaanse burgemeesters sedert 1814, in: De Zaende 1951;
  • Abraham Jacob van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden deel 6, Gorinchem 1845;
  • Zaanstad in cijfers 1987, Zaanstad 1988;
  • Gerrit Jan Honig, Zaanlandsche gemeentewapens, Zaandijk 1887;
  • Zaanstreek in cijfers 1974, Zaandijk 1975;
  • Pieter Boorsma, Duizend Zaanse Molens, Wormerveer 1950.

* Assendelft * Jisp * Knollendam * Koog (aan de Zaan) * Krommenie * Krommeniedijk * Westzaan * Wormer * Wormerveer * Oostzaan * Zaandam * Zaandijk

  • koog.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/07 15:09
  • door jan