sluizen

Bouwwerken tussen twee wateroppervlaktes met een verschillend peil. Sluizen werden aangelegd met het doel water in te laten of uit te slaan (in- of uitlaatsluis, spuisluis, duikersluis), of schepen door te laten (schutsluis). In de Zaanstreek waren tientallen sluizen, waarvan sommige essentieel waren voor de ontwikkeling van de dorpen. Naarmate het waterverkeer minder belangrijk werd en gemalen de waterhuishouding eenvoudiger regelden, nam het aantal sluizen in de streek af.

De eerste sluizen waren kleine houten bouwwerken, die waarschijnlijk vanaf de 15e eeuw voorkwamen. Voordien was de noodzaak tot het bouwen van sluizen niet aanwezig. Naast dat er nog weinig vervoer was en de schepen klein waren, was het hoogteverschil tussen het water in de polders en dat in Zaan en IJ nog gering. Door veenafgraving, inklinking en het droogmalen van nieuwe polders nam dit peilverschil nadien toe. De sluizen die toen gebouwd werden konden twee doelen hebben: het schutten van schepen en de beheersing van het polderpeil. Het grootste deel van de bouwwerken werd alleen gebruikt voor de waterbeheersing: het inlaten en spuien van water. Met name het inlaten van water gaf wel problemen. Zo beschikten de Assendelver boeren bijvoorbeeld over een tiental sluisjes, die voornamelijk voor het inlaten van water gebruikt werden. Hun reden om keer op keer hun landerijen te laten onderlopen (met alle gevaren van dien) was de hoop dat het IJ-water vruchtbare klei op het land zou afzetten. Ter bescherming van de polder Assendelft en het achterland lieten de Vroedschappen in 1696 de resterende sluizen afdammen (zie ook onder Assendelft).

Ook de schutsluizen waren aanvankelijk van hout, maar werden vanaf de eerste helft van de 18e eeuw steeds meer in steen uitgevoerd. Reden hiervoor was het optreden van een nietig schelpdiertje, de paalworm. Deze was waarschijnlijk ingevoerd door Oostindie-vaarders. De wateren van West-Europa bleken een goede voedingsbodem voor de diertjes, die geen natuurlijke vijanden in onze wateren vonden. Het zachte, ongeverfde Europese hout bood totaal geen weerstand aan de paalwormen, die enorme schade aan vele sluizen toebrachten.

De houten deuren werden meestal zwaar geteerd. Zij konden op twee manieren geplaatst worden. Meest gebruikelijk waren de klapdeuren, die geen beperkingen aan de hoogte van de door te laten schepen oplegden. Daarnaast was er de valdeur. Voorbeelden van sluizen met dit type deur waren de Noorder-en de Zuidervaldeursluis te Oostzaandam. Tussen de Nauernasche Vaart en Zijkanaal D is zowel een valdeur- als een klapdeursluis aanwezig. De duikersluis heeft een valdeur en de Schermer, geslacht- of Nauernasche sluis een klapdeur.

Ontegenzeggelijk de belangrijkste sluis in de Zaanstreek is de Wilhelminasluis in de Dam te Zaandam. In de dam lagen al vroeg twee kleine sluisjes, de Oostzaner/Wormer/Jisper en de Westzaner Sluis. Deze sluisjes waren overkapt en werden onderhouden door de dorpen wier naam zij droegen. De overkapping van sluizen zou langer gebruikelijk blijven. Ook de in 1544 gebouwde stenen Grote_Koogven Sluis, die in de plaats kwam van de Westzaner Sluis, kon geen opgetuigde zeilschepen schutten. De Oostzaner/Wormer/Jisper Sluis bleef gehandhaafd onder de naam Kleine Sluis. De Grote (of Hondsbossche) Sluis werd gebouwd op initiatief van het Hoogheemraadschap de Hondsbossche en Duinen tot Petten. De heemraden wilden verzekerd zijn van geregelde aanvoer van materialen voor hun zeewering bij Petten. Daarvoor was een grotere sluis in de Zaan nodig.

Zij kochten het Westzaner Sluisje van de kerk van Westzaan en bouwden hun eigen sluis. Deze werd in 1722 van de grond af opnieuw gebouwd en in de huidige staat gebracht. Aangezien de sluizen in de Dam tot 1722 slechts klein waren en zich wel een belangrijke scheepsbouw aan de Achterzaan ontwikkelde, liep van 1608 tot 1719 de Overtoom over de Dam. Daarna verdwenen de scheepswerven van de Achterzaan naar de Voorzaan (Kattegat en Nieuwe Haven).

De Wilhelminasluis (1903) ligt op de plaats van de Kleine Sluis en een duikersluis. Deze duiker was in 1611 aangelegd op kosten van de bedijkers van de Beemster. Naast de Grote Sluis kwamen nog vier andere sluizen direct op het IJ uit, van west naar oost de Schermer- of Nauernasche sluis, de Westzaner Overtoomsluis, de Barndegatter Sluis en de Oostzaner Overtoomsluis. Alle vier dateren waarschijnlijk van begin 17e eeuw. De Nauernasche sluis lag oorspronkelijk op het einde van `t Twiske. In 1633 werd het een stenen schutsluis, die door de bedijkers van de Schermer aangelegd werd, en ook nu nog in gebruik is. De Westzaner Overtoomsluis, die de polder Westzaan met Zijkanaal E verbindt heeft nog slechts een gering belang. De andere twee genoemde sluizen zijn gesloopt.

Voor de polder Oostzaan was ook de Hanenpadsluis van belang. Deze kwam in de plaats van de in 1714 gesloopte Barndegatter Sluis. Voor de Polder Westzaan kunnen de Papenpadsluis, de Mallegatsluis, de Noordse Balk, de Hornersluis, de Jaap Haversluis en de Gerrit Haremakersluis vermeld worden.

In de polder Wormer, Jisp en Nek kunnen de Poelsluis, de Jispersluis en de Bartelsluis worden genoemd. De Knollendammersluis (in de Knollendam) was slechts van 1374 tot 1560 van belang.

  • sluizen.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/10/14 09:29
  • door jan